Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0073/2008

Ingediende teksten :

B6-0073/2008

Debatten :

PV 19/02/2008 - 11
CRE 19/02/2008 - 11

Stemmingen :

PV 20/02/2008 - 4.3
CRE 20/02/2008 - 4.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 134kWORD 68k
13.02.2008
PE401.069
 
B6‑0073/2008
naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement
ingediend door Francis Wurtz, Ilda Figueiredo, Helmuth Markov, Gabriele Zimmer, Eva-Britt Svensson, Esko Seppänen en Roberto Musacchio
namens de GUE/NGL-Fractie
over de inbreng op de Europese Raad van voorjaar 2008 met betrekking tot de Lissabon-strategie

Resolutie van het Europees Parlement over de inbreng op de Europese Raad van voorjaar 2008 met betrekking tot de Lissabon-strategie 
B6‑0073/2008

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2005 met als titel ‘Gemeenschappelijke acties voor groei en werkgelegenheid: het communautair Lissabon-programma’ (COM(2005)0330),

–  gezien de 27 door de lidstaten ingediende nationale hervormingsprogramma's in het kader van de Lissabon-strategie,

–  gezien de uitvoering van het communautair Lissabon-programma van de Commissie in 2007,

–  gezien de economische voorspellingen van de Commissie van november 2007,

–  gezien de mededelingen van de Commissie van 11 december 2007 over het Strategisch verslag over de hernieuwde Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid: lancering van de nieuwe cyclus (2008-2010) (COM(2007)0803) en "Voorstel voor een communautair Lissabon-programma voor de periode 2008-2010" (COM(2007)0804),

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Lissabon van 23 en 24 maart 2000, de Europese Raad te Stockholm van 23 en 24 maart 2001, de Europese Raad te Barcelona van 15 en 16 maart 2002, en van de Europese Raden te Brussel van 22 en 23 maart 2005, 15 en 16 december 2005, 23 en 24 maart 2006 en 8 en 9 maart 2007,

–  onder verwijzing naar zijn resoluties van 9 maart 2005, 15 maart 2006 en 14 februari 2007 over de tussentijdse herziening van de Lissabon-strategie,

–  onder verwijzing naar de door de GUE/NGL­Fractie in februari 2007 ingediende ontwerpresolutie over de inbreng op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 2007 met betrekking tot de strategie van Lissabon,

–   gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Raad in maart 2000 en vervolgens in 2005 een aantal doeleinden heeft vastgesteld die uiterlijk in 2010 bereikt moeten zijn: een gemiddelde economische groei van 3%, volledige werkgelegenheid, terugdringen van armoede en ongelijkheid en totale uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van 3% van het BBP,

B.  overwegende dat het na 8 jaar uitvoering van de Lissabon-strategie tijd is voor een serieuze en volledige analyse van de gevolgen ervan voor het economische en sociale leven van de burgers,

De Lissabon-strategie - De werkelijke resultaten

1.   benadrukt dat bij het ingaan van het laatste deel 2008-2010 van de tijdspanne vastgesteld kan worden dat de Lissabon-strategie er niet in is geslaagd om de vastgestelde doeleinden van een gemiddelde economische groei van 3%, volledige werkgelegenheid, totale uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van 3% van het BBP en terugdringen en uiteindelijk uitroeien van de armoede te verwezenlijken;

2.  wijst erop dat de gemiddelde economische groei in de EU-15 decennium na decennium is vertraagd; merkt op dat de Commissie haar prognoses onlangs heeft bijgesteld onder verwijzing naar een nieuwe vertraging van de economische groei; wijst erop dat de gemiddelde jaarlijkse groei in de EU-27 tussen 2000 en 2006 is vertraagd tot 1,6% (1,3% in de EU-15), vergeleken met gemiddeld 2,9 respectievelijk 2,8% tussen 1996 en 2000;

3.  vindt het zorgwekkend dat de regionale ongelijkheid en de economische en sociale ongelijkheid tussen en in de lidstaten blijft bestaan en in sommige gevallen nog is toegenomen; wijst erop dat er landen en regio's zijn die steeds verder achterblijven in plaats van hun achterstand in te halen;

