ONTWERPRESOLUTIE over een veilige energievoorziening
15.9.2009
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
Johannes Cornelis van Baalen namens de ALDE-Fractie
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0040/2009
B7‑0046/2009
Resolutie van het Europees Parlement over een veilige energievoorziening
Het Europees Parlement,
- – gezien zijn resolutie van 26 september 2007 over een gemeenschappelijk buitenlands beleid ten aanzien van energie,
- gelet op de intergouvernementele overeenkomst tussen Oostenrijk, Bulgarije, Hongarije en Turkije over het gaspijpleidingproject "Nabucco", welke op 13 juli 2009 te Ankara werd ondertekend,
- gelet op het feit dat een omvangrijk minderheidsaandeel (21,2 %) in de Hongaarse petrochemische onderneming MOL, die deel uitmaakt van het Nabucco-consortium, is overgenomen door de Russische aardolie- en aardgasmaatschappij Surgutneftegaz,
- gelet op het protocol voor samenwerking op energiegebied, dat op 6 augustus 2009 door Rusland en Turkije werd ondertekend en waarbij de Turkse regering haar preliminaire instemming betuigt met de aanleg van de South Stream gaspijpleiding en waarbij Rusland toestemming krijgt tot het uitvoeren van verkenningswerkzaamheden voor de pijpleiding in de territoriale wateren van Turkije,
- gelet op het Memorandum of Understanding dat op 13 juli 2009 werd ondertekend door 12 ondernemingen uit de EU voor het lanceren van het Industrieel Initiatief DESERTEC voor de grootschalige ontwikkeling van het potentieel aan zonne-energie in het Midden-Oosten en Noord Afrika,
- gelet op de Tweede Strategische Energiebeleidsevaluatie,
- gelet op de verordening houdende maatregelen voor het veiligstellen van de energievoorziening en intrekking van richtlijn 2004/67/EG,
- gelet op de verordening inzake investeringsprojecten op het gebied van de energie-infrastructuur binnen de Europese Gemeenschap,
- gelet op de komende Vijftiende Conferentie van de Deelnemende Partijen (COP 15) van de UNFCCC en de Vijfde Conferentie van de Deelnemende Partijen aan het Protocol van Kyoto (COP/MOP 5), welke van 7 tot en met 18 december 2009 te Kopenhagen (Denmarken) zal worden gehouden,
- gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat veilige energievoorziening een essentieel onderdeel vormt van de veiligheid in het algemeen en van de stabiliteit en welvaart in de Europese Unie, maar dat hiervoor geen rechtsgrondslag bestaat in de Verdragen,
B. overwegende dat de EU thans in hoge mate afhankelijk is van energie-importen en dat deze afhankelijkheid volgens de huidige tendensen nog dreigt toe te nemen,
C. overwegende dat de prijzen voor aardolie en aardgas ten gevolge van de financiële crisis weliswaar aanvankelijk waren gedaald, maar dat zij de laatste maanden zijn de energieprijzen weer begonnen te stijgen; benadrukkend dat er slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt met de omschakeling naar duurzamer brandstoffen en dat de afnemende productie van de aardolie- en aardgasvelden op onze planeet, tezamen met een voortdurende groei van het gebruik, zou kunnen leiden tot het terugkeren van een gespannen situatie op de markten voor fossiele brandstoffen en een toenemende mate van afhankelijkheid van de import in de verbruikende landen,
D. overwegende dat diverse lidstaten in hoge mate afhankelijk zijn van een enkele leverancier van aardgas en dat een onverwachte verstoring van de leveringen dan tot een ernstige crisis kan leiden, zoals gebleken is tijdens de Russisch-Oekraiense gascrisis van het begin van dit jaar,
E. overwegende dat een aantal lidstaten niet over voldoende natuurlijke reserves beschikt om het hoofd te bieden aan crisissituaties,
F. overwegende dat vanwege het feit dat Europa voor zijn energievoorziening afhankelijk is - en wel in toenemende mate - van politiek onstabiele regio's maatregelen op exclusief nationaal niveau ontoereikend zijn om een veilige energievoorziening te waarborgen en om op langere termijn de belangen van alle lidstaten van de EU te behartigen,
