Ontwerpresolutie - B6-0108/2009Ontwerpresolutie
B6-0108/2009

ONTWERPRESOLUTIE

4.3.2009

naar aanleiding van de verklaringen van de Europese Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Francis Wurtz, Ilda Figueiredo, Helmuth Markov, Kyriacos Triantaphyllides
namens de GUE/NGL-Fractie
over de inbreng op de Europese Raad van voorjaar 2009 met betrekking tot de Lissabon-strategie

Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B6-0108/2009
Ingediende teksten :
B6-0108/2009
Aangenomen teksten :

B6‑0108/2009

Resolutie van het Europees Parlement over de inbreng op de Europese Raad van voorjaar 2009 met betrekking tot de Lissabon-strategie

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2005 getiteld “Gemeenschappelijke acties voor groei en werkgelegenheid:het communautair Lissabonprogramma” (COM(2005)0330),

–  gezien de uitvoering van het communautair Lissabonprogramma van de Commissie 2008-2010 (COM(2008)0881),

–  gezien de mededeling van de Commissie met betrekking tot de externe dimensie van de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid (COM(2008)0874),

–  gezien de mededeling van de Commissie over de uitvoering van de strategische hervormingen van de Lissabonstrategie in het kader van het Europees economisch herstelplan (COM(2009)0034),

–  gezien de 27 door de lidstaten ingediende nationale hervormingsprogramma's in het kader van de Lissabon-strategie,

–  gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

De consequenties van het neoliberalisme: een verslechtering van de sociale en economische omstandigheden

1.   onderstreept dat de EU te lijden heeft gehad onder een toeneming van de armoede, onzeker werk en ongelijkheden, een situatie die nog kan verslechteren omdat uit de laatste prognoses een trend blijkt naar recessie en een toeneming van het aantal werklozen met ongeveer 3,5 miljoen mensen in 2009;

2.  herinnert eraan dat de toeneming van armoede, onzeker werk en ongelijkheden voorafgaat aan de verergering van de economische en financiële crisis; verwerpt daarom pogingen om de huidige economische crisis te benutten als rechtvaardiging voor de huidige sociale en economische omstandigheden;

   onderstreept dat uit deze crisis niet alleen het failliet blijkt van rechts beleid, het dominerende neoliberale fundamentalisme en zijn politieke programma evenals het onvermogen daarvan om een oplossing te vinden voor de problemen van werknemers en volkeren, maar dat ook een harde slag aan de mythe van het triomferende kapitalisme wordt toegebracht;

4.  veroordeelt en verwerpt de pogingen van de EU om de werkelijke oorzaken van de crisis te verhullen en niet alleen het kapitalistische systeem zelf van alle verantwoordelijkheid te ontslaan, maar ook de eigen verantwoordelijkheden af te wijzen; legt in dit verband de nadruk op het voortgezette beleid ter bevordering van de financiële deregulering, de liberalisering van markten en de privatisering van openbare diensten, de geliberaliseerde wereldhandel, de deregulering van de relaties tussen werkgevers en werknemers en de ondermijning van de rechten van de werknemers die zijn neergelegd in de Lissabonstrategie en in de Europese strategie voor werkgelegenheid; beleidsvormen die de opeenhoping van enorme winsten door de grote economische en financiële groepen bevorderen en de vorming van grote monopolies en de verslechtering van het levenspeil van werknemers en volkeren in de hand werken;

5.  onderstreept dat de huidige crisis van het kapitalisme het ernstige risico in zich bergt dat de economische en sociale problemen verergeren, hetgeen niet kan en mag worden onderschat;

6.  constateert dat uit de meest recente ontwikkelingen in de nationale en internationale situatie blijkt dat ondanks het feit dat er miljoenen euro’s en dollars zijn besteed om het financiële systeem te redden, de crisis voortduurt en dat er aan de horizon het grimmige vooruitzicht van een brede economische recessie blijft bestaan; uit de realiteit blijkt dat maatregelen voor een herkapitalisering van het financiële systeem niet voldoende zijn en dat er met spoed maatregelen nodig zijn ter bestrijding van de oorzaken die aan de wortel van de crisis liggen, een crisis die niet alleen van financiële aard is;

7.  wijst erop dat de maatregelen die het resultaat waren van de afgelopen Raad in december bij lange na niet de oorzaken raken die de huidige crises werkelijk hebben doen ontstaan; herinnert eraan dat het zogenoemde Europese economische herstelplan voornamelijk door elke lidstaat moet worden gefinancierd, wat een treffende illustratie is van de betekenis van de zogenaamde “Europese solidariteit”;

