Procedure : 2010/2504(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0082/2010

Ingediende teksten :

B7-0082/2010

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/02/2010 - 9.6
CRE 10/02/2010 - 9.6

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0016

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 144kWORD 74k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0078/2010
3.2.2010
PE432.935v01-00
 
B7-0082/2010

naar aanleiding van een verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Iran


Adrian Severin, Hannes Swoboda, Roberto Gualtieri, Sergio Gaetano Cofferati, Ana Gomes, María Muñiz De Urquiza namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Iran  
B7‑0082/2010

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran,

–   gezien de verklaring van 28 december 2009 van het voorzitterschap van de EU over de recente demonstraties in Iran,

–   gezien de verklaring die de hoge vertegenwoordiger heeft afgelegd namens de Europese Unie op 12 januari 2010 over het proces tegen zeven Baha'i-leiders in Iran,

–  gezien de verklaring van de Europese Raad over Iran van 10/11 december 2009,

–  gezien de op 18 december 2007 en 18 december 2008 aangenomen resoluties 62/149 respectievelijk 63/168 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over een moratorium op de toepassing van de doodstraf,

–  gelet op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle vier door de Islamitische Republiek Iran zijn ondertekend,

–   gezien het statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) en gelet op het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, die door de Islamitische Republiek Iran zijn ondertekend,

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de politieke ontwikkelingen in Iran na de omstreden presidentsverkiezingen van juni 2009 getoond hebben dat er een aanzienlijk potentieel is voor door het volk geleide democratische veranderingen, aangevoerd door het vitale, goed opgeleide en actieve maatschappelijk middenveld van Iran,

B. overwegende dat de aanhoudende vreedzame betogingen tegen de geconstateerde verkiezingsfraude en tegen de door de Islamitische republiek opgelegde ernstige beperkingen van de politieke en civiele rechten en fundamentele vrijheden, vooral de vrijheid van meningsuiting en media, met geweld worden onderdrukt door de regering, met name door de Revolutionaire Garde en de Basij-milities,

C. overwegende dat duizenden vreedzame betogers en dissidenten, onder meer studenten, activisten voor vrouwenrechten, juristen, prominente mensenrechtenverdedigers, journalisten, vakbondsactivisten en hervormingsgezinde geestelijken willekeurig werden gearresteerd in een duidelijke poging critici te intimideren en dissidenten het zwijgen op te leggen; overwegende dat overheidsambtenaren bevestigd hebben dat sedert juni 2009 ten minste 30 betogers bij demonstraties of in de gevangenis gestorven zijn en dat ten minste zeven doden gevallen zijn bij de gevechten op 27 december, de heilige dag van Ashura; overwegende dat het werkelijke aantal dodelijke slachtoffers van door de regering aangestookt geweld waarschijnlijk veel hoger ligt,

D. overwegende dat Mohammad Reza Ali Zamani and Arash Rahmanipour op 28 januari 2010 werden opgehangen door de Iraanse autoriteiten na een oneerlijk proces over vermeend lidmaatschap van de "monarchistische oppositie"; overwegende dat de executie van negen andere terdoodveroordeelden is aangekondigd; overwegende dat Iran een van de hoogste executiecijfers in de wereld heeft; overwegende dat het land de grootste schender is van het verbod op de doodstraf tegen jeugdige delinquenten,

E. overwegende dat veel van de gearresteerden naar verluidt zijn geslagen of gefolterd, en in sommige gevallen seksueel misbruikt, in gevangenissen en geheime detentiecentra; overwegende dat een onderzoek, uitgevoerd door de Majlis van de Islamitische Republiek Iran begin 2010, heeft uitgewezen dat de openbaar aanklager Saeed Mortazavi direct verantwoordelijk was voor het overlijden van ten minste drie gedetineerden ten gevolge van folteringen en verwaarlozing in de gevangenis van Kahrizak, waarvan de rechterlijke macht drie jaar eerder de sluiting had bevolen,

F. overwegende dat vanaf augustus 2009 de rechterlijke macht showprocessen heeft laten opvoeren tegen honderden prominente hervormers en activisten wegens hun vermeende contacten met 'oproerkraaiers' in een poging een 'fluwelen revolutie' uit te lokken; overwegende dat tijdens deze processen vele van deze dissidenten op tv bekentenissen aflegden die kennelijk afgedwongen waren,

