Procedure : 2010/2504(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0080/2010

Ingediende teksten :

B7-0080/2010

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/02/2010 - 9.6
CRE 10/02/2010 - 9.6

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0016

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 138kWORD 82k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0078/2010
3.2.2010
PE432.933v01-00
 
B7-0080/2010

naar aanleiding van een verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Iran


José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Elmar Brok, Lena Kolarska-Bobińska, Mario Mauro, Michael Gahler, Marco Scurria, Alejo Vidal-Quadras, Potito Salatto, Tunne Kelam, Salvatore Tatarella, Monica Luisa Macovei namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Iran  
B7‑0080/2010

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name inzake de mensenrechten,

 

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 april 2009 over de humanitaire situatie van de bewoners van kamp Ashraf,

 

 gezien de verklaring van de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 over Iran,

 

 gezien de verklaring van het Voorzitterschap van 28 december 2009 over de recente demonstraties in Iran,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie, die alle door de Islamitische Republiek Iran zijn ondertekend,

 gezien de verklaring van het ministerie voor inlichtingen en veiligheid van Iran van 5 januari 2010, die bepaalt dat alle contacten tussen Iraanse burgers en 60 niet-gouvernementele organisaties plus talloze internationale media die uitzendingen in het Farsi verzorgen, "illegaal" zijn,

 gezien de gebeurtenissen op 27 december 2009, waarbij ten minste 15 mensen, onder wie Seyed Ali Mousavi, een neef van een leider van de oppositie, zijn omgekomen tijdens een demonstratie van de oppositie, en de dingen die sindsdien zijn voorgevallen,

 gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van 12 januari 2010 over het proces tegen zeven prominente bahai-leden in Iran,

 gezien de resolutie van de Raad van bestuur van het Internationaal Atoomenergie-agentschap (IAEA) van 27 november 2009 over de tenuitvoerlegging van de Safeguards Agreement van het non-proliferatieverdrag en de desbetreffende bepalingen van de resoluties 1737 (2006), 1747 (2007), 1803 (2008) en 1835 (2008) van de VN-Veiligheidsraad,

 gezien het door een meerderheid van de Majlis ondertekende schrijven van 29 november 2009, waarin de organisatie voor kernenergie van Iran wordt opgedragen om plannen te maken voor de bouw van tien extra uraniumverrijkinginstallaties, alsook de opmerking van de voorzitter van de Majlis van 30 november 2009 waarin hij twijfels uit aan het belang van het non-proliferatieverdrag,

–   gezien het annuleren door de Iraanse autoriteiten van het bezoek van de Delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met Iran aan Teheran, dat van 8 tot 11 januari 2010 plaats had moeten vinden,

 gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de algemene situatie van de mensenrechten in Iran steeds slechter wordt, vooral ten aanzien van de uitoefening van de burgerrechten en de politieke vrijheden,

B.     overwegende dat tienduizenden Iraanse burgers bij meerdere gelegenheden de straat op zijn gegaan om te protesteren tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen van 12 juni 2009 en tegen andere schendingen van de grondrechten; overwegende dat volgens berichten ten minste 150 mensen vermoord zijn en dat duizenden demonstranten zijn gearresteerd, zoals onlangs nog na de dood van Hoseyn Ali Montazeri en gedurende en na het Sjiietische Ashura-ritueel,

C.     overwegende dat de autoriteiten met geweld op deze protesten hebben gereageerd, waarbij mensen zijn omgekomen, talloze arrestaties zijn verricht en diverse demonstranten ter dood zijn veroordeeld,

D.     overwegende dat de autoriteiten bovendien beweren dat buitenlandse regeringen en organisaties achter deze demonstraties zitten, dat zij de Iraanse burgers daarom hebben verboden contact te hebben met tal van buitenlandse niet-gouvernementele organisaties, en dat zij de internationale media de toegang tot Iran hebben ontzegd,

E.     overwegende dat zeven vooraanstaande leden van het bahai-geloof in staat van beschuldiging zijn gesteld, blijkbaar omdat zij tot een religieuze minderheid behoren,

F.     overwegende dat Iran het Verdrag ter voorkoming van de verspreiding van kernwapens (non-proliferatieverdrag, NPV) heeft ondertekend, het bezit van kernwapens dus heeft afgezworen door dit verdrag te ratificeren en wettelijk verplicht is om al zijn nucleaire activiteiten en kernmateriaal te melden bij en onder controle te stellen van het Internationaal Atoomenergie-agentschap (IAEA),