8.  betreurt verder het standpunt van de Raad en de Commissie om – eensgezind met de Europese zakensector – van de huidige situatie gebruik te maken om nog verder te gaan met hetzelfde, in het Verdrag van Lissabon geconsacreerde beleid, dat speculatie en een nog grotere exploitatie in de hand werkte en dat aan de basis van de buitengewone schaal van deze crisis heeft gelegen; de voorstanders van dergelijk beleid werken er momenteel aan dat alles in essentie bij hetzelfde kan blijven;

9.  acht het onaanvaardbaar dat onder het voorwendsel van de komende crisis van werknemers, kleine ondernemers, boeren, gepensioneerden, jongeren, vrouwen zoals altijd weer de zwaarste offers worden gevraagd;als op deze weg wordt doorgegaan betekent dit dat crisis op de crisis wordt gestapeld;

Voor een Europa van werkgelegenheid met rechten en voor de verbetering van de levensomstandigheden van werknemers en volkeren

10.   bevestigt opnieuw dat het streeft naar een Europa van samenwerking, sociale vooruitgang en gelijkheid waarin het milieu, eerbied voor de democratie, solidariteit en vrede worden bevorderd;

11.  wenst dat rekening wordt gehouden met de langs democratische en soevereine weg tot uiting gebrachte wil van de burgers van Frankrijk, Nederland en Ierland die een meer neoliberale en militaristische EU van de hand wezen door “nee” tegen de “Europese grondwet” en het Verdrag van Lissabon te zeggen;

12.  wenst dat de Lissabonstrategie en zijn neoliberale agenda met spoed worden verworpen als een eerste stap naar de noodzakelijke breuk met het huidige beleid;

13.  onderstreept dat de oplossing voor de confrontatie met de problemen en behoeften van werknemers en volkeren niet te vinden is in meer regelgeving of een herformulering van het kapitalistische systeem, maar door omkering van macro-economisch beleid en door de verdediging van werkgelegenheid en de rechten van de werknemers;

14.  dringt er bij de lidstaten op aan hun productiesectoren en werkgelegenheid te verdedigen; wijst op de voortdurende aankondigingen van het verlies van banen in de EU, waarop met spoed een adequate reactie nodig is;

15.  wijst er opnieuw op dat er behoefte is aan een alternatief beleid dat gericht is op een verbetering van de leefomstandigheden van werknemers en de bevolking, voor een eerlijke inkomensverdeling, ter stimulering van de economische bedrijvigheid, het scheppen van banen, versterking van de rol van de staat in de economie, prikkeling van de vraag, stimulering van de groei van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de versterking van de investeringen, rekening houdend met de behoeften en kenmerken van iedere lidstaat;

16.  doet een beroep op de in het voorjaar bijeen te komen Raad om onmiddellijk een “Europese strategie voor solidariteit en duurzame ontwikkeling” aan te nemen, gebaseerd op de bovengenoemde beginselen en met een nieuw pakket aan beleidsmaatregelen op economisch, sociaal en milieugebied teneinde investeringen aan te moedigen in:

  • i)de kwaliteit van werk in al zijn aspecten (lonen, stabiliteit, arbeidsvoorwaarden en opleiding) en het verbeteren van kwalificaties teneinde een hoogopgeleide en capabele beroepsbevolking te kweken;
  • ii)een bedrijfsvriendelijke basisinfrastructuur;
  • iii)openbare diensten, ten einde de kwaliteit daarvan te verbeteren,
  • iv)een sterk cohesiebeleid, ten einde de sociale en economische cohesie te bevorderen,
  • v)milieubescherming en ecotechnologieën,
  • vi)in het verbeteren van de arbeids-, sociale, milieu- en veiligheidsnormen, teneinde te komen tot een harmonisatie waarmee aan de hoogste normen wordt voldaan;
  • vii)de sociale economie,

       viii)   in sociale zekerheid, ten einde armoede uit te roeien en sociale uitsluiting te bestrijden;

  • ix)(overheids)onderzoek en innovatie, opdat iedereen er baat bij heeft,
  • x)de bevordering van cultuur, sport en burgerparticipatie, en
  • xi)in de beëindiging van de financialisering van de economie;

17.  is van oordeel dat het Stabiliteits- en groeipact moet worden ingetrokken, parallel met de invoering van een werkgelegenheids- en groeipact dat overheidsinvesteringen bevordert, de efficiëntie verbetert en specifieke economische, sociale en milieucriteria vaststelt op maat van de specifieke behoeften van elke lidstaat, en met name gericht is op het verminderen van de werkloosheid;

