Ontwerpresolutie - B6-0142/2009Ontwerpresolutie
B6-0142/2009

    ONTWERPRESOLUTIE

    16.3.2009

    in aansluiting op vragen B6‑0206/2009 en B6-0205/2009 voor mondelinge beantwoording
    ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 5, van het Reglement
    door Christofer Fjellner
    namens de Commissie internationale handel
    over de tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en Ghana anderzijds

    Procedure : 2009/2539(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B6-0142/2009
    Ingediende teksten :
    B6-0142/2009
    Aangenomen teksten :

    B6‑0142/2009

    Resolutie van het Europees Parlement over de tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en Ghana anderzijds

    Het Europees Parlement,

    –  onder verwijzing naar zijn resoluties van 25 september 2003 over de Vijfde ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in Cancún[1], van 12 mei 2005 over de evaluatie van de Doha-Ontwikkelingsronde na het besluit van de Algemene Raad van de WTO van 1 augustus 2004[2], van 1 december 2005 over de voorbereiding van de Zesde Ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) te Hongkong[3], van 23 maart 2006 over de invloed van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO´s) op de ontwikkeling[4], van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-Ontwikkelingsronde na de ministerconferentie van de WTO in Hongkong[5], van 1 juni 2006 over handel en armoede: naar een handelsbeleid dat de bijdrage van de handel aan armoedebestrijding maximaliseert[6], van 7 september 2006 over de opschorting van de onderhandelingen over de Ontwikkelingsagenda van Doha (DDA)[7], van 23 mei 2007 over economische partnerschapsovereenkomsten[8], van 12 december 2007 over economische partnerschapsovereenkomsten[9] en van 5 juni 2008 inzake het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 552/97 en nr. 1933/2006 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 964/2007 en nr. 1100/2006 van de Commissie[10],

    –  gezien de voorlopige economische partnerschapsovereenkomst tussen Ghana enerzijds en de Europese Gemeenschap anderzijds,

    –  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (Overeenkomst van Cotonou),

    –  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van april 2006, oktober 2006, mei 2007, oktober 2007, november 2007 en mei en november 2008,

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 23 oktober 2007 getiteld "Economische partnerschapsovereenkomsten" (COM(2007)0635),

    –  gezien de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT), en in het bijzonder artikel XXIV daarvan,

    –  gezien de op 18.12.05 in Hongkong op de zesde bijeenkomst van de ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) aangenomen ministeriële verklaring,

    –  gezien het verslag en de aanbevelingen van de Taakgroep Hulp voor handel, die op 10 oktober 2006 zijn goedgekeurd door de Algemene Raad van de WTO,

    –  gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000, waarin de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDG's) zijn geformuleerd als door de internationale gemeenschap gezamenlijk vastgestelde criteria voor de uitbanning van armoede,

    –  gezien het op 8 juli 2005 door de Groep van Acht in Gleneagles uitgebrachte communiqué van Gleneagles,

    –  gezien de ministeriële verklaring van de Vierde bijeenkomst van de ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die op 14 november 2001 in Doha is aangenomen,

    –  gelet op artikel 108, lid 5, juncto artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

    A.  overwegende dat de eerdere handelsrelatie van de EU met de ACS-landen van vóór 31 december 2008 - waarin de ACS-landen zonder wederkerigheid preferentiële toegang tot de EU-markten hadden - zich niet meer verdroeg met de WTO-regels,

    B.  overwegende dat economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) met de WTO-regels verenigbare overeenkomsten zijn ter ondersteuning van regionale integratie en ter bevordering van de geleidelijke integratie van de ACS-economieën in de wereldeconomie, waardoor hun duurzame socio-economische ontwikkeling wordt gestimuleerd en een bijdrage wordt geleverd aan de algemene inspanningen om de armoede in de ACS-landen uit te bannen,

