Ontwerpresolutie - B6-0522/2007Ontwerpresolutie
B6-0522/2007

    ONTWERPRESOLUTIE

    10.12.2007

    naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
    gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,
    door Luisa Morgantini, Tobias Pflüger, Adamos Adamou, Kyriacos Triantaphyllides, Gabriele Zimmer en André Brie
    namens de GUE/NGL-Fractie
    over de tiende verjaardag van het Verdrag van Ottawa van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens,

    Procedure : 2007/2676(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B6-0522/2007
    Ingediende teksten :
    B6-0522/2007
    Aangenomen teksten :

    B6‑0522/2007

    Resolutie van het Europees Parlement over de tiende verjaardag van het Verdrag van Ottawa van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens,

    Het Europees Parlement,

    –  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over landmijnen, met name zijn resolutie van 7 juli 2005 over een wereld vrij van mijnen,

    –   onder verwijzing naar het Verdrag van Ottawa van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens,

    –  gelet op het in december 2004 goedgekeurde Actieplan van Nairobi,

    –  onder verwijzing naar de achtste bijeenkomst van staten die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa, die in november 2007 in Jordanië plaatsvond, de negende bijeenkomst van de verdragsluitende staten in 2008 en de eerste toetsingsconferentie in 2009,

    –  gezien de internationale campagne voor een verbod van landmijnen, die actief is in meer dan 70 landen in alle delen van de wereld,

    –   gelet op Verordening (EG) nr. 1724/2001 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening nr. 1725/2001 van de Raad,

    –  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

    A.  overwegende dat er naar de stand van november 2007 156 staten zijn die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa,

    B.  overwegende dat een aantal nationale parlementen en het Europees Parlement initiatieven hebben genomen voor verdere acties gericht op het terugdringen van het gebruik en het verbieden van landmijnen,

    C.  overwegende dat nog slechts enkele landen APM's produceren en dat de handel in APM's nagenoeg stil is komen te liggen, en dat er sinds 1999 ongeveer 41,8 miljoen APM's zijn vernietigd,

    D.  overwegende dat tussen 1999 en 2004 4 miljoen APM's zijn opgeruimd en meer dan 2.000 km² land (een gebied zo groot als Luxemburg) van APM's ontdaan is,

    E.  overwegende dat er echter naar schatting in de hele wereld meer dan 200.000 km² terrein is waar mijnen en niet-ontplofte munitie liggen (een gebied zo groot als Senegal),

    F.  overwegende dat er dus in meer dan 90 landen nog steeds gevaar bestaat voor mijnen en onontplofte munitie, waarvan er 56 problemen ondervinden met AVM's en ten minste 25 met onontplofte clusterbommen,

    G.  overwegende dat het aantal gemelde slachtoffers is gedaald van 11.700 in 2002 tot 5.751 in 2006,

    H.  overwegende dat het aantal niet gemelde slachtoffers van landmijnen en onontplofte munitie naar schatting nog steeds tussen de 15.000 en 20.000 per jaar bedraagt,

    I.  overwegende dat er voor het eerst méér mijnen worden vernietigd en opgeruimd dan er worden gelegd,

    J.  overwegende dat de inzet van antipersoonsmijnen door overheden verder is afgenomen, en dat nog slechts heel weinig landen nieuwe mijnen blijven leggen, en overwegende dat particuliere gewapende groeperingen minder antipersoonsmijnen of geïmproviseerde explosieven zijn gaan gebruiken, hoewel er in ten minste acht landen nog wel gebruik van wordt gemaakt,

    K.  overwegende dat naar de stand van december 2007 35 particuliere gewapende groeperingen zich hebben verbonden tot een totaal verbod op gebruik van antipersoonsmijnen via de Toezegging ("Deed of Commitment") ingevolge de Oproep van Genève tot ondersteuning van een totaalverbod van antipersoonsmijnen en tot samenwerking bij acties tegen mijnen,

    L.  overwegende dat naar schatting 78 landen nog steeds een voorraad van zo'n 250 miljoen APM's hebben; verder overwegende dat er bewijzen bestaan van de opslag van AVM's in meer dan 15 landen en dat 13 landen die geen partij zijn bij het Verdrag van Ottawa nog steeds APM's produceren of zich het recht voorbehouden deze te produceren,

    M.  overwegende dat voorraden van APM's zo spoedig mogelijk dienen te worden vernietigd, liefst vóór het verstrijken van de termijn van vier jaar die in het Verdrag van Ottawa is vastgelegd,

    N.  overwegende dat negen staten die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa hun voorraden nog moeten vernietigen binnen vier jaar na toetreding tot het verdrag,

    O.  overwegende dat de staten die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa extra steun moet worden gegeven zodat een maximaal aantal verdragsluitende staten aangemoedigd wordt te voldoen aan hun verplichting om alle mijnen binnen tien jaar na toetreding tot het Verdrag op te ruimen,

    P.  overwegende dat de internationale gemeenschap sinds het begin van de jaren negentig meer dan 3,4 miljard dollar aan mijnprogramma's (mijnopruiming en slachtofferhulp) heeft besteed, en dat de Europese Unie hieraan bijna 335 miljoen euro heeft uitgegeven,

    Q.  overwegende dat de uitgaven voor dit soort programma's niettemin wereldwijd zijn gedaald tot 250 miljoen euro in 2005, en dat het proces, ondanks een stijging tot 316 miljoen euro in 2006, veel te langzaam gaat,

    R.  overwegende dat de Europese Unie zich voor langere termijn heeft verbonden tot een voortrekkersrol bij het ondernemen en financieren van actie tegen landmijnen, met het oog op een universele werking en wereldwijde toepassing van het Verdrag,

    S.  overwegende dat de Commissie in 2007 een bedrag van 33 miljoen euro heeft uitgetrokken voor mijnopruimingsprogramma's in tien landen (Wit-Rusland, Bosnië-Herzegovina, Cambodja, Cyprus, Ethiopië, Guinee-Bissau, Jordanië, Libanon, Senegal en Sudan),

    T.  overwegende dat het strategiedocument 2005-2007 de voordelen noemt van een specifieke APM-begrotingslijn die de mogelijkheid biedt om "te reageren op dringende en onvoorziene behoeften", om "de efficiency en doeltreffendheid te versterken en te verbeteren van acties tegen mijnen binnen het kader van humanitaire en sociaaleconomische ontwikkelingsprogramma's over langere termijn", in de gevallen waarin de "CSP, NIP of overeenkomstige instrumenten juridisch niet voor APM-gerelateerde activiteiten mogen worden gebruikt of waarin sprake is van politieke gevoeligheden of belangen voor de EU", en om steun te bieden aan niet-gouvernementele organisaties,

    U.   overwegende dat de APL-begrotingslijn van de Commissie niettemin eind 2006 met de komst van het stabiliteitsinstrument is opgeheven en dat de actiestrategie en ‑programmering van de EU tegen mijnen dit jaar aflopen, en dat de programmering nagenoeg uitsluitend zal worden gedaan door de EU-delegaties aan de hand van door de Commissie op te stellen richtsnoeren en door integratie van de actie tegen mijnen in de nationale en regionale strategiedocumenten; verder overwegende dat het aan de door mijnen getroffen partners van de EU is om uit te maken welk belang zij willen toekennen aan ontmijningsactie als een van de punten op hun algemene lijst van bijstandsprioriteiten in het kader van hun verzoeken aan de Commissie om financiële bijstand,

    V.  overwegende dat er ondanks de verklaringen van de Commissie dat zij vast van plan is het Verdrag van Ottawa verder te blijven steunen, terechte bezorgdheid leeft over de toekomstige bestedingen voor actie tegen mijnen door de EU,

    W.  overwegende dat de slachtofferhulp en de sociaaleconomische herintegratie van slachtoffers van mijnen, als genoemd in artikel 6 van het Verdrag van Ottawa, moeten worden verbeterd, verder overwegende dat er in de wereld naar schatting 450.000-500.000 overlevende slachtoffers zijn en dat het aantal mensen die een ongeval met een mijn of blindganger hebben overleefd en op verpleging en revalidering zijn aangewezen, nog toeneemt; overwegende dat het bij driekwart van de geregistreerde slachtoffers om burgers ging en bij 34% van de burgerslachtoffers om kinderen,