G.     overwegende dat in artikel IV van het non-proliferatieverdrag is vastgelegd dat alle partijen bij het verdrag het onvervreemdbare recht hebben om het onderzoek, de productie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen zonder onderscheid en in overeenstemming met de artikelen I en II van het verdrag,

H.     overwegende dat Iran al bijna 20 jaar in het verborgene werkt aan een kernprogramma, wat in strijd is met zijn uitdrukkelijke verplichtingen voortvloeiende uit het non-proliferatieverdrag,

I.       overwegende dat Iran de bouw van een uraniumverrijkinginstallatie bij de stad Qom tot 21 september 2009 verborgen heeft gehouden en daarmee de bepalingen heeft overtreden van de herziene Code 3.1 van het IAEA alsmede talloze resoluties van de VN-Veiligheidsraad waarin wordt opgeroepen tot volledige stopzetting van zijn verrijkingsactiviteiten,

J.      overwegende dat Iran tot dusverre geen van zijn activiteiten in verband met verrijking, opwerking en zwaar water heeft opgeschort en niet is overgegaan tot ratificatie van de aanvullende protocollen van het NPV, waarop wordt aangedrongen in de resoluties 1696 (2006), 1737 (2006), 1747 (2007), 1803 (2008) en 1835 (2008) van de VN‑Veiligheidsraad, met welke maatregel Iran het vertrouwen in de volstrekt vreedzame aard van zijn kernprogramma zou kunnen herstellen,

K.     overwegende dat het Iraanse parlement, de Majlis, volgens de Iraanse wet gerechtigd is om het aanvullende protocol te ratificeren, maar in die hoedanigheid juist stappen heeft gezet om ratificatie te verhinderen,

L.     overwegende dat voormalige directeur-generaal Muhammed el-Baradei van het Internationaal Atoomenergie-agentschap in zijn verslag van 16 november 2009 opmerkt dat als Iran het aanvullend protocol niet ten uitvoer legt en het IAEA geen bevredigende opheldering geeft over onopgeloste kwesties, het Agentschap geen geloofwaardige garanties kan geven betreffende het ontbreken van niet-gemeld nucleair materiaal en activiteiten op nucleair gebied in Iran, en dat hij er tevens op wijst dat verschillende kwesties nog steeds niet opgehelderd zijn, wat aanleiding geeft tot vragen over de mogelijke militaire dimensies van het Iraanse kernprogramma,

M.    overwegende dat de verwerving van kernwapens door Iran een ernstige bedreiging voor de vrede en veiligheid in de wereld zou zijn, omdat dit het strategische evenwicht in het Midden-Oosten fundamenteel zou veranderen en verstoren en het non-proliferatieverdrag ernstig zou ondermijnen,

N.     overwegende dat Iran door blijft gaan met de ontwikkeling van ballistische rakettechnologie en werkt aan het vermogen om intercontinentale ballistische raketten te lanceren die geschikt zijn om kernkoppen te dragen,

O.     overwegende dat resolutie 1803 (2008) van de VN-Veiligheidsraad oproept tot waakzaamheid bij het aangaan van nieuwe verplichtingen in het kader van financiële overheidssteun voor handel met Iran, en ten aanzien van de activiteiten van financiële instellingen met alle banken die Iran als thuisbasis hebben,

P.     overwegende dat de G8-leiders tijdens hun jaarvergadering van 8 tot 10 juli 2009 in L'Aquila in Italië uiting hebben gegeven aan hun grote bezorgdheid over de proliferatierisico’s van Irans kernprogramma en het feit dat Iran zich blijft onttrekken aan zijn internationale verplichtingen,

Q.     overwegende dat de regering van Iran druk blijft uitoefenen op de autoriteiten van Irak om de bewoners van kamp Ashraf met geweld te verdrijven,

R.     overwegende dat de annulering van het bezoek van een officiële delegatie van het Europees Parlement aan Iran gezien kan worden als bewijs te meer van de wens van de Iraanse autoriteiten om de toegang van buitenlanders tot het land te beperken, zodat zij geen getuige kunnen zijn van hun optreden,

