Procedure : 2010/2842(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0504/2010

Ingediende teksten :

B7-0504/2010

Debatten :

PV 07/09/2010 - 11
CRE 07/09/2010 - 11

Stemmingen :

PV 09/09/2010 - 5.2
CRE 09/09/2010 - 5.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0312

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 158kWORD 84k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0493/2010
6.9.2010
PE446.587v01-00
 
B7-0504/2010

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de situatie van de zigeuners/Roma in Europa


Hélène Flautre, Nicole Kiil-Nielsen, Margrete Auken, Reinhard Bütikofer, Marije Cornelissen, Karima Delli, Franziska Keller, Jean Lambert, Barbara Lochbihler, Ulrike Lunacek, Raül Romeva i Rueda, Keith Taylor, Bart Staes, Catherine Grèze, Heidi Hautala, Malika Benarab-Attou namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de zigeuners/Roma in Europa  
B7‑0504/2010

Het Europees Parlement,

–   gezien het internationaal humanitair recht, meer in het bijzonder het internationaal verdrag tot uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, de VN-verklaring van 1992 over de persoonsrechten van nationale of etnische, godsdienstige en taalminderheden, de overeenkomst tot uitbanning van alle vormen van discriminatie van de vrouw, en de VN-overeenkomst over de rechten van het kind,

–   gezien de Europese overeenkomsten tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, meer in het bijzonder de Europese conventie voor de bescherming van de rechten van de mens en de overeenkomstige rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens, het Europees sociaal handvest en de overeenkomstige aanbevelingen van het Europees comité voor sociale rechten, en de kaderovereenkomst van de Raad van Europa tot bescherming van de nationale minderheden,

–   gelet op artikel 2, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 18, 19 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meer in het bijzonder artikel 21 (non-discriminatie) en 45 (vrijheid van verkeer en verblijf),

–   gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, meer in het bijzonder op de definities van directe en indirecte discriminatie, en Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden,

–   gezien de mededeling van de Commissie over de sociale en economische integratie van de Roma (COM(2010)0133) en de verslagen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–   gezien Verordening (EU) nr. 437/2010 van 19 mei 2010 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling wat betreft de subsidiabiliteit van huisvestingsprojecten voor gemarginaliseerde gemeenschappen,

–   gezien de aanbevelingen van de VN-commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie op haar 77ste vergadering (2-27 augustus 2010) aan het adres van Denemarken, Estland, Frankrijk, Roemenië en Slovenië,

–   gezien het verslag van de Raad van Europa, het 4de verslag van de Europese commissie tegen racisme en onverdraagzaamheid (Ecri) over Frankrijk, gepubliceerd op 15 juni 2010,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 januari 2009 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie 2004-2008,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties, onder meer over de zigeuners/Roma, racisme en vreemdelingenhaat, bestrijding van discriminatie en de vrijheid van verkeer, meer in het bijzonder die van 31 januari 2008 over een Europese Roma-strategie, 10 juli 2008 over de telling van Roma op grond van volksverwantschap in Italië, en 25 maart 2010 over de tweede Europese Roma-top,

–   gelet op artikel 110 lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Franse regering op een spoedberaad van 28 juli, belegd om "de problemen als gevolg van het gedrag van bepaalde woonwagenbewoners en Roma" te bespreken, na de dood van een woonwagenbewoner (van Franse nationaliteit) door het optreden van een poluitie-agent en de ongeregeldheden die daarop uitgebroken zijn, besloten heeft dat ongeveer 300 onregelmatige kampementen van zigeuners/Roma en woonwagenbewoners binnen de drie maanden gesloten worden en dat de zigeuners/Roma naar hun land van herkomst uitgezet worden, vooral naar Roemenië en Bulgarije,

B.  overwegende dat de Franse autoriteiten stellen dat er een "vrijwillige" en "humanitaire" repatriëring tegen compensatie van 300 EUR per volwassene en 100 EUR per kind plaatsgevonden heeft, terwijl de pers bericht en de VN-commissie voor rassendiscriminatie vaststelt dat "niet alle personen vrijwillig hun volledige instemming" gegeven of hun rechten begrepen hebben, en sommige zigeuners/Roma verklaren dat ze met arrestatie of gedwongen uitzetting bedreigd zijn als ze “vrijwillige” repatriëring zouden weigeren, terwijl de handelwijze van de overheid – door het scheiden van mannen van vrouwen en kinderen - ook ernstige kritiek gekregen heeft, en de ontvangers van de repatriëringspremie een formulier hebben moeten ondertekenen en hun vingerafdrukken hebben moeten laten nemen om te voorkomen dat ze naar Frankrijk terugkeren;