4.  wijst erop dat het aantal werklozen in de EU tussen 2000 en 2005 met één miljoen is toegenomen en dat in 2006 meer dan 18 miljoen mensen in de EU geen werk hadden; wijst op de langzame gemiddelde groei van de werkgelegenheid, die onvoldoende is om de voor 2010 als doel gestelde arbeidsparticipatie van 70% te bereiken; wijst er met name op dat de groei van de werkgelegenheid in de laatste tien jaar hoofdzakelijk te danken is aan de toename van los werk waarbij deeltijdarbeid verantwoordelijk is voor meer dan de helft van de totale groei;

5.  stelt met bezorgdheid vast dat de verschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt groot blijven, daar de werkloosheid onder vrouwen onaanvaardbaar veel groter is dan gemiddeld en dan de werkloosheid onder mannen; vindt het onaanvaardbaar dat het verschil in betaling tussen man en vrouw sinds 2003 niet is gedaald, want vrouwen verdienen gemiddeld nog steeds 15% minder dan mannen (25% minder in de particuliere sector en 30% in de industrie), en dat er nog steeds geen sprake is van gelijkheid tussen mannen en vrouwen ten aanzien van het carrièreverloop;

6.  benadrukt dat de jeugdwerkloosheid van op dit moment ongeveer 18% een groot probleem blijft en dat er de laatste 25 jaar geen echte doorbraak is geweest bij het terugdringen van de jeugdwerkloosheid; neemt nota van de mededeling van de Commissie over tien jaar Europese Werkgelegenheidsstrategie, waarin zij opmerkt dat "de jeugdwerkloosheid twee keer zo groot is als de werkloosheid onder volwassenen in de meest actieve leeftijdsgroep";

7.  wijst erop dat de inkomensongelijkheid sinds 2000 is toegenomen, waarbij de verhouding tussen de 20% rijksten en de 20% armsten is gestegen van 4,5 op 1 tot 4,8 op 1 in 2006, wat wijst op een aanzienlijke toename van de concentratie van de welvaart in de EU;

8.  vindt het onaanvaardbaar dat de sociale ongelijkheid en de armoede in de EU toenemen en dat 78 miljoen mensen in of op de grens van armoede leven, vooral vrouwen en kinderen; benadrukt dat de armoede onder mensen die werken verantwoordelijk is voor meer dan een derde van het totale armoederisico in de EU;

9.  onderstreept dat de investeringen in onderzoek en ontwikkeling als percentage van het BBP tussen 2000 en 2005 gelijk zijn gebleven, namelijk 1,9 % in 2005 in de EU-15 en 1,4 % in de EU-25, wat ver onder het EU-streefcijfer van 3 % van het BBP in 2010 blijft;

De Lissabon-strategie - De paradox tussen de gestelde doeleinden en een neoliberaal beleid

10.  vestigt de aandacht op het feit dat de zogenaamde 'Lissabon-doeleinden' - om van de EU 'de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken, die zorgt voor duurzame economische groei met meer en betere banen en een grotere sociale cohesie' - in tegenspraak is met het neoliberale beleid dat wordt gevoerd;

11.  betreurt het dat de Commissie in haar mededeling voor de Voorjaarsraad 2008 niet ingaat op de ingrijpende sociaal-economische gevolgen van acht jaar Lissabon-strategie;

12.  betreurt het dat de Commissie juist aandringt op een versterking van haar neoliberale programma met verdere liberalisering en onzekere arbeidsverhoudingen en pleit voor 'externalisering' van de Lissabon-agenda;

13.  merkt op dat de EU sinds 2000 geplaagd wordt door een trage groei van de economie en de werkgelegenheid, een verschuiving van de productiviteitswinst van werknemers naar aandeelhouders en een blijvend hoog niveau van werkloosheid, armoede, sociale uitsluiting, contractarbeid en inkomensongelijkheid;