    C.  overwegende dat de regels van de WTO de EPO-landen niet verplichten over te gaan tot liberalisering van dienstverlening, investeringen, overheidsopdrachten, intellectuele eigendomsrechten, mededinging, handelsbevordering, gegevensbescherming, kapitaalverkeer of fiscaal beleid, en dat onderhandelingen over deze punten alleen dienen plaats te vinden als beide partijen daartoe bereid zijn; overwegende dat de aangekondigde doelstellingen van EPO's om de ontwikkeling te bevorderen en de armoede terug te dringen moeten worden gehaald met een geleidelijke en goed doordachte liberalisering van de handel aan de hand van ontwikkelingsbenchmarks, die een rol te vervullen hebben bij de bevordering van marktdiversiteit, economische groei en ontwikkeling,

    D.  overwegende dat in de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 26-27 mei 2008 nadruk werd gelegd op de behoefte aan een flexibele benadering waarbij toch voor voldoende voortgang wordt gezorgd, en de Commissie werd opgeroepen alle ruimte voor flexibiliteit en asymmetrie te gebruiken die de WTO nog toestaat, om rekening te kunnen houden met de verschillende behoeften en ontwikkelingsniveaus van de ACS-landen en -regio's.

    E.  overwegende dat de vroegere handelspreferentiesystemen niet werkelijk hebben kunnen bijdragen aan de verbetering van de economische situatie in deze landen,

    F.   overwegende dat tijdelijke economische partnerschapsovereenkomsten overeenkomsten zijn betreffende de handel in goederen, gericht op het voorkómen van een stillegging van de handel van de ACS-landen met de Europese Unie, en te beschouwen zijn als tijdelijke oplossing hangende de onderhandelingen over een definitieve EPO met de West-Afrikaanse regio's,

    G.  overwegende dat het absolute effect van de handelsvoorschriften die in de EPO worden vastgesteld, veel groter zou kunnen zijn dan de afschaffing van de tarieven,

    H.  overwegende dat de ACS-landen krachtens artikel 37, lid 6, van de Overeenkomst van Cotonou het recht hebben de alternatieven voor de EPO's na te gaan,

    I.  overwegende dat de voorlopige EPO's een opstapje zijn naar definitieve economische partnerschapsovereenkomsten,

    J.  overwegende dat de EU de ACS-landen volledig contingent- en accijnsvrije toegang verleent tot de markten in de EU met een overgangsperiode voor rijst (2010) en suiker (2015),

    K.  overwegende dat er aanzienlijke verschillen in capaciteitsniveau bestaan tussen de verschillende ACS-landen onderling, evenals tussen de ACS-landen en de Europese Unie,

    overwegende dat de mededinging tussen de EU- en de ACS-economieën beperkt is, doordat de grote meerderheid van de EU-export vooral bestaat uit goederen die de ACS-landen niet produceren, maar wel nodig hebben voor hetzij directe consumptie, hetzij als input voor de binnenlandse industrie,

    M.  overwegende dat de huidige financiële en economische crisis betekent dat het handelsbeleid voor de ontwikkelingslanden belangrijker is dan ooit, willen zij de kansen van de internationale handel volledig benutten,

    N.  overwegende dat de clausule inzake de meest begunstigde natie (MFN), die een normaal, niet-discriminerend tarief inhoudt op goedereninvoer, in de EPO-teksten is opgenomen om te verzekeren dat alle exporterende landen dezelfde behandeling als meest begunstigde handelspartner genieten,

    O.  overwegende dat de Europese Unie en de ACS-staten na onderhandelingen nieuwe, verbeterde oorsprongsregels zijn overeengekomen, die tot aanzienlijke voordelen voor de ACS kunnen leiden, mits ze op de juiste wijze worden toegepast en met hun geringere capaciteit rekening wordt gehouden,

    P.  overwegende dat "Hulp voor handel" tot doel heeft de ontwikkelingslanden beter in staat te stellen van nieuwe handelsmogelijkheden te profiteren,