C. overwegende dat woonwagenbewoners omdat ze geen werk in het regelmatig arbeidscircuit vinden en te weinig middelen hebben, zich dikwijls niet in hun woonplaats laten inschrijven,

D. overwegende dat 95 % van de bijna 400 000 zigeuners in Frankrijk de Franse nationaliteit hebben, en dat Frankrijk al jaren lang zigeuners aan het uitwijzen is, o.a. bijna 10 000 in 2009 en al meer dan 8000 dit jaar,

E.  overwegende dat er op 19 augustus 86 zigeuners/Roma naar Roemenië en Bulgarije gerepatrieerd zijn, op 20 augustus rond de 130 en op 26 augustus rond de 300, en dat de regering de repatriëring van ongeveer 800 Roma voor eind augustus aangekondigd heeft,

F.  overwegende dat de Franse regering ook verklaart dat Roemenië en Bulgarije zonder integratie van de Roma-minderheid in maart niet tot het Schengen-gebied kunnen toetreden als ze hun verantwoordelijkheid tegenover de Roma niet op zich nemen, hetgeen in tegenspraak is met de positieve technische beoordeling van de betreffende beleidsvoering van Roemenië en Bulgarije, die door alle lidstaten in de werkgroep-Schengen onderschreven is, en dat ook de Europese Commissie een voorstel van de Franse regering in die zin van de hand wijst;

G. overwegende dat de Franse regering, ondanks het feit dat haar maatregelen algemene kritiek opgeroepen hebben, op nationaal, Europees en internationaal niveau, van ngo's, regeringen, instellingen en religieuze leiders en organisaties, meer in het bijzonder de Verenigde Naties, de Raad van Europa en EU-organen, met de uitzettingen voortgegaan is en daarbij alleen de steun van de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken gekregen heeft, die in het verleden soortgelijke maatregelen voorgesteld en uitgevoerd heeft,

H. overwegende dat de uitzettingen tegen de achtergrond van verklaringen van vooraanstaanden in de Franse regering plaatshebben, die een verband tussen Roma, immigranten en criminaliteit laten veronderstellen, en dat er ook voorstellen zijn om elke persoon van vreemde oorsprong die het leven van een politieagent in gevaar brengt, de Franse nationaliteit af te nemen;

I.   overwegende dat de rechtmatigheid van de recente uitzettingen van zigeuners/Roma door Franse nationale rechtbanken in twijfel getrokken is, gezien de onevenredige interpretatie van het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ door de Franse overheden in hun verantwoording van uitzettingen om geen andere redenen als onwettige bezetting van een stuk grond,

J.   overwegende dat de Franse autoriteiten de ministers van Binnenlandse Zaken van Italië, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Griekenland, en later ook België en de Europese Commissie, samen met Canada en de Verenigde Staten, voor overleg in september in Parijs uitgenodigd hebben om aangelegenheden in verband met "immigratie" en vrij verkeer te bespreken die onder de bevoegdheid van de Europese Unie vallen, terwijl de andere lidstaten niet uitgenodigd zijn, en dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken aankondigt dat hij op strengere EU-regels voor immigratie en vrij verkeer wil aandringen, vooral voor zigeuners/Roma,

K. overwegende dat vrij verkeer een fundamenteel recht is dat in de EU-verdragen verankerd is en door Richtlijn 2004/38/EG geregeld wordt, waar de Commissie een verslag over opgesteld heeft en die van richtsnoeren voor correcte toepassing door de lidstaten voorzien is,

L.  overwegende dat het EU-trio in de gezamenlijke slotverklaring van de 2de Europese Roma-top van 8 en 9 april 2010 in Cordoba de volgende verbintenissen aangaat :

· dat het de horizontale integratie van Roma-aangelegenheden in het Europees en nationaal beleid voor de grondrechten en tot bescherming tegen racisme, armoede en sociaal isolement wil aanmoedigen,

· dat het het stappenplan van het Geïntegreerd Europees Platform voor de integratie van Roma in zijn opzet wil verbeteren en prioritaire centrale doelstellingen en resultaten wil vastleggen,