    X.  nogmaals wijzend op de noodzaak van versterking van de internationale humanitaire wetgeving (IHL) ten aanzien van antivoertuigmijnen die door de Groep van regeringsdeskundigen (GGE) in het kader van het Verdrag inzake bepaalde conventionele wapens (CCW) moet worden opgesteld, in aanmerking nemende dat antivoertuigmijnen die van gevoelige ontstekers en antihanteringsmechanismen zijn voorzien, die bij elke argeloze beweging afgaan, door het Verdrag al zijn verboden omdat zij een dodelijke bedreiging vormen voor kwetsbare gemeenschappen, humanitaire werkers en mijnopruimingspersoneel,

    X.  zijn bezorgdheid uitsprekend over het feit dat er niet veel tijd meer is voor 29 landen die gebonden zijn aan in het verdrag vastgelegde termijnen in 2009 en 2010 voor het ruimen van mijnen, en onderstrepend dat één EU-lidstaat nog niet eens begonnen is met zijn opruimoperaties, in weerwil van de verdragsverplichting om alle ruimoperaties voor 2009 af te ronden, en dat een andere lidstaat pas in oktober met zijn operaties is gestart,

    Z.  met bezorgdheid vaststellende dat de financiering voor hulp aan overlevende slachtoffers slechts 1% omvat van de totale financiering van de actie tegen mijnen en dat de voortgang die wordt gemaakt met het tegemoetkomen en erkennen van de rechten van overlevenden als onvoldoende moet worden aangemerkt; overwegende dat in ten minste dertien landen dringend behoefte bestaat aan nieuwe of extra voorlichtingsprogramma's over de risico's van landmijnen,

    1.  doet een beroep op alle landen het Verdrag van Ottawa te ondertekenen en te ratificeren zodat dit Verdrag universele werking krijgt en het gemeenschappelijke doel van een mijnvrije wereld kan worden gerealiseerd;

    2.  onderstreept in het bijzonder hoe belangrijk het is dat de VS, Rusland, China, Pakistan en India het Verdrag van Ottawa ondertekenen en ratificeren;

    3.  spoort de twee EU-lidstaten die nog niet tot het Verdrag zijn toegetreden of de ratificatieprocedure nog niet hebben afgerond aan dit te doen voor de volgende toetsingsconferentie van het Verdrag van Ottawa in 2009;

    4.  spoort alle landen, en in het bijzonder de lidstaten van de EU, aan de productie van landmijnen onmiddellijk te stoppen;

    5.  roept alle gewapende particuliere actoren op van hun respect voor de in het Verdrag van Ottawa neergelegde humanitaire norm blijk te geven door de vervaardiging en het gebruik van antipersoonsmijnen te staken en de toezegging ingevolge de "Oproep van Genève" te ondertekenen;

    6.  vraagt de Raad en de lidstaten onverwijld te beginnen met de voorbereiding van de conferentie ter toetsing van het Verdrag van Ottawa in 2009 en een voorstel uit te werken voor de "gemeenschappelijke actie" die in dit verband in het vooruitzicht is gesteld;

    7.  vraagt van alle verdragsluitende staten dat zij zich volledig en spoedig van al hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Ottawa kwijten;

    8.  vraagt alle lidstaten en partijen bij het Verdrag van Ottawa met klem eraan vast te houden dat elke mijn die kan afgaan door de aanwezigheid, nabijheid of aanraking van een persoon, een door het Verdrag verboden antipersoneelsmijn is; merkt op dat dit specifiek inhoudt dat struikel- of trekdraden, hefboompjes, lagedrukontstekers, anti-hanteerbaarheidsmechanismen en dergelijke, voor de verdragsluitende staten verboden zijn;

    9.   vraagt de lidstaten onverwijld maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat antivoertuigmijnen die kunnen afgaan door de aanwezigheid, nabijheid of aanraking van een persoon, worden vernietigd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Ottawa;

    10.  dringt erop aan dat EU-troepen onder geen beding enigerlei type landmijn inzetten en dat EU-troepen in of buiten NAVO-verband niet meewerken aan operaties waar niet-EU-troepen dergelijke wapens gebruiken;