18.  verzoekt Commissie en Raad op deze weg door te gaan door een "Europees Investeringsprogramma voor duurzame ontwikkeling, werkgelegenheid en sociale integratie" op te zetten van ten minste 1% van het BBP van de EU, dat dient te worden aangevuld via soortgelijke programma's voor overheidsinvesteringen van de lidstaten ten einde de economie te stabiliseren, de klimaatverandering te bestrijden en volledige werkgelegenheid met hoogwaardige banen en sociale rechten te bevorderen;

19.  onderstreept dat er behoefte is aan doeltreffende maatregelen om de eerbiediging en versterking van de rechten van werknemers te waarborgen, behoorlijke inkomens voor werknemers, en met name voor vrouwen, te garanderen en ook het recht op veiligheid en gezondheid op het werk, sociale bescherming alsmede vrijheid voor vakbonden, en te bevorderen dat een eind wordt gemaakt aan alle vormen van discriminatie tussen mannen en vrouwen op het werk;

20.  staat erop dat met spoed maatregelen worden genomen ter verhoging van de koopkracht teneinde de vraag te stimuleren en economische activiteiten op wereldschaal te bevorderen;

21.  doet een beroep op de lidstaten beleid te scheppen voor het herstel van lonen en pensioenen, waarbij de stelselmatige overdracht van productiviteitswinst aan de werkgevers wordt omgekeerd, hetgeen zal bijdragen aan meer rechtvaardigheid bij de verdeling van welvaart en de levensstandaard van werknemers en gepensioneerden alsmede het economisch herstel zal verbeteren;

22.  vestigt speciale aandacht op werknemers die door werkloosheid zijn getroffen die verdere en onmiddellijke maatregelen vereist, bijvoorbeeld door uitbreiding van de criteria voor de toekenning van de werkloosheidsuitkering en de duur daarvan; acht het onaanvaardbaar wanneer werkgevers de crisis gebruiken als excuus om duizenden werknemers te ontslaan;

23.  benadrukt dat er geen antwoord op de crisis en de gevolgen daarvan mogelijk is zonder een verbetering van de sociale zorg voor de bevolking: vraagt de lidstaten om versterking van de sociale functies van de staat en de systemen voor sociale bescherming; versterking van de overheidsinvesteringen in apparatuur, vooral in kindertehuizen en tehuizen voor ouderen; ontwikkeling van een huisvestingsbeleid waarmee het recht van iedereen op huisvesting wordt gegarandeerd; bescherming en ontwikkeling van een openbare gezondheidszorg en een verbetering van het onderwijsstelsel van de overheid;

24.  wijst erop dat het pensioenfondsen en met name bedrijfspensioenfondsen niet toegestaan dient te zijn te investeren in financiële producten die systemische risico's in zich bergen zoals hedgefondsen en risicokapitaalfondsen enz. daar het omvallen van dergelijke fondsen de pensioenrechten in ongunstige zin zou beïnvloeden;

25.  doet een beroep op de Raad ook een ambitieus doel te kiezen voor de vermindering van het aantal in armoede levende mensen en een einde te maken aan het verschijnsel van de zogenoemde “werkende armen”; is ervan overtuigd dat hiervoor een combinatie van hogere lonen en toegang tot gratis openbare diensten van hoge kwaliteit noodzakelijk is;

26.  herhaalt dat het zich niet kan verenigen met de ontwerprichtlijn inzake arbeidstijd en verzoekt om intrekking van dit voorstel; verzoekt de Raad verdere verplichtingen op zich te nemen ten aanzien van de vermindering van de arbeidstijd, zonder een verlaging van de lonen en verzoekt de lidstaten om coördinatie van het streven naar een geleidelijke vermindering van de arbeidstijd om de doelstelling op korte termijn van een 35-urige werkweek te halen;

27.  verzoekt de lidstaten de flexicurity- benadering los te laten en maatregelen vast te stellen ter bestrijding van onzekerheid, zoals waarborgen dat onzekere vormen van tewerkstelling niet worden gebruikt wanneer de uitgevoerde werkzaamheden een permanent karakter hebben;

Voor een Europa met vooruitgang op economisch en sociaal gebied en in het milieu

28.  dringt bij de lidstaten aan op versterking van hun rol en interventies op strategische gebieden en in economische sectoren, vooral op de terreinen energie, communicatie en vervoer, en wenst dat zij in de financiële sector een dominerende en sterke positie gaan innemen;

29.  benadrukt dat openbare diensten belangrijk zijn voor de bevordering van de sociale, economische en territoriale cohesie van de EU; benadrukt dat openbare structurele sectoren niet mogen worden opengesteld voor concurrentie, maar in het bezit moeten zijn van en beheerd moeten worden door de overheid omdat dit de enige manier is om de kwaliteit, beschikbaarheid en betaalbaarheid van de dienstverlening te verzekeren en zo de rechten van de gebruikers te waarborgen;

30.  wenst dat de Gemeenschapsbegroting zodanig wordt gebruikt dat er prioriteit wordt gegeven aan beleid dat tot werkelijke coherentie leidt, gebaseerd op sociale vooruitgang, en de beveiliging en bevordering van het potentieel van ieder land, een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en de bescherming van het milieu, met als doel een werkelijke economische en sociale samenhang;

31.  stelt voor de doelstellingen van de structuurfondsen en cohesiefondsen een nieuwe richting te geven door ze te richten op de daadwerkelijke vermindering van regionale verschillen, de bevordering van economische en sociale samenhang en werkelijke coherentie, en de voortdurende “Lissabonisatie” daarvan los te laten;

32.  doet een beroep op de in het voorjaar te houden Raad te kijken naar de niet-benutte vastleggingskredieten onder de rubrieken 1 en 2 en maatregelen te nemen om voor de volledige uitvoering van de structuur- en cohesiefondsen te zorgen; vraagt in dit verband om een verhoging van het niveau van de communautaire financiering en om het loslaten van de n+2 en n+3-regel in deze fondsen;

33.  stelt speciale maatregelen voor micro-ondernemingen en kleine en middelgrote bedrijven voor, zoals een vermindering van de energie-, communicatie- en tolkosten; erkent dat maatregelen ter vergemakkelijking van de toegang tot krediet belangrijk zijn, maar dat er weinig zal veranderen, vooral bij micro-ondernemingen en kleine en middelgrote bedrijven, zonder een verbetering van de koopkracht en vraag van de bevolking;

34.  pleit voor een nieuw beleid van investeringen in de industrie met gebruikmaking van de natuurlijke hulpbronnen en productiecapaciteit van elke lidstaat;

35.  pleit met nadruk voor de verdediging van de productieve sectoren, te beginnen met een onmiddellijke beoordelingen van de toekomstvooruitzichten van de sectoren die het meest gevoelig voor de crisis zijn; vraagt om een nieuw communautair programma ter ondersteuning en ontwikkeling van de productieve sectoren in elke lidstaat om zo een bijdrage te leveren aan het scheppen van banen en aan een nieuw elan voor de economie;

36.  dringt aan op een diepgaande hervorming van het gemeenschappelijke landbouw- en visserijbeleid waarbij en ononderbroken voedselvoorziening en de soevereiniteit van elk land voorop staan, waarbij overheidsprojecten worden bevorderd en steun wordt gegeven aan micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen, coöperaties en de lokale gemeentelijke autoriteiten;

37.  herhaalt zijn verzoek om op EU-niveau een regelgevingskader te creëren om sancties in te stellen voor de verplaatsing van bedrijven naar bestemmingen binnen en buiten de EU; maatregelen die een einde maken aan de verplaatsing van bedrijven, namelijk door communautaire hulp afhankelijk van het voldoen aan bepaalde verplichtingen te stellen, zoals het beschermen van banen en de plaatselijke ontwikkeling, en te voorkomen dat multinationale bedrijven geheel naar eigen goeddunken kunnen blijven opereren;

38.  verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen die ervoor zorgen dat ingevoerde producten/goederen die op de interne markt worden gebracht moeten voldoen aan dezelfde eisen als producten die in de diverse lidstaten worden vervaardigd;

39.  dringt aan op een stelselmatige controle en inspectie van ingevoerde goederen en pleit voor het vaststellen van beschermende maatregelen indien dit noodzakelijk is;

40.  vraagt de Commissie om opstelling van een nieuw internationaal handelsbeleid dat industrieën en economische activiteiten die werkgelegenheid scheppen in staat stelt te overleven en zich te ontwikkelen, dat de arbeidsomstandigheden verbetert, de sociale rechten beveiligt en verder uitbouwt en dat het milieu daadwerkelijk beschermt;

41.  is van oordeel dat de nieuwe mislukking van de handelsbesprekingen in de WTO erop wijst dat de EU haar beleid inzake internationale handelsbesprekingen moet wijzigen en verzoekt de EU nieuwe voorstellen te doen voor toekomstige multilaterale handelsbesprekingen met het oog op de vaststelling van regelgevings- en stabiliseringsmechanismen voor een eerlijk internationaal handelsstelsel dat gericht is op het aanpakken van wereldwijde problemen zoals armoede, gebrek aan ontwikkeling en voedselautonomie, epidemieën, werkloosheid, verplaatsing van bedrijven, milieuschade en klimaatverandering;