G. overwegende dat bovenop de mensenrechtencrisis na de verkiezingen, de veiligheidstroepen systematisch leden van religieuze minderheden, zoals baha'i's, joden en soennieten, geïntimideerd hebben en een campagne van willekeurige arrestaties hebben gevoerd tegen Koerdische, Azerbeidzjaanse, Baluchische en Arabische maatschappelijke organisaties en politieke activisten,

H. overwegende dat de Iraanse regering de Europese landen blijft beschuldigen van inmenging in de Iraanse politieke ontwikkelingen; overwegende dat deze beschuldigingen in de periode na de verkiezingen hebben geleid tot de uitzetting van twee Britse diplomaten, de arrestatie van verschillende Iraanse personeelsleden van de Britse ambassade en de arrestatie van twee Duitse diplomaten wegens hun vermeende rol in betogingen in Iran op de heilige dag van Ashura in december 2009,

I. overwegende dat de regering van Iran zwaar repressief is opgetreden tegen de binnenlandse en buitenlandse media, en zo de toegang tot informatie voor het Iraanse volk ernstig beperkt heeft; overwegende dat een aantal Europese bedrijven technologie hebben geleverd waarmee de verslaggeving over de betogingen in Teheran en andere Iraanse steden kon worden gecensureerd,

J. overwegende dat Iran zich niet heeft gehouden aan de uiterste termijn van eind december om in te gaan op de verzoeken tot openstelling van zijn nucleaire installaties voor de inspecteurs van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie; overwegende dat Iran tot nu toe niets heeft gedaan om het vertrouwen van de internationale gemeenschap in het exclusief vreedzame karakter van zijn nucleair programma te herstellen;

K . overwegende dat de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad op 3 februari 2010 heeft aangekondigd dat Iran klaar is om zijn verrijkt uranium naar het buitenland te sturen voor verdere verrijking,

L. overwegende dat de UNESCO besloten heeft Teheran uit te roepen tot Wereldhoofdstad van de filosofie en de Werelddag van de filosofie 2010 in Teheran te houden,

1. steunt zonder voorbehoud het democratische streven van het Iraanse volk; brengt hulde aan de moed van alle Iraanse mannen en vrouwen die hun fundamentele vrijheden en democratische principes verdedigen door vreedzaam te betogen; gelooft dat deze mensen uitdrukking geven aan hun verlangen om in een maatschappij te leven die vrij is van verdrukking en intimidatie en in vrede leeft met de internationale gemeenschap;

2. herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en het recht van vreedzame vergadering universele mensenrechten zijn die geëerbiedigd moeten worden en dat Iran, als staat die partij is bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, heeft toegezegd deze rechten te eerbiedigen; dringt er in dit verband op aan dat het recht van vreedzame vergadering en de vrijheid van meningsuiting volledig gerespecteerd worden door de Iraanse regering tijdens de demonstraties die zijn aangekondigd voor 11 februari 2010;

3. veroordeelt scherp het gebruik van geweld door de Iraanse regering tegen betogers die hun recht van vrije meningsuiting en van vreedzame vergadering willen uitoefenen; is in dit verband ontzet over de onderdrukking van betogingen na de protesten op de dag van Ashura en tijdens de begrafenis van ayatollah Montazeri; vraagt dat iedereen die is aangehouden voor de vreedzame uitoefening van zijn recht van vrije meningsuiting, vereniging en vergadering, onverwijld en onvoorwaardelijk wordt vrijgelaten;

4. dringt aan op een onderzoek naar en de vervolging van de overheidsambtenaren en leden van de veiligheidstroepen die verantwoordelijk zijn voor het doden, misbruiken, folteren en verkrachten van betogers en gedetineerden;

5. veroordeelt krachtig de recente executies van Mohammed Reza Alizamani en Arash Rahmanipour en de aankondiging van de aanstaande terechtstelling van negen andere personen die in een oneerlijk proces ter dood veroordeeld zijn; drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over de situatie van mensen die beschuldigd worden van - en in sommige gevallen formeel in staat van beschuldiging zijn gesteld wegens - misdaden waarop de doodstraf staat, ofschoon deze mensen alleen maar uiting hebben gegeven aan hun standpunt over de politieke situatie en de mensenrechten in Iran; herhaalt zijn verzoek aan de Iraanse autoriteiten om de doodstraf af te schaffen en om in de tussentijd een moratorium op executies in te stellen, overeenkomstig de oproep in resoluties 62/149 en 63/168 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;