Mensenrechten

1.  veroordeelt nogmaals ten scherpste het blijvende gebruik van politiegeweld waarbij, naar verluidt, is geschoten op ongewapende menigten; betreurt de willekeurige arrestaties van en moorden op demonstranten en vooraanstaande leden van de oppositie door Iraanse veiligheidskrachten en paramilitaire organisaties; dringt er met klem bij de Iraanse autoriteiten op aan de fundamentele burgerrechten en politieke rechten te eerbiedigen, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en de vrijheid van informatie, en een eind te maken aan de onderdrukking van deze rechten;

2.  is diep geschokt over het besluit van de Iraanse autoriteiten om twee jonge mannen, Mohammad Reza Ali`-Zamani en Arash Rahmanpur, op te hangen op beschuldiging van "Moharebeh" (vijandigheid jegens God), maar die alleen verzet aantekenden tegen het regime tijdens de demonstraties na de verkiezingen in juni 2009;

3.  roept op tot de invrijheidstelling van allen die tijdens de recente demonstraties zijn gearresteerd en van leden van de oppositie – studenten, academici, campagnevoerders, journalisten en mensenrechtenactivisten – die in het bredere kader van de recente ongeregeldheden zijn gearresteerd, vaak na zonder waarschuwing van huis of van hun werk opgehaald te zijn; verzoekt de Iraanse autoriteiten het Internationale Comité van het Rode Kruis zonder uitzondering toegang te verlenen tot alle gevangenen;

4.  verzoekt de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN een speciale afgezant uit te zenden om de situatie van de politieke gevangenen te onderzoeken en te verzekeren dat de Iraanse autoriteiten zich houden aan internationale procedurenormen en aan hun wettelijke verplichtingen op het gebied van de mensenrechten;

5.  verzoekt de Iraanse autoriteiten een constructieve dialoog met de oppositie aan te gaan om Iran tot een volledig democratisch land te maken;

6.  veroordeelt het besluit van de Iraanse autoriteiten om contacten met buitenlandse niet-gouvernementele organisaties te verbieden, vooral met organisaties die zich inzetten voor de bescherming van de burgerlijke vrijheden en rechten, en roept hen op dit verbod onmiddellijk in te trekken;

7.  veroordeelt de doodvonnissen en executies in Iran ten scherpste en roept op de doodstraf af te schaffen; is van oordeel dat de beschuldiging van "Moharebeh", een misdaad tegen het islamitische geloof, onaanvaardbaar is;

8.  veroordeelt ten scherpste het besluit van de Iraanse regering om een proces aan te spannen tegen zeven vooraanstaande leden van de Iraanse bahai-gemeenschap; herhaalt zijn oproep tot de Iraanse autoriteiten om te voldoen aan de plicht van de regering om religieuze minderheden te eerbiedigen, en de leden van de bahai-gemeenschap en allen die in Iran vastzitten alleen vanwege hun geloofsovertuiging onmiddellijk vrij te laten;

9.  wenst dat de internationale en alle Iraanse media niets in de weg wordt gelegd om verslag uit te brengen over de gebeurtenissen in Iran; beklemtoont dat alleen onafhankelijke media een helder beeld van de gebeurtenissen kunnen geven;

De nucleaire kwestie

10.    bevestigt andermaal dat het gevaar dat het Iraanse nucleaire programma resulteert in de verspreiding van kernwapens, de EU en de internationale gemeenschap ernstig blijft verontrusten, zoals zeer duidelijk wordt geformuleerd in de resoluties 1696 (2006), 1737 (2006), 1747 (2007), 1803 (2008) en 1835 (2008) van de VN-Veiligheidsraad; wijst er daarom nogmaals op dat Iran onverwijld moet voldoen aan zijn internationale verplichtingen om alle werkzaamheden in verband met verrijking, opwerking en zwaar water op te schorten;

11.    betreurt het dat geen wezenlijke vooruitgang is geboekt bij belangrijke zaken die aanleiding geven tot grote bezorgdheid en verzoekt Iran andermaal zijn nucleaire programma weer doorzichtig te maken door het IAEA volledige, duidelijke en geloofwaardige antwoorden te geven, alle openstaande kwesties met betrekking tot dit programma op te lossen en de verontrusting daarover weg te nemen, ook op punten met een mogelijke militaire dimensie, volledig uitvoering te geven aan de bepalingen van de Comprehensive Safeguard Agreement, met inbegrip van de aanvullende afspraken daarvan, en het aanvullend protocol te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