42.  is het ermee eens dat de lidstaten en de EU doortastend moeten handelen om een einde te maken aan hun afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en een ommekeer te brengen in de huidige niet-duurzame tendens; benadrukt dat ecologische en sociale duurzaamheid centraal moet staan in de openbare investeringsprogramma's van de EU en de lidstaten; stelt vast dat investeringen zich dienen te richten op de bevordering van hernieuwbare energiebronnen, het loskoppelen van de economische groei van de energiegroei, de verbetering van de energie-efficiency en het bevorderen van energiebesparingen, vergezeld door ontwikkeling en sociale vooruitgang;

43.  moedigt de lidstaten aan verdere maatregelen te onderzoeken en vast te stellen ter ondersteuning van de eindverbruiker om zo, waar dat maar mogelijk is, door middel van communautaire steun het gebruik te bevorderen van groenere energievormen en energie-efficiency op verschillende gebieden, zoals in de huisvestingssector, bij apparatuur of wagenparken;

44.  vraagt om meer steun voor investeringen ter bevordering van afvalvermindering, hergebruik en recyclage van materialen, alsook de vermindering en de verwerking van gevaarlijk industrieel en giftig afval;

45.  dringt met nadruk aan op herziening van de statuten van de ECB, zodat het politieke toezicht op deze bank door de lidstaten gewaarborgd wordt en het monetaire beleid en de richtsnoeren zodanig worden herzien dat een sterke economische groei en groei van de werkgelegenheid worden begunstigd;

46.  is ingenomen met de recente verlagingen door de ECB van de rentetarieven en dringt er bij de ECB op aan het monetaire beleid te versoepelen om de aanstaande economische malaise te verzachten; betreurt het dat de renteverlaging te laat kwam en geen grotere positieve effecten heeft gehad;

47.  wijst erop dat de EIB en de EBWO voorzien dienen te worden van de nodige middelen om drastisch hun kredieten te kunnen verhogen tegen zeer lage tarieven voor KMO's, plaatselijke autoriteiten en overheidsprojecten, ecologische productie en diensten, maatschappelijke en gezondheidsdiensten, enz. op voorwaarde dat daardoor werkgelegenheid wordt gecreëerd van hoge kwaliteit met sociale rechten, behoorlijke arbeidsomstandigheden en een behoorlijk loon;

48.  doet een beroep op de lidstaten om maatregelen te ontwikkelen om de toenemende schuldenlast van families op te vangen en families en kleine ondernemingen te steunen bij het voldoen aan hun verplichtingen die uit hypotheken en leningen voor zakelijke doeleinden voortvloeien, onder meer door het voorschrijven van marges (spreiding), commissiebedragen, rentetarieven en toegangsvoorwaarden tot krediet;

49.  doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om maatregelen vast te stellen die een einde moeten maken aan belastingparadijzen en off-shore financiële centra, belastingheffing op valutatransacties (Tobin Tax) en op effectentransacties (met inbegrip van over-de-toonbank-transacties) in te voeren en de grote economische en financiële groepen sterker te belasten; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten zich erop vast te leggen een einde te maken aan belastingparadijzen en off-shore activiteit in de gehele wereld;

50.  stelt voor om binnen VN-kader een nieuwe internationale orde te ontwikkelen om billijker en meer op voet van gelijkheid geschoeide economische betrekkingen te verdedigen, de toegang tot voedsel, water en energie te garanderen en het behoud van deze hulpbronnen veilig te stellen, de levensomstandigheden te verbeteren en honger, armoede en ziekte te bestrijden; dringt ook aan op de eerbiediging van soevereiniteit, de versterking van vrede en samenwerking onder de naties, de decentralisering van de VN en eerbiediging van zijn handvest;

51.  onderstreept dat een herziening van het internationale monetaire en financiële stelsel en bestrijding van de voorkeurspositie van de dollar weliswaar nodig is, maar dat dit niet mogelijk is met een kunstmatig herstel van de euro en ten koste van een verzwakking van de economieën van de EU;

52.  is het ermee eens dat het financiële stelsel gestabiliseerd moet worden, maar denkt dat daarvoor duidelijke regels en verbintenissen nodig zijn alsmede een billijke vergoeding van overheidsfondsen en dat ook degenen die zich aan frauduleuze praktijken en speculatie schuldig hebben gemaakt hun gerechte straf niet mogen ontlopen;

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.