14.  wijst er nogmaals op dat de door de Europese Raad van maart 2000 vastgestelde Lissabon-strategie – die duidelijk de steun genoot van de grootste Europese werkgeversorganisaties – het belangrijkste instrument in de EU was ter bevordering van liberalisering en privatisering van openbare nutsbedrijven en diensten, flexibiliteit en aanpasbaarheid van arbeidsmarkten, loonmatiging en het openstellen voor privé-belangen van de meeste socialezekerheidsvoorzieningen, waaronder pensioenen en gezondheidszorg;

15.  betreurt dat bij de zogenaamde wedergeboorte van de Lissabon-strategie in 2005 het accent nog meer komt te liggen op de neoliberale inhoud en herinnert eraan dat alle lidstaten deze inhoud hebben vertaald in concrete nationale hervormingsprogramma's, waarbij de sociale dimensie op de helling komt te staan en er geen rekening wordt gehouden met de economische, sociale en milieuproblemen waarmee de verschillende lidstaten in de EU te kampen hebben;

16.   benadrukt dat het communautair Lissabon-programma en de nationale hervormingsprogramma's in het kader van de herziene Lissabon-strategie een instrument zijn om een nationale rechtvaardiging te hebben om in alle lidstaten dezelfde structurele hervormingen door te voeren, met name op het gebied van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid, wat ernstige economische en sociale gevolgen zal hebben, die nog zullen vergroten door de geïntegreerde richtsnoeren en het Stabiliteits- en groeipact; is van oordeel dat deze hervormingen de rechten van werknemers, gepensioneerden, gebruikers van openbare diensten en consumenten in gevaar zullen brengen;

17.  benadrukt dat het aanhoudende proces van liberalisering van markten en privatisering van openbare nutsbedrijven geen zichtbare voordelen heeft opgeleverd in termen van prijzen, kwaliteit van de dienstverlening of daling van de overheidsuitgaven; wijst er integendeel op dat organisaties van consumenten en gebruikers van openbare diensten prijsverhogingen, een daling van de kwaliteit van de dienstverlening en duurdere voorzieningen hebben gemeld; wijst er verder op dat de liberalisering heeft bijgedragen tot het verdwijnen van banen in de getroffen sectoren en tot de oprichting van privé-monopolies die de rechten van werknemers, gebruikers van openbare diensten en consumenten op de helling zetten;

18.  spreekt zich dan ook uit tegen de liberalisering van het openbaar vervoer en de energie- en communicatiesystemen, met name de recente overeenkomst over liberalisering van het internationale personenvervoer per spoor en de postdiensten;

19.  benadrukt dat openbare diensten belangrijk zijn voor de bevordering van de sociale, economische en territoriale cohesie van de EU; benadrukt dat openbare structurele sectoren niet opengesteld moeten worden voor concurrentie, maar in het bezit moeten zijn van de overheid omdat dit de enige manier is om de kwaliteit, beschikbaarheid en betaalbaarheid van de dienstverlening te verzekeren en zo de rechten van de gebruikers te waarborgen;

20.  benadrukt dat de Europese Werkgelegenheidsstrategie de middelen heeft verschaft voor de deregulering van de arbeidsmarkten, de overgang van vast naar los werk en de verzwakking van de rechten van de werknemers en collectieve onderhandelingen, en wel door de inzetbaarheid en aanpasbaarheid van de werknemers te bevorderen;

21.  is van mening dat de recente arresten van het Europese Hof van Justitie in de zaken-Vaxholm-Laval en Viking Line laten zien waar de oriëntatie van de bestaande Verdragen en het nieuwe Verdrag van Lissabon toe leidt; betreurt het ten zeerste dat het Europese Hof de mededingingsregels in de EU boven alles heeft gesteld, sociale dumping legitimeert en de rechten van de werknemers ondergraaft;

22.  verzet zich fel tegen het nieuwe begrip ‘flexicurity’ en de poging dit begrip centraal te stellen in de nieuwe driejarige cyclus van de Europese Werkgelegenheidsstrategie en de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid;