· dat het erop wil toezien dat de bestaande financiële instrumenten van de Europese Unie, vooral de structuurfondsen, de Roma ter beschikking staan,

M. overwegende dat uitzetting van Roma als zodanig een ernstige schending van de Europese waarden op het vlak van de mensenrechten en fundamentele vrijheden betekent en tegen de toezeggingen van de lidstaten op de 2de Europese Roma-top indruist, om de integratie van de Roma te bevorderen,

N. overwegende dat de Commissie de plicht heeft om te zorgen dat de EU-verdragen en het EU-recht, de mensenrechten en fundamentele vrijheden in de Europese Unie geëerbiedigd, beschermd en verdedigd worden en dat ze tegen duidelijke schendingen onmiddellijk en krachtig stelling moet nemen zodra ze zich voordoen,

O. overwegende dat Duitsland de repatriëring van ongeveer 12 000 Roma, waarvan de helft kinderen, naar Kosovo voorbereidt, o.a. ook kinderen die in Duitsland geboren zijn, ondanks de oproep van Unicef en de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa aan de West-Europese landen om geen Roma meer onder dwang naar Kosovo terug te sturen; dat een aantal van de bedreigde groepen zelfs in kampen in het noorden van Mitrovica terechtgekomen zijn, waar de bodem met lood vergiftigd is en de verblijfsvoorwaarden levensgevaarlijk zijn; dat Zweden ongeveer 50 Roma wegens "bedelen" teruggestuurd heeft, hoewel bedelen in Zweden niet verboden is, en dat andere landen een soortgelijk beleid voeren en Denemarken in juli een aantal Roma zonder vorm van proces uitgewezen heeft,

1.  veroordeelt met alle kracht de uitwijzingsmaatregelen van de Franse overheid en die van andere lidstaten tegen zigeuners/Roma en woonwagenbewoners, dringt erop aan dat ze op staande voet alle uitwijzingen van zigeuners/Roma stopzetten, en vraagt de Europese Commissie, de Raad en de lidstaten om met dezelfde oproep tussenbeide te komen;

2.  onderstreept dat de bewuste maatregelen schendingen van de EU-verdragen en het EU-recht betekenen, aangezien ze op discriminatie volgens ras en volksverwantschap neerkomen, en een overtreding van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden vertegenwoordigen, omdat collectieve uitzettingen volgens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden verboden en onder geen enkele omstandigheid te aanvaarden zijn;

3.  wijst erop dat Richtlijn 2004/38 uitzetting van EU-burgers aan zeer duidelijk omschreven grenzen bindt: uitzettingsbesluiten moeten afzonderlijk beoordeeld en vastgesteld worden en rekening met de persoonlijke omstandigheden houden (artikel 28); er gelden procedurele waarborgen (artikel 30); de toegang tot gerechtelijke en administratieve beroepsprocedures met opschortende werking moet gewaarborgd zijn (artikel 31); onredelijke belasting voor de sociale bijstand is op zich geen voldoende motivering voor automatische uitzetting (overweging 16 en artikel 14); vrij verkeer en verblijf mogen om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid beperkt worden, maar die redenen mogen niet voor economische doeleinden aangevoerd worden, en de vrijheidsbeperking moet evenredig zijn en mag uitsluitend met het persoonlijk gedrag van betrokkene en niet met algemene preventieve overwegingen verantwoord worden (artikel 27); de sancties van de de lidstaten moeten doeltreffend en redelijk zijn (artikel 36);

4.  merkt op dat de uitzettingen specifiek tegen de Roma-gemeenschap als gevaar voor de openbare orde en veiligheid en belasting voor de sociale bijstand gericht waren, en in een bijzonder korte tijdspanne en op zodanige wijze uitgevoerd zijn dat er openbare stigmatisering plaatsgevonden heeft en dat er geweld en intimidatie aan te pas gekomen zijn; dat er in dergelijke omstandigheden geen redelijke en zorgvuldige individuele beoordeling mogelijk is, en dat de procedurele waarborgen niet gewaarborgd en toegepast zijn, dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is en de maatregelen wellicht voor economische doeleinden of om algemene preventieve redenen genomen zijn; dat de richtlijn geen procedure kent om EU-burgers met bijstand of vrijwillig en tegen economische "vergoeding" naar hun lidstaat van herkomst te laten terugkeren, hetgeen ook strijdig met de letter en de geest van de verdragen zou zijn, aangezien vrij verkeer een fundamenteel en onvervreemdbaar recht is dat niet gekocht of verkocht kan worden, en dat zo'n procedure tot discriminatie tussen EU-burgers zou leiden;