G. overwegende dat de bestaande instrumenten voor vroegtijdig alarm niet in staat zijn gebleken om de gascrisis van januari 2009 te voorspellen,
H. overwegende dat voorspelbare bedreigingen voor een veilige energievoorziening zullen blijven bestaan zolang de energieleveranciers en de transitlanden zich niet willen houden aan gemeenschappelijke en transparante regels, zoals die zijn gedefinieerd in het Verdrag voor een Energiehandvest en het Transitprotocol,
I. overwegende dat een belangrijke ontwikkeling in de richting van een groter aandeel van hernieuwbare energiebronnen in onze huidig energiepakket een grote bijdrage zou leveren aan de vermindering van de importafhankelijkheid van ons energiegebruik, waardoor enerzijds de veiligheid van onze energievoorziening zou worden verbeterd en anderzijds een grote bijdrage zou worden geleverd aan het realiseren van onze toezegging om de emissie van broeikasgassen tegen 2020 met 20 % te verminderen,
J. overwegende dat door een verbetering van de efficiëntie van het energieverbruik een belangrijke bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de vermindering van onze afhankelijkheid van geïmporteerde energiedragers,
K. overwegende dat er - ondanks het feit dat er al enkele eerste stappen op deze weg gezet zijn - een behoefte bestaat aan een waarlijk gemeenschappelijk energiebeleid, zowel wat betreft de regulering van de interne markt als ten aanzien van de externe aspecten, een beleid dat rekening houdt met de politieke en economische belangen van alle lidstaten,
L. overwegende dat een gemeenschappelijk extern energiebeleid, gebaseerd op solidariteit, diversificatie en eendrachtigheid bij de verdediging van gemeenschappelijke belangen, betere samenwerking tussen de belangrijkste energieproducenten, transitlanden en gebruikende landen, en dat gericht is op bevordering van de duurzaamheid, synergieën zou bewerkstelligen bij het verzekeren van de veilige energievoorziening van de Europese Unie en bevorderlijk zou zijn voor de kracht van de EU, haar vermogen om te handelen op het vlak van de buitenlandse politiek en haar geloofwaardigheid als een wereldwijde actor,
1. doet een beroep op de Raad, de Commissie en de lidstaten om meer aandacht te schenken aan de veiligheid van de energievoorziening en om een strategisch leiderschap op zich te nemen bij de totstandbrenging van een Europees buitenlands beleid op energiegebied, iets waarop door het Europees werd aangedrongen in zijn resolutie van 26 september 2007 inzake een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid op energiegebied;
2. is ingenomen met de maatregelen tot diversificatie en verbetering van de veiligheid van de energievoorziening van de EU, zoals die door de Commissie werden voorgesteld in haar Tweede Strategische Energiebeleidsevaluatie; is evenwel van mening dat er behoefte bestaat aan duidelijke gedefinieerde prioriteiten en spoedige actie voor de tenuitvoerlegging daarvan, waarbij het Parlement volledig hiervan op de hoogte moet worden gesteld;
3. herhaalt de dringende behoefte aan een sterkere gebruikmaking van binnen de EU geproduceerde hernieuwbare energie om de veiligheid van onze energievoorziening te verbeteren en om ons te helpen bij het realiseren van onze toezegging om onze emissies van broeikasgassen tegen 2020 met 20 % te verminderen, een percentage dat nog tot 30 % zou stijgen in het geval dat er in Kopenhagen een overeenkomst in dier voege wordt bereikt;
4. Onderstreept het belang van de kernenergie in de Europese Unie en dringt bij de lidstaten aan op volledige gebruikmaking van de ervaringen die met de kernenergie zijn opgedaan en een vrije uitwisseling van informatie met kracht te bevorderen en onderstreept daarbij de noodzaak ook het accent te leggen op de bevoorrading met splijtstof en veiligheidskwesties;
5. onderstreept dat de vooruitgang bij de opbouw van een gemeenschappelijk Europees energiebeleid in grote mate afhankelijk is van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; ondersteunt het Verdrag van Lissabon, dat een clausule inzake energiesolidariteit bevat en het energiebeleid tot een onderwerp maakt dat tot de gedeelde bevoegdheidssfeer van de EU en de lidstaten behoort;
6. beschouwt de verbetering van de interne connecties binnen Europa van essentiële betekenis voor het verzekeren van een efficiënt functioneren van de interne markt en voor de solidariteit op energiegebied; staat in dit verband achter de overeenkomst voor het financieren van infrastructuurprojecten als onderdeel van het Europese Plan voor Economisch Herstel en is ook ingenomen met het voornemen om Europa een nieuw Europees supernet voor elektriciteit en gas te geven;
7. Onderstreept de urgentie van de uitvoering van strategische projecten die gericht zijn op diversificatie van de energievoorziening, vooral in de zuidelijke corridor; onderstreept dat de Nabucco-pijpleiding voor de gehele Europese Unie de allerhoogste prioriteit moet hebben als middel tot een veilige, onafhankelijke en gediversifieerde aardgasvoorziening en is ingenomen met het feit dat er voor dit project een bedrag van € 200 miljoen is uitgetrokken in het Programma voor economisch herstel; onderstreept het belang van een algemene regeling voor de ontwikkeling van de corridor die de EU moet verbinden met nieuwe aardgasvelden in het Midden-Oosten en het gebied van de Kaspische Zee en dringt bij de energieondernemingen en de lidstaten aan op nauwe samenwerking met de Commissie;
8. wijst erop dat de geplande pijpleidingen North Stream en South Stream beide van groot belang zijn om de aardgasvoorziening van de EU te verbeteren, maar dat deze projecten zorgvuldig moeten worden geëvalueerd op grond van milieuoverwegingen, economische haalbaarheid en het algemene effect op de afhankelijkheid van de gasvoorziening ten aanzien van één enkele leverancier;
9. dringt er bij de Commissie op aan om politieke en juridische bijstand te verlenen aan ondernemingen die betrokken zijn bij de uitvoering van strategische projecten of die voornemens zijn zulks te doen en het initiatief te nemen tot standaardiseringsovereenkomsten die de aanleg van pijpleidingen ondersteunen;
10. dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op de formulering van een passende "solidariteitsclausule", die ook de voorwaarden en procedures omvat die moeten worden toegepast in geval van noodsituaties, zoals de onderbreking van de energiebevoorrading in andere lidstaten, zulks overeenkomstig het Verdrag van Lissabon;
11. verzoekt de Raad en de lidstaten om serieus te overwegen of de opening van de onderhandelingen tussen de Europese Unie en Turkije over het Energiehoofdstuk zou kunnen worden aangegrepen voor een algehele verbetering van de samenwerking op energiegebied tussen de EU en Turkije;
12. is ingenomen met het voorstel voor een verandering inzake de veiligheid van de gasvoorziening (COM(2009)363); moedigt de lidstaten aan tot uitbreiding van hun faciliteiten voor een aardgasopslag die snel kan worden aangesproken; verzoekt de Commissie om zich te beraden over de verlening van financiële bijstand aan de lidstaten die van plan zijn hun capaciteit voor de opslag van aardgas uit te breiden;
13. benadrukt dat de EU een intensieve dialoog moet aangaan met haar voornaamste energieleveranciers, met het oog op een sterkere interdependentie op energiegebied en een grotere veiligheid van de energievoorziening voor de gehele EU, waarbij het accent vooral gelegd moet worden op grotere doelmatigheid, een gelijke toegang tot de markt, non-discriminatie en transparantie;
14. prijst de Commissie voor haar inspanningen tot intensivering van de energiedialoog, welke met name geresulteerd hebben in een aantal memoranda of understanding met de oostelijke buurlanden en de landen in Centraal Azië, en hoopt op meer vooruitgang in de dialoog met de zuidelijke partners;