    Q.  overwegende dat de definitieve EPO onvermijdelijk van invloed zal zijn op de werkingssfeer en inhoud van toekomstige overeenkomsten tussen de ACS-landen en andere handelspartners en op de positie van de regio in de onderhandelingen,

    R.  overwegende dat de handelsbalans tussen de EU en de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse landen (ECOWAS) gelijk is wat betreft de handel tussen de regio's,

    S.  overwegende dat Ghana lid is van de ECOWAS, die uit 15 landen bestaat; overwegende dat de afzonderlijke landen in grote mate variëren in omvang en BBP-peil over de hele regio,

    T.  overwegende dat 12 van de 15 landen van de ECOWAS beschouwd worden als minst ontwikkelde landen (MOL),

    U.  overwegende dat Ghana, Ivoorkust en Nigeria niet in de categorie "minstontwikkelde landen" vallen; overwegende dat potentiële problemen kunnen voortvloeien uit de ongelijke bestuursmiddelen en capaciteit in de ECOWAS-landengroep, omdat de meeste leden minst ontwikkelde landen zijn,

    1.  herhaalt zijn standpunt dat goed doordachte EPO's een kans bieden om de handelsbetrekkingen tussen de ACS-landen en de EU nieuw leven in te blazen, de economische diversificatie en regionale integratie in de ACS-landen te bevorderen en de armoede in de ACS-landen terug te dringen;

    2.  onderkent de voordelen die de sluiting van de tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie enerzijds en de ACS-landen anderzijds voor de exporteurs hebben gehad, doordat hiermee de exportmogelijkheden naar de Europese Unie na het verstrijken van de handelsovereenkomst van Cotonou per 1 januari 2008 zijn verlengd, waardoor de exportmogelijkheden van Ghana naar de EU werden behouden en substantieel uitgebreid, door zowel volledige markttoegang als verbeterde oorsprongsregels;

    3.  is ingenomen met het feit dat de Europese Gemeenschap de ACS-landen voor de meeste producten volledig accijns- en contingentvrije markttoegang tot de Europese Unie biedt, om de liberalisering van de handel tussen de ACS-landen en de Europese Unie te bevorderen;

    4.  benadrukt dat de EPO met Ghana in geen geval de cohesie van de ECOWAS in gevaar mag brengen of de regionale integratie binnen de ECOWAS verzwakken;

    5.  wijst erop dat de ondertekening van tijdelijke EPO's een noodzakelijke stap is in de richting van duurzame groei in de desbetreffende regio's als geheel en dat er verder moet worden onderhandeld om tot volwaardige overeenkomsten te komen, die uitbreiding van de handel en investeringen en een sterkere regionale integratie stimuleren;

    6.  brengt in herinnering dat een tijdelijke overeenkomst weliswaar verenigbaar is met de WTO-regels en als eerste stap in de goede richting te beschouwen is, maar daardoor nog niet automatisch uitmondt in een definitieve EPO,

    7.  verzoekt de Commissie dringend om in het geval dat Ghana de EPO niet wenst te ondertekenen, toepassing te geven aan artikel 37, lid 6 van de Overeenkomst van Cotonou, waarin staat dat alle alternatieve mogelijkheden moeten worden bezien om deze landen een nieuw handelskader te bieden dat gelijkwaardig is aan hun huidige situatie en in overeenstemming is met de WTO-regels;

    8.   neemt kennis van de overgangsperiodes in de tijdelijke overeenkomsten voor kleine en middelgrote ondernemingen zodat deze zich op de veranderingen die met de overeenkomst worden ingevoerd kunnen instellen, en dringt er bij de overheid in de partnerlanden op aan dat zij bij zijn onderhandelingen over algemene EPO's de belangen van het midden- en kleinbedrijf in het oog blijft houden

    9.  dringt er bij de ACS-landen op aan de liberalisering te blijven bevorderen en bepleit dat ook buiten de goederenhandel deze hervormingen worden doorgevoerd en dat handel en diensten verder worden geliberaliseerd;

    10.  verzoekt de Europese Unie meer adequate hulp te bieden aan de overheidsinstanties in de ACS-landen en aan de particuliere sector, om de veranderingen in de economie na de ondertekening van de tijdelijke EPO's te vergemakkelijken;

    11.  onderstreept dat adequate en transparante monitoringmechanismen met een effectieve controle door de bevoegde commissie van het Parlement belangrijk zijn om voor algemene consistentie in het beleid inzake handel en ontwikkeling te zorgen;

    12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer duidelijkheid te geven over de feitelijke verdeling van financiële middelen over de ACS-regio als resultaat van de beloofde prioritaire uitgaven binnen het verhoogde "Hulp voor handel"-budget;

    13.  herinnert eraan dat de EU-strategie inzake "Hulp voor handel" in oktober 2007 werd goedgekeurd, met de toezegging dat de gezamenlijke handelsgerelateerde bijstand van de EU zou worden verhoogd tot 2.000 miljard euro per jaar in 2010 (1.000 miljoen euro van de Gemeenschap; 1 000 miljoen euro van de lidstaten); dringt erop aan dat de West-Afrikaanse regio een passend en billijk deel ontvangt;

    14.  verzoekt om snelle bepaling en beschikbaarstelling van een aandeel in de middelen uit hoofde van "Hulp voor handel"; onderstreept dat het hier om extra middelen moet gaan en niet om herverpakking van middelen uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), dat die middelen afgestemd moeten zijn op de prioriteiten van Ghana en dat de uitbetaling tijdig moet gebeuren, met voorspelbare regelmaat en in overeenstemming met de uitvoeringsschema's van de nationale en regionale strategische ontwikkelingsplannen; is gekant tegen enige vorm van voorwaardelijkheid in verband met de EPO's bij de verlening van Europese steun en verzoekt de Commissie te waarborgen dat toegang tot de middelen van het 10de EOF niet wordt gekoppeld aan de resultaten en het tempo van de onderhandelingen;

    15  dringt er bij de betreffende landen op aan duidelijke en transparante informatie te geven over de economische en politieke situatie en ontwikkeling in deze landen om de samenwerking met de Europese Unie te verbeteren;

    16.  onderstreept het belang van transparant beheer van natuurlijke hulpbronnen aangezien deze de sleutel vormen voor ontwikkeling; dringt er bij degenen die over een definitieve EPO onderhandelen op aan de volle aandacht te geven aan deze transparantie en positieve praktijkvoorbeelden te geven, zodat Ghana optimaal van deze rijkdommen kan profiteren; bevestigt in dit verband nogmaals zijn resolutie van 13 maart 2007 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap[11], en vraagt de Commissie dringend erop toe te zien dat EU- gevestigde internationale ondernemingen met productiefaciliteiten in de ACS-landen zich houden aan de basisnormen van de ILO, aan sociale en milieuakkoorden en aan internationale overeenkomsten, om een wereldwijd evenwicht te bereiken tussen economische groei en hogere sociale en milieunormen;

    17.  wijst op het belang van intraregionale handel en de noodzaak van meer regionale handelsconnecties om duurzame groei in de regio te garanderen; onderstreept het belang van samenwerking en goede verstandhouding tussen de verschillende regionale entiteiten;

    18.  spoort aan tot verdere verlaging van douanerechten - die 15 tot 25% van de handelswaarde uitmaken - tussen ontwikkelingslanden en regionale landengroepen, om de zuid-zuidhandel, de economische groei en de regionale integratie te bevorderen;

    19.  juicht de ontwikkeling toe van een douane-unie in de groep van West-Afrikaanse landen en de inspanningen die worden gedaan om een monetaire unie te creëren, in het bijzonder wegens de voordelen voor het bedrijfsleven die door de synchronisatie van de West-Afrikaanse regio beschikbaar worden voor Ivoorkust en die zullen leiden tot een grotere markt, toename van de handel en meer kansen voor de realiseren van schaalvoordelen;

    20.  dringt aan op adequate en transparante controlemechanismen – met een duidelijke taak en invloed – om de effecten van de EPO's te volgen, met meer zeggenschap voor de ACS-landen en brede raadpleging van alle betrokkenen; onderstreept dat uiterlijk vijf jaar na de datum van ondertekening een allesomvattende herziening van de tijdelijke EPO's moet plaatsvinden ten aanzien van de sociaal-economische weerslag ervan, met inbegrip van de kosten en gevolgen van de tenuitvoerlegging, waarbij de bepalingen van de overeenkomst kunnen worden gewijzigd en de toepassing ervan kan worden aangepast;

    21.  dringt erop aan dat in overeenstemming met de Beginselen van Parijs inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, hulp onder meer vraaggestuurd moet zijn, en verzoekt de ACS-landen daarom de doelen te specificeren waarvoor aanvullende EPO-gerelateerde middelen nodig zijn, in het bijzonder met betrekking tot regelgevingskaders, vrijwaringsmaatregelen, handelsfacilitering, steun bij het voldoen aan internationale sanitaire en fytosanitaire voorschriften en regels inzake intellectuele eigendom, en de samenstelling van het EPO-toezichtmechanisme;

    22.  verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha (DDA) weer vlot te trekken en ervoor te zorgen dat akkoorden over liberalisering van de handel de ontwikkeling in arme landen verder kunnen bevorderen;

    23.  is ervan overtuigd dat definitieve EPO's een akkoord over de DDA moeten aanvullen en niet een alternatief voor de ACS-landen moeten zijn;

    24.  begrijpt dat er een hoofdstuk over handelsbescherming met bilaterale beschermingsclausules nodig is; roept beide partijen op geen onnodig gebruik te maken van deze beschermingsclausules;

    25.  merkt op dat er enorme verschillen bestaan tussen de overheidsuitgaven voor landbouwsubsidies en –steun in verschillende landen: zo besteden de EU en de VS sinds de jaren '80 55 000 miljoen Euro respectievelijk 55 000 miljoen USD per jaar, terwijl Ghana geen enkele subsidie aan zijn boeren/landbouwproducenten heeft gegeven;

    26.  is van mening dat, hoewel de Ghanese landbouwproducten preferentiële toegang tot de Europese markt hebben, de EPO niet tot de ontwikkeling van de Ghanese landbouwproductie kan leiden, tenzij de productiecapaciteit wordt vergroot en gemoderniseerd via technische en financiële investeringen;

    27.  merkt op dat de boeren in de ACS-landen hierdoor worden benadeeld en minder concurrerend kunnen werken op de thuismarkt en op buitenlandse markten, omdat hun producten in vergelijking met de gesubsidieerde Europese en Amerikaanse producten duurder zijn in reële termen;

    28.  steunt bijgevolg de voor bepaalde tariefposten overeengekomen uitzonderingen, die landbouwproducten en een aantal verwerkte landbouwproducten betreffen, aangezien deze voornamelijk bedoeld zijn om beginnende bedrijfstakken of gevoelige producten in deze landen te beschermen;

    29.  merkt op dat Ghana tariefuitzonderingen heeft gekregen voor kippen- en ander vlees, tomaten, uien, suiker, tabak, en bier;

    30.  onderstreept dat de definitieve EPO de uitvoer van bewerkte producten moet bevorderen met eenvoudiger en betere oorsprongsregels, met name in sleutelsectoren als textiel en landbouw;

    31.  neemt nota van het hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking in de definitieve EPO, dat voorziet in samenwerking op het gebied van handel in goederen, concurrentievermogen aan de aanbodzijde, infrastructuur voor het bedrijfsleven, handel in diensten, handelsgerelateerde onderwerpen, ontwikkeling van institutionele capaciteit en fiscale aanpassingen; roept beide partijen op hun toezegging gestand te doen om de onderhandelingen over mededinging en overheidsopdrachten pas af te sluiten wanneer adequate capaciteit is opgebouwd;

