Ontwerpresolutie - B6-0520/2007Ontwerpresolutie
B6-0520/2007

ONTWERPRESOLUTIE

10.12.2007

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Stefano Zappalà, Geoffrey Van Orden
namens de PPE-DE-Fractie
over het tienjarig bestaan van het Verdrag van Ottawa van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens

Procedure : 2007/2676(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B6-0520/2007
Ingediende teksten :
B6-0520/2007
Aangenomen teksten :

B6‑0520/2007

Resolutie van het Europees Parlement over het tienjarig bestaan van het Verdrag van Ottawa van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over landmijnen, met name zijn resolutie van 7 juli 2005 over een wereld vrij van mijnen,

–  onder verwijzing naar het Verdrag van Ottawa van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens,

–  gelet op het in december 2004 goedgekeurde Actieplan van Nairobi,

–  onder verwijzing naar de achtse bijeenkomst van staten die partij bij het Verdrag van Ottawa zijn, die in november 2007 in Jordanië plaatsvond, de negende bijeenkomst van de verdragsluitende staten in 2008 en de eerste toetsingsconferentie in 2009,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 1724/2001 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening nr. 1725/2001 van de Raad,

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er naar de stand van november 2007 156 staten zijn die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa,

B.  overwegende dat een aantal nationale parlementen en het Europees Parlement initiatieven hebben gelanceerd om verdere maatregelen te ontwikkelen voor de controle op en het verbod van antipersoonsmijnen (APM's);

C.  overwegende dat nog slechts enkele landen APM's produceren en dat de handel in APM's nagenoeg stil is komen te liggen en dat er sinds 1999 ongeveer 41,8 miljoen APM's zijn vernietigd,

D.  overwegende dat tussen 1999 en 2004 4 miljoen AMP's zijn opgeruimd en dat er ruim 2.000 km² (een gebied zo groot als Luxemburg) van APM's ontdaan is,

E.  overwegende dat er echter naar schatting in de hele wereld meer dan 200.000 km² terrein is waar mijnen en niet-ontplofte munitie liggen (een gebied zo groot als Senegal),

F.  overwegende dat dit betekent dat er in meer dan 90 landen nog mijnen en onontplofte munitie liggen,

G.  overwegende dat het aantal gemelde slachtoffers is gedaald van 11.700 in 2002 tot 5.751 in 2006,

H.  overwegende dat het aantal niet gemelde slachtoffers van landmijnen en onontplofte munitie naar schatting nog steeds tussen de 15.000 en 20.000 per jaar bedraagt,

I.  overwegende dat er voor het eerst meer mijnen worden vernietigd en opgeruimd dan er worden gelegd,

J.  overwegende dat de inzet van antipersoonsmijnen door overheden verder is afgenomen, en dat alleen nog Myanmar/Birma en Rusland nieuwe mijnen blijven leggen, en overwegende dat niet aan een staat gelieerde gewapende groeperingen minder antipersoonsmijnen of geïmproviseerde explosieven zijn gaan gebruiken, hoewel er in ten minste acht landen nog wel gebruik van wordt gemaakt,

K.  overwegende dat naar de stand van december 2007 35 niet aan een staat gelieerde gewapende groeperingen zich hebben verbonden tot een totaal verbod op het gebruik van antipersoonsmijnen via de Toezegging ("Deed of Commitment") ingevolge de Oproep van Genève tot ondersteuning van een totaal verbod van antipersoonsmijnen en tot samenwerking bij acties tegen mijnen,

L.  overwegende dat naar schatting 78 landen nog steeds zo'n 250 miljoen APM's in voorraad hebben en dat 13 landen die geen partij bij het Verdrag van Ottawa zijn nog steeds APM's vervaardigen of zich het recht voorbehouden ze te vervaardigen,

M.  overwegende dat voorraden van APM's zo spoedig mogelijk dienen te worden vernietigd, liefst vóór het verstrijken van de termijn van vier jaar die in het Verdrag van Ottawa is vastgelegd,

N.  overwegende dat negen staten die partij bij het Verdrag van Ottawa zijn hun voorraden nog moeten vernietigen binnen vier jaar na toetreding tot het verdrag,

O.  overwegende dat de staten die partij bij het Verdrag van Ottawa zijn extra steun moeten krijgen zodat een zo groot mogelijk aantal verdragsluitende staten aangemoedigd wordt te voldoen aan hun verplichting om alle mijnen binnen 10 jaar na toetreding tot het Verdrag op te ruimen,

P.  overwegende dat de internationale gemeenschap sinds het begin van de jaren negentig meer dan 3,4 miljard dollar aan mijnprogramma's (mijnopruiming en slachtofferhulp) heeft besteed, en dat de Europese Unie hieraan bijna 335 miljoen euro heeft uitgegeven,

