Ontwerpresolutie - B7-0407/2010Ontwerpresolutie
B7-0407/2010

    ONTWERPRESOLUTIE over het door IJsland aangevraagde lidmaatschap van de Europese Unie

    28.6.2010

    naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Cristian Dan Preda namens de Commissie buitenlandse zaken


    Procedure : 2010/2746(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0407/2010
    Ingediende teksten :
    B7-0407/2010
    Aangenomen teksten :

    B7‑0407/2010

    Resolutie van het Europees Parlement over het door IJsland aangevraagde lidmaatschap van de Europese Unie

    Het Europees Parlement,

    –   gelet op de verordening van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2010 waarin IJsland wordt toegevoegd aan de lijst van landen die in aanmerking komen voor aan toetreding voorafgaande steun van de EU om kandidaat-lidstaten te helpen zich aan te passen aan de Europese wetgeving,

    –   gezien het advies van de Commissie inzake het door IJsland aangevraagde lidmaatschap van de Europese Unie (SEC(2010) 153),

    –   gezien het besluit van de Europese Raad van 17 juni 2010 om toetredingsonderhandelingen met IJsland te starten,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 november 2009 over het uitbreidingsstrategiedocument voor 2009 van de Commissie met betrekking tot de landen van de westelijke Balkan, IJsland en Turkije[1],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 februari 2010 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) (COM(2009)0588 – C7-0279/2009 – 2009/0163(COD))[2],

    –   gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie over het door IJsland aangevraagde lidmaatschap van de Europese Unie

    –   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat in artikel 49 van het EU-Verdrag is bepaald dat "elke Europese staat […] kan verzoeken lid te worden van de Unie",

    B.  overwegende dat de voortgang op weg naar lidmaatschap van de EU gebaseerd is op verdienste en afhankelijk is van de inspanningen die een land zich getroost om te voldoen aan de toetredingsnormen, en dat het opnemingsvermogen van de Unie eveneens in acht moet worden genomen,

    C. overwegende dat IJsland op 17 juli 2009 het lidmaatschap van de Europese Unie heeft aangevraagd,

    D. overwegende dat de Commissie op 24 februari 2010 haar advies heeft ingediend waarin zij de aanbeveling doet toetredingsonderhandelingen met IJsland op gang te brengen,

    E.  overwegende dat het, daar voorgaande uitbreidingen ongetwijfeld geslaagd zijn voor de EU en de toegetreden lidstaten en hebben bijgedragen tot stabiliteit, ontwikkeling en welvaart voor Europa als geheel, van wezenlijke betekenis is dat de voorwaarden worden geschapen die noodzakelijk zijn om het toetredingsproces van IJsland af te ronden en ervoor te zorgen dat de toetreding van dat land eveneens een succes wordt overeenkomstig de normen van Kopenhagen,

    F.  overwegende dat de betrekkingen tussen IJsland en de EU teruggaan tot 1973, toen een bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de twee partners werd gesloten,

    G. overwegende dat IJsland reeds nauw met de EU samenwerkt als lid van de Europese Economische Ruimte (EER) en ondertekenaar van de overeenkomsten van Schengen en de Dublin-verordening, en dus reeds een beduidend deel van de Europese regelgeving heeft aangenomen,

    H. overwegende dat IJsland beschikt over een stevig verankerde democratische traditie en een hoge mate van aansluiting op de Europese regelgeving,

    I.   overwegende dat IJsland sinds 1994 via het Financieel Mechanisme in het kader van de EER een belangrijke bijdrage levert tot Europese samenhang en solidariteit,

    J.   overwegende dat IJsland als vanouds niet-militaristisch land momenteel met civiel vermogen bijdraagt aan vredeshandhavingsmissies van de EU en zich regelmatig opstelt overeenkomstig het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de EU,

    K. overwegende dat IJsland en de IJslanders ernstig zijn getroffen door de financiële en economische wereldcrisis die er in 2008 toe heeft geleid dat het IJslandse stelsel van banken ineen is gestort,

    L.  overwegende dat de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van Nederland in juni en oktober 2009 twee overeenkomsten met de regering van IJsland hebben ondertekend over de voorwaarden voor de terugbetaling van een lening van EUR 1,3 mia. door Nederland en van GBP 2,4 mia. door het Verenigd Koninkrijk; overwegende dat de overeenkomst van oktober na een op 6 maart 2010 gehouden volksraadpleging is verworpen en dat de betrokken partijen naar verwachting een nieuwe overeenkomst zullen bereiken met betrekking tot uitbetalingen waarvoor het IJslandse programma voor waarborging van gestorte bedragen verantwoordelijk was,

    M. overwegende dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (ESA) in haar aanmaningsbrief van 26 mei 2010 heeft verklaard dat IJsland verplicht is de betaling van de minimumvergoeding te waarborgen aan degenen die in het Verenigd Koninkrijk en Nederland geld hebben gestort op Icesave-rekeningen,

    N. overwegende dat de publieke opinie en de politieke partijen in IJsland verdeeld zijn over de kwestie van het EU-lidmaatschap; overwegende dat de publieke opinie ten aanzien van EU-lidmaatschap tegen de achtergrond van de politieke en economische crisis sinds medio 2009 duidelijk in negatieve zin is veranderd,

    Politieke criteria

    1.  is verheugd over het besluit van de Europese Raad om toetredingsonderhandelingen met IJsland te beginnen;

    2.  waardeert het vooruitzicht een land met een krachtige democratische cultuur als nieuwe lidstaat op te nemen; wijst er in dit verband met nadruk op dat de toetreding van IJsland ten goede kan komen aan het land en aan de EU en de rol van de EU als mondiaal bevorderaar en verdediger van mensenrechten en fundamentele vrijheden verder zal consolideren;

    3.  wijst op de uitstekende samenwerking tussen de leden van het Europees Parlement en de leden van het Althing in het kader van het Gemengd Parlementair Comité van de EER en verwacht een even vruchtbare samenwerking in de nieuwe Gemengde Parlementaire Commissie EU-IJsland die zal worden opgericht nadat de toetredingsonderhandelingen van start zijn gegaan;

    4.  spreekt met name zijn waardering uit voor het IJslandse Initiatief voor Moderne Media, dat IJsland en de EU in staat stelt een sterke positie in te nemen met betrekking tot de wettelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting en informatie;

    5.  verzoekt de IJslandse autoriteiten het verschil aan te pakken dat momenteel tussen EU-burgers wordt gemaakt met betrekking tot hun actief en passief stemrecht tijdens plaatselijke verkiezingen in IJsland

    6.  wijst erop dat het rechtsstelsel van het kandidaat-land volgens de nieuwe uitbreidingsstrategie van de EU een van de sectoren is waarop de EU in het bijzonder let, zelfs aan het begin van de fase vóór toetreding; is van mening dat de regering van IJsland overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie van Venetië de nodige maatregelen moet nemen ter waarborging van de gerechtelijke macht door op adequate wijze het probleem aan te pakken van de overheersende rol die bij de benoeming van rechters, openbaar aanklagers en rechterlijke autoriteiten op het hoogste niveau, wordt toegekend aan de minister van Justitie en mensenrechten; vertrouwt erop dat de IJslandse autoriteiten de noodzakelijke veranderingen aanbrengen;

    7.  moedigt IJsland aan het VN-Verdrag tegen corruptie en het Verdrag inzake burgerrechtelijke samenwerking ter bestrijding van corruptie van de Raad van Europa te ratificeren;

    8.  looft de goede prestaties die IJsland levert op het gebied van mensenrechten; verzoekt de IJslandse instanties echter het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden van de Raad van Europa en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te ratificeren;

    9.  moedigt IJsland aan de aanbevelingen die OVSE-ODIHR in 2008 heeft gedaan inzake haatdelicten op te volgen;

    Economische criteria

    10. stelt vast dat IJsland in het algemeen een bevredigende staat van dienst heeft voor wat betreft de tenuitvoerlegging van zijn EER-verplichtingen en zijn vermogen weerstand te bieden aan concurrentiedruk en marktkrachten in de EU; constateert echter dat verdere inspanningen nodig zijn om zich aan de algemene beginselen aan te passen en te zorgen voor een volledige tenuitvoerlegging van de Europese regelgeving op de terreinen conformiteitsbeoordeling, accreditatie en markttoezicht; neemt kennis van de aanmaningsbrief van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (ESA) d.d. 26 mei 2010 aan de IJslandse regering, waarmee de eerste stap wordt gezet in een inbreukprocedure wegens niet-naleving van de verplichting uit hoofde van de EER-overeenkomst tot uitvoering van de EU-richtlijn inzake garantiestelsels voor bankdeposito’s (94/19/EG), en spreekt zijn waardering uit voor de door de IJslandse regering getoonde bereidheid de Icesave-onderhandelingen zo spoedig mogelijk af te ronden;

    11. spreekt zijn waardering uit voor het beleid de IJslandse economie verder te diversifiëren als noodzakelijke stap voor het economische welzijn van het land op lange termijn;

    12. wijst erop dat het milieu voor de EU voorrang heeft en spreekt zijn waardering uit voor de sterke betrokkenheid van IJsland bij het milieubeleid;

    13. stelt vast dat belastingconsolidatie een belangrijk probleem blijft, maar dat IJsland bemoedigende tekenen van economische stabilisatie vertoont; is van mening dat de monetaire maatregelen die tot dusverre zijn genomen in de juiste richting gaan ter versteviging van de financiële en economische stabiliteit;

    14. spreekt zijn waardering uit voor het verslag van de Bijzondere Onderzoekscommissie dat wellicht bijdraagt tot wederopbouw van het nationaal vertrouwen; moedigt maatregelen aan in aansluiting op de werkzaamheden van de Commissie om de dringende politieke, economische en institutionele tekortkomingen aan te pakken die in dit verslag worden beschreven;

    15. spreekt er zijn waardering voor uit dat de koepelorganisatie van IJslandse pensioenfondsen (IFPA) heeft ingestemd met een onafhankelijk onderzoek naar de werkmethoden en het investeringsbeleid van pensioenfondsen in de periode voorafgaande aan de economische ineenstorting;

    16. dringt aan op een bilaterale overeenkomst over de regelingen voor de terugbetaling van leningen met een totaalbedrag van EUR 3,9 mia. aan de regeringen van het VK en Nederland; wijst erop dat via een overeenkomst die voor alle partijen aanvaardbaar is het vertrouwen zal worden hersteld in het vermogen van IJsland om aan zijn verplichtingen te voldoen, waaronder eerbiediging van alle verplichtingen uit hoofde van de EER-overeenkomst, en dat aldus de steun van de burgers voor het toetredingsproces van IJsland in dat land en in de EU zal toenemen;

    17. neemt kennis van de wens van IJsland toe te treden tot de eurozone, die kan worden verwezenlijkt na toetreding tot de EU en wanneer is voldaan aan alle noodzakelijke voorwaarden;

    18. spreekt zijn waardering uit voor de tweede herziening van de stand-by-overeenkomst van het IMF ter stabilisatie van de munt, herstructurering van de banksector en consolidatie van de belastingen;

    19. is verontrust over de hoge werkloosheid en inflatie van IJsland, maar stelt vast dat er de laatste tijd tekenen van verbetering zijn;

    20. looft de hoge investeringspercentages van IJsland in de sectoren onderwijs, onderzoek en ontwikkeling;

    Vermogen de verplichtingen van het lidmaatschap na te komen

    21. stelt vast dat IJsland als lid van de EER reeds in hoge mate voldoet aan de eisen van 10 van de hoofdstukken waarover worden onderhandeld, ten dele aan 11 hoofdstukken en dat er slechts 12 hoofdstukken over zijn die niet onder de EER vallen en waarover integraal moet worden onderhandeld; wijst erop dat de Commissie heeft benadrukt dat IJsland serieuze pogingen in het werk moet stellen zijn wetgeving in een aantal sectoren in overeenstemming te brengen met de Gemeenschapswetgeving, en op middellange termijn moet zorgen voor daadwerkelijke tenuitvoerlegging en handhaving om te voldoen aan de toetredingsnormen; wijst erop dat naleving van de IJslandse verplichtingen in het kader van de EER en van de overeenkomst uit hoofde waarvan IJsland wordt betrokken bij tenuitvoerlegging, toepassing en ontwikkeling van het Schengen-acquis, belangrijke eisen vormen in het kader van de toetredingsonderhandelingen;

    22. verzoekt de IJslandse autoriteiten de voornaamste institutionele zwakke punten van de IJslandse economie aan te pakken, met name de opzet en werking van het systeem van financieel toezicht en het depositogarantiestelsel;

    23. moedigt IJsland aan een landbouw- en plattelandsbeleid vast te stellen dat aansluit op het EU-beleid, en de bestuursrechtelijke structuren aan te brengen die vereist zijn om dit beleid ten uitvoer te leggen; wijst er in dit verband op dat in het EU-beleid rekening moet worden gehouden met de bijzondere aard van milieu en natuur in IJsland, en met de geografische afstand van het land tot het Europese vasteland;

    24. verzoekt de Commissie de IJslandse autoriteiten te betrekken bij de huidige gesprekken over de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

    25. erkent dat IJsland zijn visstanden verantwoordelijk en duurzaam beheert en verwacht van zowel de EU- als de IJslandse autoriteiten een constructieve opstelling tijdens de onderhandelingen over eis dat IJsland het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) overneemt, zodat als resultaat van de onderhandelingen een voor beide partijen bevredigende oplossing op basis van optimale werkmethoden tot stand komt, die bescherming biedt aan de belangen van zowel vissers als consumenten in de EU en in IJsland;

    26. moedigt IJsland aan op het gebied van visserijbeleid maatregelen te nemen waardoor het land de overstap kan maken naar invoering van het GVB;

    27. stelt vast dat IJsland door zijn ervaring met duurzame energie, met name energie uit aardwarmte, een waardevolle bijdrage kan leveren tot het milieu- en energiebeleid van de EU, de bescherming van het milieu en de bestrijding van de klimaatverandering;

    Regionale samenwerking

    28. beschouwt de toetreding van IJsland tot de EU – voor zover deze de Europese aanwezigheid in de Arctische Raad steviger zal verankeren - als een strategische kans voor de EU om een actievere rol te spelen in, en bij te dragen tot, multilateraal bestuur van het Noodpoolgebied,

    29. spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de EU door de toetreding van IJsland de Noord-Atlantische dimensie van het buitenlands beleid van de Unie zou uitbreiden,

    Publieke opinie en steun voor uitbreiding

    30. moedigt de IJslandse autoriteiten aan een grootschalig openbaar debat over de toetreding tot de EU op gang te brengen en vanaf het begin het maatschappelijk midden bij dit proces te betrekken, zodat wordt ingegaan op de bezorgdheid onder de burgers van IJsland over het lidmaatschap van de EU en er rekening mee wordt gehouden dat voor geslaagde onderhandeling een nadrukkelijk engagement moet bestaan; verzoekt de Commissie aan de IJslandse autoriteiten desgevraagd de materiële en technische steun te bieden om hen te helpen de doorzichtigheid en verantwoordingsplicht inzake het toetredingsproces op te voeren en in het gehele land een degelijke en grootschalige voorlichtingscampagne op te zetten over de gevolgen van het lidmaatschap van de EU, zodat de IJslandse burgers in het toekomstige referendum over toetreding met kennis van zaken hun keuze kunnen bepalen;

    31. is van mening dat het van centrale betekenis is dat de EU-burgers heldere en volledige informatie krijgen over de gevolgen van toetreding van IJsland verzoekt de Commissie en de lidstaten hierop toe te zien, acht het even belangrijk te luisteren naar en te reageren op de verontrusting en de vragen van burgers;

    32. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de voorzitter van het Althing en de regering van IJsland.