5.  dringt er bij de lidstaten op aan dat ze zich strikt aan hun verplichtingen volgens de Europese regelgeving houden en inkonsekwenties in de toepassing van de richtlijn vrij verkeer wegnemen;

6.  onderstreept verder dat vingerafdrukken van de uitgezette Roma nemen illegaal en strijdig met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 21 § 1 en 2), de verdragen en het EU-recht is, meer in het bijzonder Richtlijn 38/2004/EG en 2000/43/EG, en discriminatie op grond van volksverwantschap of land vanherkomst betekent;

7.  deelt de zienswijze van de Europese commissaris voor justitie op “de verklaringen die de laatste weken in een aantal lidstaten te horen geweest zijn", die "openlijk discriminerend en voor een deel opruiend" zijn, en zijn oproep voor “zorgvuldige en verantwoordelijke” behandeling van de integratie van zigeuners/Roma door het beleid, en verwerpt opruiende uitspraken die minderheden en immigranten met misdadig gedrag in verbinding brengen, omdat ze de negatieve beeldvorming laten voortduren die tot stigmatizering en discriminatie van zigeuners/Roma bijdraagt;

8.  benadrukt het belang van onderwijs om verschillende culturen te leren aanvaarden, en de negatieve gevolgen van discriminatie en vooroordelen; wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke integratie zowel bij de zigeuners/Roma als de dominerende samenleving ligt, die zich beide voor wederzijdse integratie moeten inspannen voordat er sociale harmonie kan onstaan;

9.  verheugt zich over de verklaring van 25 augustus van de Europese commissaris voor justitie, grondrechten en burgerschap, die haar "bezorgdheid" over de uitzetting van Roma uit Frankrijk uitspreekt, erop wijst dat "niemand uitgewezen mag worden louter en alleen omdat hij Rom is", en alle lidstaten oproept om zich aan "de gemeenschappelijke EU-regels voor vrij verkeer en non-discriminatie en de gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie” te houden, een “gemeenschap van waarden en grondrechten”, en vooral de grondrechten te eerbiedigen, “ook de rechten van personen die tot een minderheid behoren";

10. verlangt dat de Commissie onverwijld optreedt om de EU-Verdragen en het EU-recht te laten naleven, meer in het bijzonder door de lidstaten te vragen om de uitzetting van Roma onmiddellijk stop te zetten, omdat het onderzoek naar de wettigheid van de uitwijzingen nog niet afgesloten is;

11. verheugt zich over de "volledige analyse" van de situatie in Frankrijk zoals aangekondigd door de commissaris en het onderzoek naar de verenigbaarheid van de Franse maatregelen met het EU-recht, naast de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de Franse autoriteiten en de workshop die door de voorzitter van de Commissie en de Franse autoriteiten voorgesteld is, en wenst erbij betrokken te worden; wenst dat alle lidstaten op dezelfde manier begeleid worden en dringt er bij de Europese Commissie op aan om in haar analyse niet alleen van gedachtewisselingen met de overheidsdiensten, maar ook van diepgaande raadplegingen van belanghebbende ngo’s en vertegenwoordigers van de zigeuners/Roma zelf uit te gaan;

12. herhaalt zijn oproep aan de Europese Commissie voor een algemene Europese strategie voor de Roma met “concrete en toekomstgerichte maatregelen om de sociale integratie van Roma te verbeteren” en “maatregelen voor huisvesting, toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs en gezondheidszorg”, om de situatie van de Roma te helpen verbeteren; vraagt de Europese Commissie, de Raad, de lidstaten en de regionale en plaatselijke overheden om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de zigeuners/Roma op zich te nemen en de algemene strategie op hun eigen niveau te helpen uitvoeren;

13. wijst erop dat het vrij verkeer van burgers een EU-aangelegenheid is en dat de kwestie bijgevolg gezien het beginsel van loyale samenwerking in de EU-structuren te bespreken is, en niet in besloten bijeenkomsten waar alleen de regeringen van bepaalde lidstaten voor uitgenodigd worden; spreekt zijn diepe verontrusting over de bedoeling van dergelijke besloten bijeenkomsten uit, die de draagwijdte van het Europees burgerschap en de verwezenlijking van het vrij verkeer van de burger in gevaar brengen;