23.  is van oordeel dat dit begrip liberalisering van de ontslagregeling bevordert, de aanpassing van de arbeid (en de lonen) aan de conjunctuurcyclus waarbij de openbare arbeidsbureaus van de lidstaten de kosten van omscholing en herplaatsing voor hun rekening nemen, de deregulering van de arbeidscontracten, wat alles ten koste gaat van de sociale cohesie en de kwaliteit van het werk; waarschuwt dat achter deze strategie ook het doel steekt om de werkloosheidsstelsels aan te passen ten einde de uitkeringen en de duur ervan terug te brengen;

24.  vestigt de aandacht op het nog steeds hoge percentage voortijdige schoolverlaters, met name in bepaalde lidstaten;

25.  meent dat om van de EU 'de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken' gebroken moet worden met het bestaande beleid op het gebied van onderwijs en opleiding, dat de investeringen in onderzoek en ontwikkeling en in het onderwijs onderwerpt aan de grillen van de vrije markt en er zo aan meewerkt dat kennis, onderwijs en onderzoek tot een waar worden (het Bologna-proces);

26.  is van oordeel dat het monetair en fiscaal beleid in de EU restrictief is geweest, waarbij de aandacht te veel uitgaat naar prijsstabiliteit en begrotingsconsolidatie overeenkomstig het Stabiliteits- en groeipact; benadrukt dat het proces van nominale convergentie naar de euro en wat erop is gevolgd een negatieve invloed heeft gehad op de economische en werkgelegenheidsgroei, de sociale en economische cohesie, de reële convergentie tussen de lidstaten van de EU en de overheidsinvesteringen, waardoor het huidige magere economische herstel en de strijd tegen de werkloosheid op de helling worden gezet;

27.  vestigt de aandacht op de recente instorting van de financiële markten, die niet alleen de VS maar steeds meer ook de EU en andere economieën diep treft; wijst op de toegenomen risico's van een financiële crisis als gevolg van de deregulering van de kapitaalmarkten en de toegenomen volatiliteit daarvan overal ter wereld, waarbij steeds meer sprake is van 'casino-economieën' die een permanent gevaar vormen voor de reële economie; verwerpt de deregulering die wordt bepleit in het actieplan financiële diensten dat is opgenomen in de Lissabon-strategie;

28.  vestigt de aandacht op de gevolgen van de monetaire richtsnoeren van de Europese Centrale Bank waarin prioriteit wordt gegeven aan de prijsstabiliteit, terwijl het Federal Reserve System van de Verenigde Staten de rente juist verlaagt en zelfs het Internationaal Monetair Fonds spreekt van een gevaarlijke situatie;

29.  vestigt de aandacht op de EU-agenda voor het externe optreden die wordt gekenmerkt door een steeds agressiever externehandels- en investeringsbeleid en ombuiging van de betrekkingen met minder ontwikkelde landen in neoliberale zin;

30.  is er sterk tegen dat de EU zogenaamde economische partnerschapsovereenkomsten met derde landen erdoor drukt waarin de liberalisering van hun openbare diensten en nutsbedrijven wordt opgelegd en wordt gegarandeerd dat hun markten worden opengesteld voor Europese bedrijven om zo de Doha-onderhandelingen uit het slop te halen;

31.  betreurt het dat de EU een begroting voor 2008 heeft aangenomen die is gebaseerd op de prioriteiten van de niet-geratificeerde 'Europese Grondwet' die nu figureren in het ontwerp voor een 'Verdrag van Lissabon', namelijk mededinging/concurrentievermogen, veiligheid en militarisering, in plaats van de sociale, economische en ecologische uitdagingen waar de EU voor staat en haar cohesiebehoeften aan te pakken;

Tijd voor verandering - Een nieuwe 'Strategie voor solidariteit en duurzame ontwikkeling'

32.  roept de Raad op te ijveren voor echte verandering en de nadruk te leggen op verzekering van de welvaart en de levensstandaard van de burgers, de bestrijding van armoede, vergroting van de sociale en economische samenhang en een duurzaam gebruik van de hulpbronnen;

33.  benadrukt dat er een nieuwe strategie nodig is om een nieuw beleid voor Europa uit te zetten, dat leidt naar volledige werkgelegenheid, fatsoenlijke banen met rechten, betere lonen, sociale en economische cohesie en sociale bescherming voor iedereen en dat de hoogste levensstandaard waarborgt; een beleid dat aandacht heeft voor de ontwikkelingsbehoeften van alle lidstaten, met name de minst ontwikkelde, echte convergentie bevordert en helpt om de ontwikkelingskloof tussen de lidstaten en de bestaande economische, sociale en regionale ongelijkheid te verminderen;

34.  dringt er bijgevolg op aan dat de Lissabon-strategie wordt vervangen door een 'Europese strategie voor solidariteit en duurzame ontwikkeling' die op de bovenstaande beginselen is gebaseerd en een aantal nieuwe economische, sociale en milieumaatregelen bevat die investeringen aanmoedigen in:

   i)de kwaliteit van het werk in al zijn aspecten (lonen, stabiliteit, arbeidsvoorwaarden en opleiding) en het verbeteren van kwalificaties ten einde een hoogopgeleide en capabele beroepsbevolking te kweken,
   ii)een bedrijfsvriendelijke basisinfrastructuur,
   iii)openbare diensten, ten einde de kwaliteit daarvan te verbeteren,
   iv)een sterk cohesiebeleid, ten einde de sociale en economische cohesie te bevorderen,
   v)milieubescherming en ecotechnologieën,
   vi)het verbeteren van de arbeids-, sociale, milieu- en veiligheidsnormen, ten einde te komen tot een harmonisatie waarmee aan de hoogste normen wordt voldaan,
   vii)de sociale economie,

   viii)   sociale zekerheid, ten einde armoede uit te roeien en sociale uitsluiting te bestrijden,

   ix)(overheids)onderzoek en innovatie, opdat iedereen er baat bij heeft,
   x)de bevordering van cultuur, sport en burgerparticipatie,
   xi)een geleidelijke 'dematerialisatie' van de economie;

35.  dringt aan op intrekking van het Stabiliteits- en groeipact en gelijktijdige invoering van een werkgelegenheids- en groeipact dat overheidsinvesteringen bevordert, de efficiëntie verbetert en specifieke economische, sociale en milieucriteria vaststelt die aansluiten bij de specifieke behoeften van elke lidstaat en met name ten doel hebben de werkloosheid te verminderen;

36.  onderstreept de noodzaak steun te verlenen aan de ontwikkeling van achtergebleven regio's, gebieden met permanente structurele handicaps, de ultraperifere regio's en gebieden die recentelijk zijn getroffen door bedrijfssluitingen of industriële omschakeling ten einde de economische en sociale cohesie en de sociale insluiting van vrouwen in deze gebieden en regio's te versterken;

37.   benadrukt het belang van de rol van de overheid bij het bevorderen van economische ontwikkeling, ondersteunen van productieve investeringen, scheppen van banen met rechten, stimuleren van de export en ondersteunen van microbedrijven en KMO's, de coöperatieve sector en de gezinnen;

38.  dringt aan op een belangrijkere rol voor de overheid op het gebied van regulering, participatie en marktinterventie en op een beter regelgevingskader, met name van de financiële markten;

39.  wenst dat in de EU een heffing op kapitaalbewegingen wordt ingevoerd om te reageren op de toenemende volatiliteit en instabiliteit van de financiële markten, het gevaar dat de reële economie loopt door speculatie en de noodzaak nieuwe bronnen van belastinginkomsten te verkrijgen om het evenwicht in de belastingheffing en tussen arbeid en kapitaal te herstellen;

40.  stelt vast dat er een probleem bestaat door de ontduiking en afkalving van belastingen met als gevolg verlies van inkomsten en begrotingsmiddelen op nationaal niveau; verzoekt de lidstaten zich met verve in te zetten voor afschaffing van belastingparadijzen en offshoreactiviteiten in de EU uiterlijk in 2010 en verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten zich eveneens te beijveren voor de afschaffing van belastingparadijzen en offshoreactiviteiten in de hele wereld;

41.  vestigt de aandacht op de toenemende externe afhankelijkheid van de EU, wat een rechtstreeks gevolg is van het voortdurende beleid van de-industrialisatie en verplaatsing van productieactiviteiten naar derde landen;

42.  pleit voor een nieuw beleid van investeringen in de industrie met gebruikmaking van de natuurlijke hulpbronnen en productiecapaciteit van elke lidstaat;

43.  herhaalt zijn verzoek om op EU-niveau een regelgevingskader te creëren om de verplaatsing van bedrijven naar bestemmingen binnen en buiten de EU te bestraffen; is van mening dat overheidssteun op nationaal en EU-niveau voor bedrijven moet worden gekoppeld aan een langetermijnengagement van deze bedrijven op het gebied van regionale ontwikkeling en banen en dat geen steun mag worden verleend die kan worden gebruikt om de verplaatsing van bedrijfsactiviteiten te bevorderen;

44.  neemt nota van de intentie om de richtlijn betreffende Europese ondernemingsraden (94/45/EG) te herzien; verzoekt de Commissie en de Raad om terdege rekening te houden met de resolutie van het Parlement van 17 januari 2007, waarin wordt gewezen op de noodzaak om de rechten van werknemers bij de herstructurering van industriële bedrijven te beschermen, te zorgen voor een volledige toegang tot informatie en de mogelijkheid om hierbij beslissend in te grijpen, onder meer door gebruik te maken van het stemrecht, alsook de noodzaak om criteria vast te stellen voor de compensatie die aan de werknemers verschuldigd is als een onderneming haar contractuele verplichtingen niet nakomt;

45.  wijst er nadrukkelijk op dat de herziening van de Europese Werkgelegenheidsstrategie en de geïntegreerde richtsnoeren voor de nieuwe cyclus 2008 – 2010 niet gebaseerd moet zijn op het flexicurity-concept van de Commissie, maar juist arbeid met rechten moet bevorderen; roept de lidstaten, de Commissie en de Raad op om doeltreffende maatregelen te nemen om te zorgen voor de naleving van sociale standaarden en voor fatsoenlijke arbeid, die de werknemers en in het bijzonder vrouwen een behoorlijk inkomen, het recht op veiligheid en gezondheid op het werk, sociale bescherming en vrijheid van vakvereniging verzekert en zorgt voor afschaffing van alle vormen van discriminatie tussen mannen en vrouwen op het werk, en verzoekt hen tegelijk het ambitieuze doel na te streven om het aantal werkende armen in Europa te verminderen;

46.  onderstreept dat beleidsmaatregelen nodig zijn om gelijkheid van vrouwen en mannen te bewerkstelligen (bijv. gelijke betaling, ouderschapsverlof, toegang tot arbeid met rechten) en betere voorwaarden te scheppen om het werk en het privéleven met elkaar te verzoenen, zodat de economische onafhankelijkheid van vrouwen verzekerd is; wijst op de noodzaak van meer onderwijs- en sociale voorzieningen voor zowel jongeren als ouderen, zoals meer (en betere) leervoorzieningen, (betaalbare) kinderopvang, verpleging en verzorging van ouderen; herinnert de lidstaten aan hun toezegging tijdens de top van Barcelona in 2002;

47.  roept de EU op om krachtig te ijveren voor vermindering van de arbeidstijd zonder loonkorting, het scheppen van nieuwe banen en productiviteitsverhoging; roept de Commissie dan ook op om haar voorstel voor een herziening van de werktijdenrichtlijn in te trekken; verzoekt de lidstaten de inspanningen te coördineren om tot een geleidelijke verkorting van de arbeidstijd te komen in 2010 en wijst op het doel om op korte termijn een 35-urige werkweek in te voeren; is van mening dat een vermindering van de arbeidstijd zonder verlaging van de lonen moet worden gezien als een doel op zich dat het maatschappelijk welzijn dient;

48.  onderstreept het belang van een verhoging van het onderwijspeil en het opleidingsniveau van de hele bevolking; herinnert eraan dat hoogwaardig openbaar onderwijs van fundamenteel belang is voor ontwikkeling en is van mening dat de stelsels voor onderwijs en opleiding in meerdere levensfasen verbeterd moeten worden door hierin meer te investeren en allen toegang tot hoger onderwijs te geven;

49.  verzoekt de lidstaten zich in de eerste plaats op het probleem van vroegtijdige schoolverlaters in het basisonderwijs en middelbaar onderwijs te concentreren; is van mening dat het aantal vroegtijdige schoolverlaters in de EU onaanvaardbaar hoog is; verzoekt de Europese Raad op haar Voorjaarsbijeenkomst zijn eerdere toezeggingen om dit percentage voor 2010 met de helft terug te dringen, te verbeteren

50.  onderstreept het belang van de openbare middelen voor fundamenteel en toegepast onderzoek ter bevordering van innovatie en O&O om het globale beleid van duurzame ontwikkeling te kunnen verwezenlijken en bij te dragen tot het scheppen van welvaart en werkgelegenheid; verzoekt de lidstaten om hun inspanningen op het gebied van het beleid ter bevordering van innovatie en O&O door KMO's te verdubbelen;

51.  benadrukt dat ecologische en sociale duurzaamheid centraal moet staan in de openbare investeringsprogramma's van de EU en de lidstaten; is van oordeel dat meer nadruk gelegd moet worden op maatregelen ter verbetering van een efficiënt energiegebruik, gebruikmaking van hernieuwbare energiebronnen en bevordering van technologieën voor warmtekrachtkoppeling; pleit voor een communautair steunprogramma van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie in de lidstaten en dus vermindering van het energieverbruik;

52.  betreurt het dat het antwoord van de EU op klimaatverandering en energietekorten grotendeels beperkt blijft tot de vraag of de lidstaten hun energiemarkten wel 'op passende wijze' hebben opengesteld;

53.  pleit voor een beleid van investeringen in efficiënte openbare vervoersnetten door het gebruik daarvan te stimuleren en te streven naar meer energiebesparing en een betere kwaliteit van het milieu;

54.  onderstreept dat efficiënte vervoersmaatregelen overeenkomstig het duurzaamheidsprincipe en bevordering van investeringen in milieuvriendelijker vervoerswijzen dringend nodig zijn;

55.  meent dat de buitenlandse betrekkingen gegrondvest moeten zijn op het beginsel van 'niet-inmenging' ter bevordering van verdere maatregelen die de samenwerking en ontwikkeling met alle landen ondersteunen;

56.  benadrukt dat de EU haar agressieve neoliberale globale handelsstrategie volledig moet herzien en in plaats daarvan moet overgaan op een solidaire handelsagenda die oog heeft voor het eigen karakter, de complementaire behoeften en de soevereiniteit op het gebied van de productie van elk land; onderstreept dat de tegenstrijdigheden in de doelstellingen van haar externe handels- en ontwikkelingsbeleid ondervangen moeten worden door expliciet rekening te houden met de ecologische, sociale en in het bijzonder gendergevolgen van maatregelen van het handelsbeleid voor de ontwikkelingslanden;

57.  is van mening dat de huidige beoordeling van de kosteneffectiviteit of het 'concurrentievermogen', zoals wordt voorgesteld in het kader van het initiatief inzake betere wetgeving, is afgestemd op bedrijfsbelangen en als belangrijkste doel heeft de intrekking van wetgeving die de mededinging of de rentabiliteit van een bedrijf in gevaar brengt en deregulering bevordert; is van mening dat effectbeoordelingen de initiële doelstellingen van de voorgestelde of aangenomen wetgeving niet ter discussie mogen stellen, in het bijzonder op het gebied van de arbeidsbescherming en sociale, ecologische en consumentenrechten;

58.  roept de Commissie op om de herziening van de begroting in 2008/2009 die is voorzien in het Interinstitutionele Akkoord aan te grijpen om de bedragen voor het cohesiebeleid aanzienlijk op te trekken ten einde de regionale ongelijkheid te verminderen, de economische en sociale samenhang en echte convergentie te bevorderen en het herverdelingsaspect van de communautaire begroting te versterken;

*

*  *

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Juridische mededeling - Privacybeleid