12.    betreurt het besluit van de Iraanse autoriteiten om een door de P5+1 voorgestelde ontwerpovereenkomst inzake de verrijking tot kernbrandstof van de hand te wijzen, wat betekent dat de onderhandelingen over de nucleaire kwestie stil zijn komen te liggen;

13.    roept Iran op om te bevestigen dat het geen toestemming heeft gegeven voor de bouw van andere niet-gemelde nucleaire installaties, zoals het IAEA eist;

14.    onderschrijft andermaal volledig de resoluties van de VN-Veiligheidsraad die zijn aangenomen krachtens artikel 41 van hoofdstuk VII van het VN-Handvest en die onder meer voorzien in sancties, zolang Iran weigert zijn nucleaire activiteiten op te schorten en deze resoluties na te leven; onderschrijft de bovengenoemde conclusies van de Europese Raad; is verheugd dat de internationale gemeenschap een gezamenlijke aanpak van deze kwestie handhaaft; is ervoor dat de EU het optreden van de VN-Veiligheidsraad steunt als Iran blijft weigeren met de internationale gemeenschap samen te werken bij zijn nucleaire programma, en begroet de bereidheid van de EU om de nodige stappen te zetten om het optreden van de VN-Veiligheidsraad aan te vullen met eigen Europese maatregelen; wenst dat de ministers van Buitenlandse Zaken van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en Duitsland alsmede de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB zich opnieuw buigen over een nieuwe ontwerpresolutie over Iran die voorziet in verdere maatregelen; roept alle EU-lidstaten op om hun contacten met Iran op het gebied van handel en financiën tot een minimum te beperken;

15.    herhaalt zijn standpunt dat een oplossing van het vraagstuk van de huidige nucleaire escalatie mogelijk is; verzoekt de internationale gemeenschap de tweesporenaanpak te handhaven, voorzichtig te proberen Iran over de streep te trekken en te verhinderen dat Iran tijd blijft rekken;

16.    onderstreept het belang van samenwerking met de VS, Rusland, China en niet-gebonden landen om aanvullende concepten te overwegen teneinde met Iran een allesomvattende overeenkomst over zijn nucleaire installaties en het gebruik ervan te sluiten, waarin rekening wordt gehouden met de mogelijke militaire dimensies van Irans nucleaire programma;

Het Ashraf-vluchtelingenkamp

17.    roept de regering van Iran op om een eind te maken aan alle inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Irak met als doel het Ashraf-vluchtelingenkamp te isoleren en de bewoners ervan met geweld te verdrijven,

Betrekkingen tussen de EU en Iran

18.    betreurt het besluit van de Iraanse autoriteiten om geen toestemming te geven voor een bezoek van een delegatie van het Europees Parlement aan Iran om te spreken met vertegenwoordigers van zowel de regering als de oppositie; meent dat dit alleen schade toebrengt aan de betrekkingen tussen de Europese Unie en Iran en ertoe leidt dat het land nog meer geïsoleerd komt te staan van de internationale gemeenschap;

19.    herinnert de Iraanse autoriteiten eraan dat er alleen vruchtbare betrekkingen tussen de Europese Unie en Iran kunnen ontstaan als Iran de fundamentele mensenrechten garandeert en de beginselen van democratie, vrijheid van meningsuiting en de rechtsstaat respecteert, daar dit wordt verlangd van alle landen die politieke en economische betrekkingen met de EU onderhouden; onderstreept dat de mogelijke sluiting van een samenwerkings- en handelsovereenkomst tussen Iran en de EU afhangt van de eerbiediging van deze waarden, de volledige naleving door Iran van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en het IAEA, van objectieve garanties ten aanzien van het vreedzame karakter van zijn kernprogramma en van de stopzetting van de steun van Iran voor het terrorisme;

20.    pleit voor een heronderzoek van de bilaterale betrekkingen met Iran in het algemeen; roept, gezien de rol die de Iraanse revolutionaire garde heeft gespeeld bij het onderdrukken van de protesten na de verkiezingen, het ontwikkelen van het Iraanse programma voor massavernietigingswapens en het bevorderen van het internationale terrorisme, op om deze beweging op de EU-lijst te zetten van terroristische organisaties en personen die met terroristische activiteiten in verband worden gebracht;

21     verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de directeur-generaal van het IAEA, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Raad voor de mensenrechten van de VN en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid