Ontwerpresolutie - B6-0519/2007Ontwerpresolutie
B6-0519/2007

ONTWERPRESOLUTIE

7.12.2007

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Cristiana Muscardini, Brian Crowley, Roberta Angelilli, Adam Bielan, Gintaras Didžiokas en Ryszard Czarnecki
namens de UEN-Fractie
over de bestrijding van het opkomende extremisme in Europa

Procedure : 2007/2665(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B6-0519/2007
Ingediende teksten :
B6-0519/2007
Aangenomen teksten :

B6‑0519/2007

Resolutie van het Europees Parlement over bestrijding van het opkomende extremisme in Europa

Het Europees Parlement,

–  gelet op de internationale mensenrechteninstrumenten en met name het Internationale Verdrag voor de afschaffing van alle vormen van rassendiscriminatie en het Europees Verdrag inzake de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden (ECHR), die beide zijn ondertekend door alle lidstaten en een groot aantal derde landen,

–  gelet op de artikelen 6 en 7 van het Verdrag inzake de Europese Unie en artikel 13 van het EG-Verdrag,

–  gelet op het Handvest van fundamentele rechten en het statuut van het Agentschap voor grondrechten,

–  gelet op de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 november 2007 over het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van bepaalde vormen en uitdrukkingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht,[1]

–  gelet op zijn vorige resoluties inzake racisme, vreemdelingenhaat en extremisme,

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  ernstig verontrust over de rekrutering voor het islamitische fundamentalisme en de gewelddadige propagandacampagne met terreuraanslagen binnen de Europese Unie, die gebaseerd is op haat tegen de Europese waarden en op antisemitisme,

B.  overwegende dat er in Europa sprake is van een wederopleving van extremistische bewegingen en partijen, waarvan de ideologie en politieke uitingen, praktijken en gedragingen berusten op onverdraagzaamheid, racisme en antisemitisme,

C.  gelet op de gewelddadige activiteiten en terreuraanvallen van extremistische linkse bewegingen, die gebaseerd zijn op de verspreiding van haat en klassenstrijd,

D.  overwegende dat deze ideologieën onverenigbaar zijn met democratie en mensenrechten, alsmede met de beginselen en waarden waarop de Europese Unie berust,

E.  overwegende dat geen enkele lidstaat immuun is voor de intrinsieke bedreigingen voor de democratie die uitgaan van het extremisme en dat daarom de bestrijding van de verspreiding van gewelddadige politieke en godsdienstige opvattingen een belangrijke uitdaging is waarvoor Europa zich gesteld ziet,

F.  overwegende dat bepaalde media en een groot aantal internetsites de belangrijkste informatiebron vormen over bewegingen en groeperingen die oproepen tot haat, aanvallen op de democratische instellingen, terreurdaden en geweld,

1.  veroordeelt ten stelligste alle op haat gebaseerde aanvallen; dringt er bij de nationale autoriteiten op aan om alles in het werk te stellen dat in hun macht ligt om de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn te bestraffen en een einde te maken aan het klimaat van straffeloosheid ten aanzien van deze aanvallen; geeft uitdrukking aan zijn solidariteit met alle slachtoffers van zulke aanvallen en hun families;

2.  wijst erop dat extremistische bewegingen, die tot geweld oproepen, soms vanuit politiek oogpunt misbruik maken van het recht op vereniging; is van oordeel dat maatregelen tot beperking van het actievermogen van deze bewegingen moeten worden overwogen, die strikt proportioneel zijn aan het gevaar voor geweld, en wel met het duidelijke doel om gelijkheid en vrijheid voor eenieder te verzekeren;

3.  verzoekt de lidstaten om een antwoord te geven op de sociale en economische problemen, zoals werkloosheid, immigratie en veiligheid, factoren die de voedingsbodem vormen voor deze bewegingen en om in het onderwijsbeleid de nadruk te leggen op de ontwikkeling van een democratisch burgerschap, dat op de rechten en verantwoordelijkheden van de burgers stoelt;

4.  verzoekt de Commissie en de Raad om leiding te geven bij het zoeken van gepaste politieke en juridische antwoorden, vooral in het preventieve stadium, waarbij ook niet moet worden vergeten de nodige maatregelen te nemen op het gebied van de opleiding van de jongeren en de informatie van het publiek, het onderwijs over het totalitarisme en de verspreiding van de beginselen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, zulks om de herinnering levend te houden aan de gebeurtenissen zoals die in Europa werkelijk zijn voorgevallen;

5.  dringt er bij de Commissie op aan om toe te zien op de volledige toepassing van de bestaande wetgeving die het aanzetten tot politiek en religieus geweld verbieden;

6.  doet een beroep op de media om in hun boodschappen de beginselen en waarden van democratie, liberaliseren en verdraagzaamheid te bevorderen en te verspreiden;

7.  benadrukt de noodzaak een oplossing te vinden voor het probleem van het schadelijk gebruik van het internet en onderstreept dat een eventuele controle op het internet om terreuraanvallen te voorkomen onder geen voorwaarde de terroristen de mogelijkheid mag laten om het internet te gebruiken voor het oproepen tot terreurdaden;

8.  doet een beroep op de Commissie om NGO's en maatschappelijke organisaties te ondersteunen die zich de bevordering tot doel hebben gesteld van democratische waarden, solidariteit, sociale integratie, interculturele dialoog en sociaalbewust zijn, als wapens in de strijd tegen radicalisering en gewelddadig extremisme;

9.  verzoekt de Raad en de Commissie om meer steun te geven aan Europese programma's die gericht zijn op Europese integratie, opleiding in democratisch burgerschap en het aanpakken van sociale en economische euvels als onveiligheid, werkloosheid en sociale uitsluiting;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de Raad van Europa.