Ontwerpresolutie - B6-0462/2007Ontwerpresolutie
B6-0462/2007

ONTWERPRESOLUTIE

12.11.2007

naar aanleiding van de verklaringen van de Europese Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Martin Schulz, Claudio Fava, Gianni Pittella, Pasqualina Napoletano, Adrian Severin, Dan Mihalache en Kristian Vigenin
namens de PSE-Fractie
door Monica Frassoni en Daniel Cohn-Benditnamens de Verts/ALE-Fractie
door Francis Wurtz, Roberto Musacchio, Marco Rizzo, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Giusto Catania, Vittorio Agnoletto en Umberto Guidoni
namens de GUE/NGL-Fractie
over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden

Procedure : 2007/2657(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B6-0462/2007
Ingediende teksten :
B6-0462/2007
Aangenomen teksten :

B6‑0462/2007

Resolutie van het Europees Parlement over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden

Het Europees Parlement,

–  gelet op artikel 2, 6, 13 en 29 van het verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gelet op artikel 61, 62 en 64 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

–  gelet op artikel 6, 19, en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien richtlijn 2004/38/EG over het vrij verkeer van de burgers van de Europese Unie en hun familieleden,

–  gezien de Conventie van de Raad van Europa over de rechten van nationale minderheden,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over het vrij verkeer van personen en de strijd tegen discriminatie, meer in het bijzonder zijn resolutie over de situatie van de zigeuners in de Europese Unie (RC-B6-272/2005),

–  gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het vrij verkeer van personen een onvervreemdbaar grondrecht van de burgers van de Europese Unie is, erkend door de verdragen en het handvest van de grondrechten, en één van de steunpilaren van het Europees burgerschap,

B.  overwegende dat richtlijn 2004/38/EG over het vrij verkeer van de burgers van de Europese Unie en hun familieleden daarom weliswaar de mogelijkheid kent om een burger van de Europese Unie uit te wijzen, maar binnen duidelijk vastgelegde perken, om de grondrechten te waarborgen,

C.  overwegende dat de Europese Unie het tot haar plicht moet rekenen om haar burgers een hoge graad van veiligheid te verzekeren in een gebied waar vrijheid, veiligheid en gerechtigheid heersen,

D.  overwegende dat de georganiseerde misdaad en mensenhandel uitdagingen van grensoverschrijdende omvang zijn en dat het vrij verkeer in het Europees gebied ook op betere gerechtelijke en politionele samenwerking in onderzoek en vervolging op Europees niveau berust, met de steun van Eurojust en Europol,

E.  overwegende dat eerbied voor de wetten van elke lidstaat een essentiële voorwaarde voor samenleven en sociale integratie in de Europese Unie is,

F.  overwegende dat de strijd tegen elke vorm van racisme en vreemdelingenhaat en alle vormen van discriminatie tot de fundamentele princiepen behoren waar de Europese Unie op gegrondvest is,

G.  overwegende dat de zigeuners een minderheid zijn die op het grondgebied van de Europese Unie nog aan discriminatie en andere misbruiken blootstaat, en dat hun integratie, sociale inschakeling en bescherming doelstellingen zijn die spijtig genoeg nog te bereiken blijven,

H.  geschokt door de ruwe aanval en moord op een vrouw in Rome, waar een Roemeense staatsburger van beschuldigd wordt,

I.  gezien de racistische aanvallen die op het voorval gevolgd zijn en waar Roemeense staatsburgers het slachtoffer van geworden zijn,

J.  gezien het gezamenlijk initiatief van de Italiaanse en Roemeense eerste minister en hun gezamenlijke brief aan de voorzitter van de Europese Commissie,

1.  onderlijnt andermaal de waarde van het vrij verkeer van personen als fundamenteel principe van de Europese Unie, wezenlijk onderdeel van het Europees burgerschap en elementair bestanddeel van de interne markt;

2.  bevestigt de doelstelling om van de Europese Unie een gebied te maken waar eenieder in vrijheid, veiligheid en gerechtigheid kan leven;

3.  herinnert eraan dat richtlijn 38/2004 binnen duidelijke perken de mogelijkheid van uitwijzing van een staatsburger van de Europese Unie kent en meer in het bijzonder bepaalt:

  • in artikel 27, dat de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf alleen om redenen van openbare orde en veiligheid of volksgezondheid aan beperkingen mogen onderwerpen en dat die redenen niet met economische oogmerken gebruikt mogen worden; alle maatregelen moeten evenredig zijn en uitsluitend van het persoonlijk gedrag van de individuele persoon uitgaan, en in geen geval door overwegingen van algemene preventie ingegeven zijn;
  • in artikel 28, dat er vóór elk uitwijzingsbesluit een evaluatie nodig is die rekening houdt met de persoonlijke situatie van de belanghebbende persoon, meer in het bijzonder de duur van zijn verblijf, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, familiale en economische omstandigheden, integratie in de lidstaat waar hij verblijft;
  • in overweging 16 en artikel 14, dat er mogelijkheid bestaat om een burger uit te wijzen als hij een onevenredige last voor de welzijnszorg betekent, maar met tezelfdertijd de verklaring dat elk individueel geval een grondig onderzoek vergt en dat de voorwaarde op zich geen automatische uitwijzing kan verantwoorden;

4.  stelt nogmaals dat elke vorm van nationale wetgeving de beperkingen en waarborgen strikt in acht te nemen heeft, met inbegrip van de mogelijkheid tot juridisch verhaal tegen de uitwijzing en de rechten van de verdediging, en dat elke uitzondering die de richtlijn kent, restrictief te interpreteren is; herinnert eraan dat het handvest van de grondrechten en de Europese conventie van de rechten van de mens collectieve uitwijzing verbieden;

5.  betuigt zijn steun voor de oproep van de beide eerste ministers aan de Europese Unie, voor integratie van achtergestelde bevolkingsgroepen en samenwerking onder de lidstaten om de bewegingen van hun bevolking te begeleiden, vooral aan de hand van de ontwikkelings- en sociale bijstandsprogramma's, die ook onder de structuurfondsen vallen;

6.  vraagt de Europese Commissie om zonder uitstel een volledige evaluatie van de uitvoering van richtlijn 2004/38/EG door de lidstaten en verdere voorstellen voor te leggen, volgens artikel 39 van de richtlijn;

7.  geeft opdracht - zonder afbreuk aan de bevoegdheden van de Europese Commissie te doen - aan zijn bevoegde parlementaire commissie om tegen 1 juni volgend jaar in samenwerking met de nationale parlementen een evaluatie van de problemen bij de omzetting van de richtlijn op te stellen om de best mogelijke werkwijzen te belichten en op maatregelen te wijzen die discriminatie tussen Europese burgers tot gevolg kunnen hebben;

8.  vraagt de lidstaten om alle aarzeling te laten varen en de werkmiddelen voor de politionele en gerechtelijke samenwerking in strafzaken op EU-niveau sneller te verbeteren om doelmatig strijd tegen de georganiseerde misdaad en mensenhandel te kunnen voeren, fenomenen van transnationale omvang, en tegelijk een eenvormig raamwerk voor procedurele waarborgen in te stellen;

9.  verwerpt het principe van collectieve schuld en wijst er nogmaals met nadruk op dat elke vorm van racisme en vreemdelingenhaat en elke vorm van discriminatie en stigmatisering volgens nationaliteit en etnische oorsprong bestreden moet worden, zoals in het handvest van de grondrechten van de Europese Unie gesteld;

10.  herinnert er de Europese Commissie aan dat ze dringend een ontwerp van horizontale richtlijn tegen alle vormen van discriminatie zoals bedoeld in artikel 13 verdrag Europese Gemeenschap moet voorleggen, volgens het wetgevend programma 2008;

11.  meent dat de verdediging van de rechten van de zigeunerminderheid en haar integratie een uitdaging voor de Europese Unie in haar geheel betekenen en vraagt de Europese Commissie om zonder uitstel handelend op te treden en een algemene strategie voor de sociale integratie van de zigeunerbevolking uit te werken, met gebruikmaking van het integratiefonds en de structuurfondsen om de nationale, regionale en plaatselijke overheden te ondersteunen in hun inspanningen om voor sociale integratie van de zigeunerbevolking te zorgen;

12.  meent dat de recente verklaringen van ondervoorzitter Franco Frattini van de Europese Commissie tegenover de Italiaanse pers naar aanleiding van de ernstige gebeurtenissen die zich in Rome voorgedaan hebben, de letter en de geest van richtlijn 2004/38/EG overtreden, die hij volledig moet eerbiedigen;

13.  verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten van de Europese Unie.