Q.  overwegende dat de uitgaven voor dit soort programma's niettemin wereldwijd zijn gedaald tot 250 miljoen euro in 2005, en dat het proces, ondanks een stijging tot 316 miljoen euro in 2006, veel te langzaam gaat,

R.  overwegende dat de Europese Unie zich voor langere termijn heeft verbonden tot een voortrekkersrol bij het ondernemen en financieren van actie tegen landmijnen, met het oog op een universele werking en wereldwijde toepassing van het Verdrag,

S.  overwegende dat de Commissie in 2007 een bedrag van 33 miljoen euro heeft uitgetrokken voor mijnopruimingsprogramma's in tien landen (Wit-Rusland, Bosnië-Herzegovina, Cambodja, Cyprus, Ethiopië, Guinee-Bissau, Jordanië, Libanon, Senegal en Sudan),

T.   overwegende dat het Strategiedocument 2005-2007 de voordelen noemt van een specifieke APM-begrotingslijn die de mogelijkheid biedt om te reageren op dringende en onvoorziene behoeften, om de efficiency en doeltreffendheid te verbeteren van acties tegen mijnen in het kader van humanitaire en sociaal-economische ontwikkelingsprogramma's over langere termijn in de gevallen waarin het landenstrategiedocument, het nationaal indicatief programma of overeenkomstige instrumenten juridisch niet voor APM-gerelateerde activiteiten mogen worden gebruikt of waarin sprake is van politieke gevoeligheden of belangen voor de EG, en om steun te bieden aan niet-gouvernementele organisaties,

U.  overwegende dat de APM-begrotingslijn van de Commissie niettemin eind 2006 met de komst van het stabiliteitsinstrument is opgeheven en dat de actiestrategie en -programmering van de EU tegen mijnen dit jaar aflopen, en dat de programmering nagenoeg uitsluitend zal worden gedaan door de EU-delegaties aan de hand van door de Commissie op te stellen richtsnoeren en door integratie van de actie tegen mijnen in de landelijke en regionale strategiedocumenten; overwegende dat het aan de door mijnen getroffen partners van de EU is om uit te maken welk belang zij willen toekennen aan mijnopruiming als een van de punten op hun totale prioriteitenlijst in het kader van hun verzoeken om financiële bijstand aan de Commissie,

V.  overwegende dat er ondanks de verklaringen van de Commissie dat zij vast van plan is het Verdrag van Ottawa verder te blijven steunen, terecht bezorgdheid leeft over de toekomstige bestedingen voor actie tegen mijnen door de EU,

W.  overwegende dat de slachtofferhulp en de sociaaleconomische re-integratie van slachtoffers van mijnen, als genoemd in artikel 6 van het Verdrag van Ottawa, moeten worden verbeterd; overwegende dat er in de wereld naar schatting 450.000 tot 500.000 overlevende slachtoffers zijn en dat het aantal mensen die een ongeval met een mijn of blindganger hebben overleefd en op verpleging en revalidering aangewezen zijn, nog toeneemt; overwegende dat het bij drie kwart van de geregistreerde slachtoffers om burgers gaat en bij 34% van de burgerslachtoffers om kinderen,

X.  zijn bezorgdheid uitsprekend over het feit dat er niet veel tijd meer is voor de 29 landen die aan de in het verdrag vastgelegde termijnen in 2009 en 2010 voor het opruimen van mijnen gebonden zijn, en onderstrepend dat één EU-lidstaat nog niet eens begonnen is met zijn opruimoperaties, in weerwil van de verdragsverplichting om alle opruimoperaties voor 2009 af te ronden, en dat een andere lidstaat pas in oktober met zijn operaties is gestart,

Y.  met bezorgdheid vaststellende dat de financiering voor hulp aan overlevende slachtoffers slechts 1% van het totale budget voor de actie tegen mijnen omvat en dat de voortgang die wordt gemaakt met het voorzien in de behoeften en erkennen van de rechten van overlevenden als onvoldoende moet worden aangemerkt; overwegende dat in ten minste 13 landen dringend behoefte bestaat aan nieuwe of extra voorlichtingsprogramma's over de risico's van landmijnen,

1.  doet een beroep op alle landen het Verdrag van Ottawa te ondertekenen en te ratificeren zodat dit Verdrag universele werking krijgt en het gemeenschappelijke doel van een APM-vrije wereld kan worden gerealiseerd;

2.  onderstreept in het bijzonder hoe belangrijk het is dat de VS, Rusland, China, Pakistan en India het Verdrag van Ottawa ondertekenen en ratificeren;

3.  spoort de twee EU-lidstaten die nog niet tot het Verdrag zijn toegetreden of de ratificatieprocedure nog niet hebben afgerond, aan dit voor de volgende toetsingsconferentie van het Verdrag van Ottawa in 2009 alsnog te doen;

4.  roept alle niet aan een staat gelieerde gewapende groeperingen op van hun respect voor de in het Verdrag van Ottawa neergelegde humanitaire norm blijk te geven door de vervaardiging en het gebruik van antipersoonsmijnen te staken en de Toezegging ingevolge de Oproep van Genève te ondertekenen;

5.  vraagt de Raad, de lidstaten en de kandidaatlanden onverwijld te beginnen met de voorbereiding van de conferentie voor de toetsing van het Verdrag van Ottawa in 2009 en een voorstel uit te werken voor het gemeenschappelijk optreden dat in dit verband in het vooruitzicht is gesteld;

6.  verlangt van alle verdragsluitende staten dat zij zich volledig en spoedig van al hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Ottawa kwijten;

7.  spoort de Commissie aan om zich vastberaden te blijven inspannen om de met APM's geconfronteerde gemeenschappen en personen met behulp van alle beschikbare instrumenten financieel te steunen, ook in de gebieden die onder controle of invloed staan van niet aan een staat gelieerde gewapende groeperingen, en nodigt de Commissie uit om begin 2008 voor het Parlement haar actie op dit gebied te komen toelichten;

8.  dringt er bij de Commissie op aan opnieuw een specifieke APM-begrotingslijn op te nemen voor de financiering van acties tegen mijnen, slachtofferhulp en de vernietiging van voorraden die de verdragsluitende partijen moeten uitvoeren en die niet uit de nieuwe financieringsinstrumenten kunnen worden betaald; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er na 2007 voldoende middelen beschikbaar worden gesteld;

9.  verzoekt de Commissie voldoende personeelsposten aan te houden voor de effectieve uitvoering van haar beleid inzake het verbod op antipersoonsmijnen, alsmede te verzekeren dat acties tegen mijnen uitdrukkelijk worden opgenomen in de landenstrategiedocumenten en de nationale indicatieve programma's van de verdragsluitende staten die met het mijnenprobleem geconfronteerd worden, en bij te houden hoeveel financiële middelen er in totaal via de verschillende financieringsinstrumenten voor acties tegen mijnen worden uitgetrokken;

10.  verzoekt de staten die partij bij het verdrag zijn, in het bijzonder de EU-lidstaten, ervoor te zorgen dat de middelen die zij voor het opruimen van mijnen uittrekken, bijdragen tot de ontwikkeling van de nationale mijnopruimingscapaciteit, om te waarborgen dat de opruimactiviteiten worden voortgezet totdat alle gebieden waarvan bekend is of vermoed wordt dat er mijnen liggen APM-vrij zijn;

11.  verzoekt de Raad en de Commissie steun te blijven geven aan het streven om niet aan een staat gelieerde gewapende groeperingen bij een verbod op APM's te betrekken, met dien verstande dat dit geen steun aan of erkenning van de legitimiteit van niet aan een staat gelieerde gewapende groeperingen of hun activiteiten inhoudt;

12.  dringt er bij landen waar mijnen gelegd zijn en internationale donorlanden op aan grotere prioriteit te geven aan de revalidatie en de economische re-integratie van overlevenden, daar er niet adequaat in hun behoeften wordt voorzien;

13.  verzoekt de desbetreffende commissies het CWV-overleg nauwlettend te volgen en verslag over initiatieven van lidstaten inzake APM's en over andere internationale maatregelen met betrekking tot deze wapens uit te brengen;

14.  herinnert eraan dat elke staat die partij bij het Verdrag van Ottawa is zich ertoe verbonden heeft in geen geval iemand op welke wijze dan ook te helpen, aan te moedigen of over te halen tot enigerlei activiteit die ingevolge het Verdrag voor een verdragsluitende staat verboden is;

15.  verzoekt de verdragsluitende staten de op hun grondgebied opererende of onder hun wetgeving vallende financiële instellingen niet toe te staan te investeren in ondernemingen die betrokken zijn bij de productie, opslag of overdracht van APM's;

16.  verlangt dat de EU en de lidstaten alle al dan niet rechtstreekse financiële steunverlening door op hun grondgebied opererende of onder hun wetgeving vallende particuliere en openbare financiële instellingen aan ondernemingen die bij de productie, opslag of overdracht van APM's betrokken zijn, verbieden; is van mening dat dit verbod in de Europese en de nationale wetgeving dient te worden opgenomen;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de secretaris-generaal van de OVSE, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, de Russische Federatie, de Volksrepubliek China, Pakistan en India en de voorzitter van de negende vergadering van de staten die partij bij het Verdrag zijn en van de eerste toetsingsconferentie.