    32.  erkent dat de tijdelijke EPO al een hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking bevat (titel 2) dat betrekking heeft op ontwikkelingssamenwerking, fiscale aanpassingen, concurrentievermogen van de aanbodszijde en infrastructuur voor het bedrijfsleven, dat volledig moet worden uitgevoerd; benadrukt dat in het kader van de volledige regionale overeenkomst dringend hoofdstukken moeten worden overeengekomen over diensten, investeringen en handelsregels; roept beide partijen op hun toezegging na te komen om de onderhandelingen over mededinging en overheidsopdrachten pas af te sluiten wanneer er een adequate capaciteit is opgebouwd;

    33.  benadrukt dat een definitieve EPO ook bepalingen moet inhouden met betrekking tot goed bestuur, transparantie inzake politieke ambten en mensenrechten;

    34.  wijst erop dat de EPO's moeten bijdragen tot het halen van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen;

    35.  verzoekt de onderhandelende partijen bindende regelingen op te nemen inzake investeringen, mededinging en overheidsopdrachten, die Ghana een impuls kunnen geven als zaken- en investeringsbestemming, en die vanwege hun algemene toepassing zowel de consumenten als de plaatselijke overheidsinstanties ten goede zullen komen;

    36.  wijst op het belang van de inbreng van particuliere organisaties en andere betrokkenen in de ECOWAS-regio, alsook van een analyse van de effecten van EPO's, die zullen helpen bij de ontwikkeling van het werkelijke partnerschap dat nodig is bij het toezicht op de EPO's;

    37  dringt aan op een snelle ratificatieprocedure zodat de partnerlanden zonder onnodig uitstel kunnen profiteren van de voordelen van de tijdelijke EPO;

    38.  pleit voor een flexibele, individueel toegesneden en pragmatische benadering in de lopende onderhandelingen over een volledige EPO; verzoekt de Commissie in deze samenhang met name rekening te houden met de wensen van Ghana inzake de ontwikkelingsaspecten van de overeenkomst; verwelkomt in dit verband de conclusies van de Raad van 16 en 17 juni 2008;

    39.  spoort de onderhandelende partijen aan om de onderhandelingen zoals gepland in 2009 af te sluiten; spoort de partijen ertoe aan om alles in het werk te stellen om zoals gepland vóór eind 2009 een definitieve EPO tussen de ACS-landen en de Europese Unie te kunnen sluiten;

    40.  benadrukt dat de definitieve EPO een herzieningsclausule moet bevatten, alsmede een algemene effectbeoordeling, die binnen 3 tot 5 jaar na de ondertekening moet worden uitgevoerd; verlangt dat het Europees Parlement en het Ghanese parlement bij eventuele herziening van de overeenkomst worden betrokken;

    41.  benadrukt dat met name de parlementen van de ACS en niet-overheidsactoren een cruciale rol met betrekking tot de monitoring en het beheer van de EPO's spelen en vraagt de Commissie te waarborgen dat zij bij de lopende onderhandelingsprocedures worden betrokken; wijst erop dat dit een duidelijke agenda tussen de EU en de ACS-landen vereist, die gebaseerd is op een participerende benadering;

    42.  acht het belangrijk dat bij de tenuitvoerlegging van EPO's een adequaat controlesysteem wordt ingesteld, gecoördineerd door de bevoegde parlementaire commissie en waarbij leden van de Commissie internationale handel en de Commissie ontwikkelingssamenwerking worden betrokken, om zodoende een juist evenwicht tussen het behoud van de leidende rol van de Commissie INTA en de algehele consistentie van het handels- en ontwikkelingsbeleid te waarborgen; deze parlementaire commissie dient flexibel te opereren en actief samen te werken met de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU (PPV); is van mening dat na de goedkeuring van iedere tussentijdse EPO met genoemde controle dient te worden gestart;

    43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ACS-landen, de Raad ACS-EU en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.