15. dringt aan op grotere inspanningen om te anticiperen op potentiële problemen bij de energievoorziening om verstoringen in de toekomst te voorkomen, waartoe ondermeer de effectiviteit van de NESCO moet worden opgevoerd; verzoekt de Commissie met spoed over te gaan tot een evaluatie van de bestaande mechanismen voor vroegtijdig alarm, de NESCO en andere instrumenten, die weinig effectief gebleken zijn tijdens de Russisch-Oekraiense energiecrisis van 2009;
16. herinnert aan het belang dat een verbeterde efficiëntie van het energiegebruik heeft voor een vermindering van de externe afhankelijkheid van energie; dringt er bij de Commissie op aan om een bindend streefcijfer voor efficiënt energiegebruik op te nemen in haar komende Actieplan voor doelmatig energiegebruik; dringt bij de Raad aan op vaststelling van ambitieuze streefcijfers en vereisten bij de lopende onderhandelingen met het Parlement over de Richtlijn inzake de energie-efficiëntie van gebouwen en zorg te dragen over toereikende financieringsmechanismen, die met name van groot belang zijn voor de lidstaten waar met de verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen grote besparingen kunnen worden bereikt en die in hoge mate afhankelijk zijn van importen uit Rusland;
17. verzoekt de Commissie en de Raad om het EHV (Verdrag inzake het Energiehandvest) te promoten en roept de partners van de EU die het EHV en het daarbij behorende Transitprotocol ondertekend hebben op om de hand te houden aan de daarin vervatte regels en beginselen;
18. dringt aan op de vaststelling van een gezamenlijke benadering van de EU ten aanzien van de onderhandelingen met de externe partners over transitregels en transitbetalingen en doet een beroep op de lidstaten om elkander en de Commissie op de hoogte te stellen van strategische besluiten en overeenkomsten over projecten op het gebied van de energie-infrastructuur;
19. verzoekt de Commissie onmiddellijke maatregelen te nemen tegen pogingen tot vijandige overname op de energiemarkt van de EU door niet-transparante buitenlandse entiteiten; is verontrust over de recente verwerving door Surgutneftegaz van een aandeel in de Hongaarse energiemaatschappij MOL en door het feit dat Surgutneftegaz niet bij machte is te onthullen wat zijn eigendomsstructuur is en wie de uiteindelijke eigenaars zijn, informatie waarnaar de Hongaarse regulator van de energiemarkt terecht had gevraagd;
20. onderstreept de noodzaak om reeds in 2009 over te gaan tot herziening van Richtlijn 2004/677/EG inzake de maatregelen om de veiligheid van de aardgasvoorziening te verzekeren overeenkomstig de voorstellen die gedaan werden in mededeling (COM(2008)769) van de Commissie en om de Gemeenschap de beschikking te geven over de nodige middelen om een antwoord te geven op de problemen betreffende de veiligheid van de energievoorziening;
21. benadrukt de rol van het Noordpoolgebied bij de formulering van het Energiebeleid voor Europa en neemt kennis van het belang van een eerlijke verdeling van de voorkomens van koolwaterstoffen in dit gebied overeenkomstig het internationaal recht, zulks ter wille van de algemene internationale stabiliteit; is van oordeel dat in de Mededeling van de Commissie inzake strategische kwesties in verband met het Noordpoolgebied onvoldoende aandacht wordt geschonken aan de voorkomens van koolwaterstoffen;
22. dringt bij de EU aan op samenwerking met de landen van het Middellandse-zeegebied, en met name met die van Noord-Afrika, vooral in verband met het rijke energiepotentieel van deze landen en de substantiële kansen tot bevordering van de ontwikkeling van Afrika; is van oordeel dat met name het onderzoek naar en de ontwikkeling van zonne- en windenergie moeten worden bevorderd; is ingenomen met de vooruitgang die recentelijk geboekt is bij het Industrieel Initiatief DESERTEC voor de ontwikkeling van het omvangrijke potentieel voor zonne-energie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika; benadrukt dat er een potentieel voor soortgelijke projecten bestaat in de mediterrane delen van de EU;
23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.