6. betreurt dat de vrijheid van informatie systematisch wordt beperkt door middel van het blokkeren van websites, het verbieden van verslaggeving over niet-toegestane demonstraties en het invoeren van nieuwe beperkingen voor journalisten door hen te verplichten toestemming te vragen voordat zij verslag mogen uitbrengen; veroordeelt met klem het besluit van de Iraanse regering om de Perzische dienst van de BBC te blokkeren;

7. verwelkomt de plannen van de Commissie om een nieuwe tv-zender in het Farsi te financieren; vraagt de Raad en de Commissie te zoeken naar meer mogelijkheden om de democratische veranderingen in Iran te helpen bevorderen in het kader van het instrument voor democratie en mensenrechten of andere instrumenten;

8. roept Europese ondernemingen op aan de Iraanse regering geen technologie te leveren die kan worden gebruikt om de protesten de kop in te drukken, met name technologie waarmee onlinecommunicatie kan worden geïnspecteerd om inhoud te controleren en de bronnen op te sporen van e-mails, VoIP-oproepen en posts naar socialenetwerkensites;

9. vindt dat beschuldigingen inzake buitenlandse inmenging in de Iraanse post-electorale ontwikkelingen ongegrond en onaanvaardbaar zijn; vraagt dat de regering van Iran onverwijld overgaat tot de invrijheidstelling van de twee Duitse diplomaten die gearresteerd zijn voor hun vermeende rol in de protesten op Ashura; vraagt in dit verband dat de Iraanse overheid het Verdrag van Wenen en de diplomatieke normen respecteren;

10. verzoekt de Raad te overwegen de leden van de veiligheidstroepen die verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van de vreedzame betogingen en de mensenrechtenschendingen, op te nemen in de lijst van de personen voor wie een EU-reisverbod en de bevriezing van vermogensbestanddelen geldt;

11. herbevestigt het recht van Iran om kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen in het kader van de bepalingen van de non-proliferatieregeling; neemt kennis van de aankondiging van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad dat Iran klaar is om zijn verrijkt uranium naar het buitenland te sturen voor verdere verrijking; hoopt dat deze aankondiging zal worden gevolgd door concrete stappen om de bezorgdheid over zijn nucleair programma te temperen, overeenkomstig de voorschriften van de IAEA;

12. steunt de tweeledige aanpak inzake het nucleaire programma van Iran; dringt er andermaal bij Iran op aan zich onverkort en onverwijld te voegen naar zijn verplichtingen uit hoofde van de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de IAEA, en met name te voldoen aan de vereisten in de door de Raad van Beheer van de IAEA opgestelde resolutie van 27 november 2009; dringt er bij de Raad op aan steun te verlenen aan acties van de VN-Veiligheidsraad indien Iran blijft weigeren samen te werken met de internationale gemeenschap inzake zijn nucleair programma; roept de Raad op paraat te zijn om de nodige 'intelligente', gerichte en op nonproliferatie toegespitste maatregelen te nemen om dit proces van de VN-Veiligheidsraad te begeleiden;

13. roept de Raad op bereid te blijven het gesprek met Iran aan te gaan om, rekening houdend met de legitieme veiligheidsbelangen en -zorgen van Iran, door middel van onderhandelingen tot een oplossing te komen voor de nucleaire kwestie, evenals voor regionaleveiligheidskwesties, mocht Iran concrete besluiten in die richting nemen; wijst erop dat een dergelijk engagement geen afbreuk mag doen aan de bevordering van de democratie en de mensenrechten in Iran; is ervan overtuigd dat een democratisch en sterk Iran een cruciale rol zou kunnen vervullen bij het brengen van stabiliteit en vrede in de regio;

14. vraagt de UNESCO dat zij haar besluit om de Wereldfilosofiedag 2010 in Teheran te houden, opnieuw bekijkt alsook haar steun aan het voorstel van de Italiaanse UNESCO-commissie om de nominatie van Teheran als organiserende stad voor dit initiatief te behouden en dat zij in plaats daarvan relevante activiteiten organiseert in andere hoofdsteden en zodoende een krachtig signaal uitstuurt om het gebrek aan vrijheid van meningsuiting in Iran te benadrukken;

15. betreurt het besluit van de Iraanse regering om het bezoek van een delegatie van het Europees Parlement aan Iran te annuleren; meent dat een dergelijk bezoek zou kunnen bijdragen aan de politieke dialoog tussen de EU en Iran, mits de delegatie het mandaat en de gelegenheid heeft de regering, de oppositie, mensenrechtenactivisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te ontmoeten;

16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de VN-Mensenrechtenraad en de regering en de Majlis van de Islamitische Republiek Iran.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid