Procedure : 2008/2607(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0343/2008

Ingediende teksten :

B6-0343/2008

Debatten :

PV 04/09/2008 - 3

Stemmingen :

PV 04/09/2008 - 7.3

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0404

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 110kWORD 53k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B6-0343/2008
2.7.2008
PE410.718
 
B6‑0343/2008
naar aanleiding van vragen voor mondeling antwoord B6‑0166/2008 en B6‑0167/2008
ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 5, van het Reglement
door Francis Wurtz, Luisa Morgantini, Kyriacos Triantaphyllides, Umberto Guidoni, Miguel Portas, Bairbre de Brún
namens de GUE/NGL-Fractie
over de situatie van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen 
B6‑0343/2008

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over het Midden-Oosten,

–  gelet op de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, met name artikel 2 hiervan betreffende de mensenrechten,

–  gezien het advies van het Internationaal Gerechtshof inzake de gevolgen van de bouw van de muur op de westelijke Jordaanoever,

–  gezien de resultaten van de 8e vergadering van de associatieraad EU-Israël op 16 juni 2008 in Luxemburg,

–  gezien het verslag van de ad-hocdelegatie die Israël en de Palestijnse gebieden heeft bezocht van 30 mei tot 2 juni 2008,

–  gezien de relevante VN-resoluties over het conflict in het Midden-Oosten,

–  gezien het vierde Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949, met name de artikelen 1 t/m 12, 27, 29 t/m 34, 47, 49, 51, 52, 53, 59, 61 t/m 77 en 143 hiervan,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (United Nations Convention on the Rights of the Child, UNCRC) van 20 november 1989, met name de artikelen 9 en 37 hiervan,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN van 1966,

–  gezien het jaarverslag 2007 van het Internationaal Comité van het Rode Kruis, met name het onderdeel betreffende de bezette Palestijnse gebieden,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, goedgekeurd met resolutie 39/46 van de Algemene Vergadering van 10 december 1984,

–  gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat sinds 1967 meer dan 700.000 Palestijnen door de Israëlische autoriteiten gevangen zijn genomen; overwegende dat momenteel ongeveer 10.000 Palestijnen, inclusief 118 vrouwen, in Israëlische opsluitings- en ondervragingscentra of in Israëlische gevangenissen worden vastgehouden, op een bevolking van 3,5 miljoen Palestijnen die in de bezette Palestijnse gebieden wonen,

B.  overwegende dat sinds het begin van de intifada in september 2000 meer dan 6000 Palestijnse kinderen door Israël zijn gearresteerd en opgesloten; overwegende dat 376 kinderen momenteel in Israëlische opsluitings- en ondervragingscentra of in Israëlische gevangenissen worden vastgehouden,

C.  overwegende dat een kind in het UNCRC, dat door Israël is ondertekend, en in de Israëlische wet wordt gedefinieerd als elk menselijk wezen jonger dan 18 jaar; overwegende dat op grond van de Israëlische militaire regels voor de bezette Palestijnse gebieden Palestijnen vanaf 16 jaar evenwel als volwassenen worden beschouwd,

D.  overwegende dat jeugdige gevangenen onder onmenselijke omstandigheden worden vastgehouden, verplicht worden in vuile, overvolle cellen te verblijven, vaak in cellen voor eenzame opsluiting van 1,5 bij 1,5m worden geplaatst die vochtig zijn en waar geen natuurlijk licht binnenkomt, dikwijls onder dwang worden opgesloten bij volwassen gevangenen en hierdoor het risico lopen het slachtoffer te worden van intimidatie en mishandeling,

E.  overwegende dat de overgrote meerderheid van de Palestijnse gevangenen uit de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook worden vastgehouden in gevangenissen binnen Israël; overwegende dat het humanitair recht voorziet in een verbod op het overbrengen van burgers, met inbegrip van arrestanten en gevangenen, van een bezet gebied naar het grondgebied van de bezettende staat,

F.  overwegende dat de niet-inachtneming van deze regel door Israël en de routinematige weigering toegangsbewijzen tot Israël af te leveren de belangrijkste redenen zijn waarom de gevangenen van de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook niet hun recht kunnen uitoefenen op redelijke wijze familiebezoek te ontvangen, overwegende dat ongeveer 1240 Palestijnse gevangenen, inclusief 840 die worden vastgehouden in volledige afzondering, beroofd zijn van alle familiebezoek, hetgeen schending inhoudt van artikel 116 van het vierde Verdrag van Genève,

G.  overwegende dat Israël momenteel ongeveer 730 Palestijnse gevangenen, inclusief 13 kinderen, vasthoudt in "administratieve detentie" zonder hen in staat van beschuldiging te stellen of te berechten, op grond van een administratief besluit in plaats van een rechterlijk bevel; overwegende dat Israël zich niets gelegen laat aan de restricties die het recht kent wat de toepassing van "administratieve detentie" betreft; overwegende dat de gevangenen beroep tegen de detentie kunnen aantekenen, maar dat noch zij, noch hun advocaten toegang tot het bewijsmateriaal tegen hen hebben; overwegende dat Israël nooit duidelijk heeft gedefinieerd wat "staatsveiligheid" precies is,

H.  overwegende dat de arrestatie van 48 parlementsleden, bijna een derde van de verkozen leden van de Palestijnse Wetgevende Raad, het Palestijnse democratische bedrijf sterk heeft verzwakt; overwegende dat Israël ook verkozen gemeenteraadsleden heeft gearresteerd en opgesloten,

I.  overwegende dat de politieke gevangenen een punt van doorslaggevend belang op de politieke agenda zijn, met zwaarwegende politieke, maatschappelijke en humanitaire implicaties; overwegende dat de Palestijnse politieke gevangenen en ex-gevangenen een prominente rol in de Palestijnse maatschappij spelen,

J.  overwegende dat het gevangenendocument, dat in mei 2006 door gevangen politieke leiders van verschillende groeperingen is aangenomen, als basis heeft gediend voor het document van nationale verzoening en de weg heeft bereid voor de vorming van een regering van nationale eenheid,

K.  overwegende dat de Palestijnse gevangenen, inclusief de kinderen, worden onderworpen aan een vernederende en onterende behandeling; overwegende dat de Israëlische autoriteiten een beroep blijven doen op fysieke ondervragingsmethoden en op fysieke en psychologische bedreiging die soms neerkomt op foltering, om gevangenen te intimideren en bekentenissen af te dwingen; overwegende dat het internationaal recht voorziet in een absoluut verbod op foltering,

L.  overwegende dat in 2007 in twee door Israëlische NGO's gepubliceerde rapporten is bekendgemaakt dat Palestijnse gevangenen worden onderworpen aan fysieke mishandeling en worden beroofd van basisbenodigdheden als voedsel en slaap gedurende meer dan 24 uur; overwegende dat deze feiten zijn bevestigd in het op 22 juni 2008 gepubliceerde rapport van het Openbaar Comité tegen foltering in Israël (Public Committee Against Torture in Israel, PCATI) met als titel "Geen verweer: geweld van soldaten tegen Palestijnse gevangenen" ("No Defence: Soldier Violence against Palestinian Detainees"); overwegende dat, hoewel het verschijnsel van geweld tegen Palestijnse gevangenen door soldaten wel bekend is, maar een klein aantal onderzoeken en gerechtelijke procedures in verband met gevallen van mishandeling door soldaten is gevoerd; overwegende dat het geweld en de intimidatie in kwestie soms bedoeld zijn om druk op Palestijnse gevangenen uit te oefenen om te collaboreren of informant voor Israël te worden,

M.  overwegende dat aan vele van de 1180 Palestijnse gevangenen waarvoor het Comité van het Rode Kruis de diagnose heeft gesteld dat ze ziek of gewond zijn, waaronder er 160 ernstig ziek zijn, passende medische zorg wordt onthouden, hetgeen schending inhoudt van artikel 91 van het zesde Verdrag van Genève,

N.  overwegende dat eerbiediging van de mensenrechten en het humanitair recht in het actieplan EU-Israël (2004) expliciet wordt genoemd als een van de waarden die de EU en Israël delen; overwegende dat de betrekkingen tussen de Europese Gemeenschappen en Israël krachtens artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël (2000) stoelen op eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen en dat deze eerbiediging als richtsnoer zowel voor het binnenlands als voor het internationaal beleid moet dienen en een essentieel onderdeel van de voornoemde overeenkomst vormt;

1.  dringt erop aan dat Israël artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël toepast en roept Israël als bezetter op het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal humanitair recht na te leven, met specifieke aandacht voor de bepalingen betreffende de bescherming van burgers die onder bezetting leven; verzoekt de Raad de nodige stappen te ondernemen om druk op Israël uit te oefenen om de internationale rechtsnormen in de bezette Palestijnse gebieden te handhaven;

2.  vindt het van het allergrootste belang dat de verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Israël gekoppeld is aan de naleving door Israël van zijn verplichtingen krachtens het internationaal recht, in het bijzonder de wetgeving betreffende de mensenrechten en het humanitair recht;

3.  is verheugd over het besluit dat is genomen op de 8ste associatieraad EU-Israël om ter vervanging van de bestaande werkgroep Mensenrechten een volwaardige subcommissie Mensenrechten in het leven te roepen; dringt aan op uitgebreide raadpleging en volledige participatie van mensenrechtenorganisaties en organisaties van de civiele maatschappij in Israël en de bezette Palestijnse gebieden bij het toezicht op de voortgang die Israël boekt bij het naleven van zijn verplichtingen krachtens het internationaal recht;

4.  verzoekt Israël het militair rechtssysteem dat op Palestijnse kinderen wordt toegepast, in overeenstemming te brengen met de internationale normen inzake jeugdrechtspraak, met name met het oog op:

   a.de beëindiging van de willekeurige en onwettige detentie van personen jonger dan 18 jaar;
   b.de beëindiging van de gevangenhouding van personen jonger dan 18 jaar in administratieve detentie;
   c.de onmiddellijke herziening, overeenkomstig het UNCRC en de Israëlische wet, van de bepalingen betreffende de bezette Palestijnse gebieden met betrekking tot de leeftijd waarop een persoon volwassen is;
   d.de waarborging van veilige en menselijke verblijfsomstandigheden voor vastgehouden of gevangen jongeren, overeenkomstig het UNCRC en andere in het kader van de VN gestandaardiseerde regels betreffende de rechtsbedeling en detentievoorwaarden voor jongeren;

5.  roept de Raad, de lidstaten en de Commissie op zich in hun betrekkingen met Israël aan de EU-richtsnoeren inzake kinderen in gewapende conflicten te houden en de bescherming van door Israël gevangen gehouden Palestijnse kinderen op alle niveaus van de betrekkingen een essentieel onderdeel van de dialoog te maken;

6.  herinnert Israël eraan dat de praktijk Palestijnse gevangenen van de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook vast te houden in gevangenissen binnen Israël in strijd is met zijn verplichtingen krachtens het internationaal recht; dringt erop aan dat het recht van de gevangenen op familiebezoek onmiddellijk wordt geëerbiedigd en verzoekt de Israëlische autoriteiten als eerste stap de nodige omstandigheden voor de uitoefening van dit recht te creëren;

7.  herhaalt zijn standpunt dat de rechten van het individu en volledige eerbiediging van de mensenrechten bijdragen tot veiligheid; acht het nodig dat de mensenrechten in het kader van het spanningsveld tussen de behoefte aan veiligheid en de rechten van individuen altijd volledig worden geëerbiedigd; roept de Israëlische regering en de Knesset in dit verband op een einde te maken aan elke vorm van foltering en de wet op illegale strijders ("Unlawful Combatants Law") – die administratieve detentie mogelijk maakt – opnieuw onder de loep te leggen en in overeenstemming met het humanitair recht en de normen inzake mensenrechten te brengen;

8.  verzoekt Israël het militair rechtssysteem dat op Palestijnse gevangenen wordt toegepast, te hervormen, met name met betrekking tot:

   a.het recht op vlotte toegang tot juridische hulp, vóór en tijdens de ondervraging;
   b.de verwerping van elk bewijs dat is verkregen via dwang;
   c.het recht te worden vastgehouden binnen de bezette Palestijnse gebieden;

9.  herhaalt zijn veroordeling van alle vormen van foltering en slechte behandeling; roept Israël op er onmiddellijk ervoor te zorgen dat het handelt in overeenstemming met het VN-Verdrag tegen foltering, een verdrag waarbij het land partij is en

   a.onmiddellijk een einde te maken aan alle vormen van mishandeling en folter tijdens arrestatie, ondervraging en hechtenis, wetgeving in dit verband goed te keuren en een grondig en onpartijdig onderzoek in te stellen naar beschuldigingen inzake folter en mishandeling van Palestijnse gevangenen en ervoor te zorgen dat de personen die voor deze mishandeling verantwoordelijk zijn, voor de rechter worden gebracht;
   b.ervoor te zorgen dat de minimumnormen inzake detentie worden gerespecteerd ten aanzien van voedsel, grootte en locatie van gevangenissen, bescherming tegen weersomstandigheden en bezoek van familie;
   c.alle Palestijnse gevangenen toegang te garanderen tot medische verzorging van adequaat niveau.

10.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de situatie van vrouwelijke Palestijnse gevangenen, die routinematig het slachtoffer zijn van mishandeling, seksuele intimidatie en andere soorten van straffen; roept de Israëlische autoriteiten op de bescherming van kwetsbare gevangenen, in het bijzonder moeders en jonge vrouwen, aanzienlijk te verbeteren;

11.  verzoekt eens te meer om onmiddellijke vrijlating van alle leden van de Palestijnse Wetgevende Raad;

12.  neemt nota van de morele en politieke rol die sommige Palestijnse politieke gevangenen binnen de Palestijnse samenleving spelen en van hun vermogen om zowel intern, als in het conflict met Israël een matigende invloed uit te oefenen; herhaalt dat hun vrijlating belangrijk is om vertrouwen op te bouwen en vraagt daarom de invrijheidstelling van een aanzienlijk aantal Palestijnse politieke gevangenen, met name Marwan Barghoutti; onderstreept dat iedere oplossing van het conflict de invrijheidstelling van alle Palestijnse politieke gevangenen moet omvatten;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Israëlische regering, de Knesset, de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de gezant van het Kwartet voor het Midden-Oosten, de voorzitter van de Euro-Mediterrane Parlementaire Vergadering, de voorzitter van de Palestijnse Autoriteit, de Palestijnse Wetgevende Raad, de Hoge Commissaris voor mensenrechten van de VN en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor kinderen in gewapende conflicten van de VN.

Juridische mededeling - Privacybeleid