    11.  spoort de Commissie aan om zich vastberaden en consistent te blijven inspannen om de door landmijnen getroffen gemeenschappen en personen financieel te steunen met behulp van alle beschikbare instrumenten, ook in de gebieden die onder controle of invloed staan van gewapende niet in staatsverband opererende actoren, en nodigt de Commissie uit om vroeg in 2008 voor het Parlement haar actie op dit gebied te komen toelichten;

    12.  dringt er bij de Commissie op aan opnieuw een specifieke APM-begrotingslijn op te nemen voor de financiering van acties tegen mijnen, slachtofferhulp en de vernietiging van voorraden die de verdragsluitende partijen moeten uitvoeren en die niet kan worden betaald uit de nieuwe financieringsinstrumenten; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld na 2007;

    13.  verzoekt de Commissie voldoende personeelsposten aan te houden voor de effectieve uitvoering van haar beleid inzake het verbod op antipersoonsmijnen, alsmede te verzekeren dat acties tegen mijnen uitdrukkelijk worden opgenomen in de landenstrategienota's en de nationale indicatieve programma's van de verdragsluitende landen die getroffen zijn door mijnen, en bij te houden hoeveel financiële middelen er in totaal via de verschillende financieringsinstrumenten voor acties tegen mijnen worden uitgetrokken;

    14.  verzoekt de landen die partij zijn bij het verdrag, in het bijzonder de EU-lidstaten, ervoor te zorgen dat de middelen die zij uittrekken voor het ruimen van mijnen bijdragen aan de ontwikkeling van de nationale capaciteit voor het ruimen van mijnen, om te waarborgen dat de ruimactiviteiten worden voortgezet totdat alle gebieden waarvan bekend is of vermoed wordt dat er mijnen liggen zijn geruimd;

    15.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de werkzaamheden om gewapende particuliere actoren te betrekken bij een verbod op landmijnen te blijven steunen; overwegende dat dit geen steun aan, of erkenning van de legitimiteit van gewapende particuliere groeperingen of hun activiteiten impliceert;

    16.  dringt er bij landen waar mijnen zijn gelegd en internationale donorlanden op aan grotere prioriteit te geven aan de revalidatie en de economische herintegratie van overlevenden, daar er niet adequaat in hun behoeften wordt voorzien;

    17.  dringt er bij de betreffende comités op aan nauwlettend en aandachtig de CWV-vergaderingen te volgen en bij te wonen, verslag uit te brengen over initiatieven van lidstaten inzake landmijnen en over andere internationale maatregelen met betrekking tot deze wapens;

    18.  herinnert eraan dat elke verdragsluitende partij bij het Verdrag van Ottawa zich ertoe verbonden heeft onder geen enkele omstandigheid iemand te helpen, aan te moedigen of over te halen bij of tot enige activiteit die ingevolge het Verdrag voor een verdragsluitende staat is verboden;

    19.  roept de verdragsluitende staten op de op hun grondgebied opererende of onder hun wetgeving vallende financiële instellingen niet toe te staan te investeren in ondernemingen die betrokken zijn bij aanmaak, opslag of overdracht van landmijnen;

    20.  vraagt de EU en de lidstaten alle, al dan niet rechtstreekse financiële steun door op hun grondgebied opererende of onder hun wetgeving vallende particuliere en openbare financiële instellingen aan ondernemingen die betrokken zijn bij aanmaak, opslag of overdracht van APM's te verbieden; is van mening dat dit verbod in de Europese en de nationale wetgeving dient te worden opgenomen;

    21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de secretaris-generaal van de OVSE, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Action Group Landmine.de (Aktionsbündnis Landmine.de), de internationale campagne voor een verbod van landmijnen (ICBL), de "Oproep van Genève", de Paritaire Parlementaire Vergadering van de ACS-EU, de regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, de Russische Federatie, de Volksrepubliek China, Israël, Pakistan en India en de aanstaande voorzitter van de negende vergadering van de verdragsluitende partijen bij het Verdrag en van de eerste toetsingsconferentie.