14. vraagt de belanghebbende lidstaten om hun achterstand in de bescherming van de minderheden in te lopen door het kaderverdrag van de Raad van Europa tot bescherming van de nationale minderheden te ondertekenen en te ratificeren;

15. vraagt de Franse overheden om mogelijkheden te zoeken om met inachtneming van het algemeen gelijkheidsbeginsel etnische statistieken op te maken, om de doelmatigheid van het officieel beleid tegen discriminatie te kunnen meten;

16. vraagt de regeringen van Denemarken, Estland, Frankrijk, Roemenië en Slovenië om zich strikt aan hun verplichtingen volgens het Internationaal Verdrag tot uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie te houden door de aanbevelingen van de 77ste vergadering van de VN-commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie onverwijld over te nemen, en vooral Frankrijk om zich van collectieve uitzettingen te onthouden, al het nodige te doen om gelijke kansen in de toegang tot het onderwijs op alle niveaus, gezondheidszorg, huisvesting en andere openbare voorzieningen te verwezenlijken, alle nodige maatregelen te nemen om het stemrecht te verzekeren, onderkomen te bieden volgens de wet-Besson van 5 juli 2000, en voor gelijke behandeling van alle burgers te zorgen door de reisvergunning voor woonwagenbewoners af te schaffen;

17. herinnert de lidstaten aan hun verplichting volgens het internationaal humanitair recht om de rechten van eenieder te garanderen, ook Roma en woonwagenbewoners, onder andere op degelijke huisvesting, en beklemtoont dat er voor goede alternatieve huisvesting gezorgd moet worden;

18. dringt er bij Frankrijk op om aan alle bepalingen in de Franse wet te schrappen die discriminerend voor woonwagenbewoners zijn, zoals de vereiste om reisvergunningen bij zich te hebben en de beperking van hun stemrecht; vraagt de Franse autoriteiten daarnaast om de Franse wet na te leven, dat alle gemeenten van meer dan 5000 inwoners voor halteplaatsen voor woonwagenbewoners moeten zorgen, nu de Franse commissie voor gelijke kansen en anti-discriminatie (HALDE) vaststelt dat slechts 25% van de gemeenten waarvoor de verplichting geldt, het voorschrift naleven, met als gevolg dat een toenemend aantal woonwagenbewoners op halteplaatsen verblijft die niet als zodanig erkend zijn;

19. vraagt daadwerkelijke uitvoering van beleidsvormen die op zigeunervrouwen gericht zijn, die van dubbele discriminatie te lijden hebben : als zigeuner en als vrouw; vraagt de Commissie en de lidstaten dan ook om in samenwerking met ngo's bewustmakingscampagnes voor zigeunervrouwen en het groot publiek te voeren en voor volledige uitvoering van de bepalingen tegen discriminerende culturele gewoonten en patriarchale rolmodellen te zorgen, polarisatie te voorkomen, en de heersende seksistische stereotypen en maatschappelijke stigmatisering te bestrijden die aan de grondslag van geweld tegen de vrouw liggen, en te zorgen dat geweld niet met gebruiken, tradities of religieuze overwegingen gerechtvaardigd kan worden;

20. drukt zijn diepe teleurstelling over het gebrek aan politieke wil uit waar de lidstaten op de 2de Roma-top blijk van gegeven hebben en vraagt hun om concrete maatregelen te onderschrijven om de toezeggingen gestand te doen die ze in de gezamenlijke verklaring van het voorzitterstrio van de Roma-top aangegaan zijn;

21. verzoekt het Bureau voor de grondrechten om een rapport over de verenigbaarheid van het bewuste beleid met het Handvest van de grondrechten van de EU op te stellen;

22. herinnert de lidstaten aan hun verplichtingen van internationaal humanitair recht, om het recht van de kinderen op onderwijs met gelijke kansen voor iedereen te waarborgen door te voorkomen dat er enige vorm van administratieve hindernis ontstaat;

23. wijst op het belang van rolmodellen voor de integratie en steunt de uitwisseling van de positieve praktijken van de lidstaten die meer ervaring met het voorkomen van maatschappelijk isolement van zigeuners/Roma hebben, te weten het Verenigd Koninkrijk en Spanje; vraagt het EU-bureau voor de grondrechten daarom om een rapport over de beste handelwijzen voor de integratie van zigeuners/Roma te zorgen, om er de beleidsvoering van de Europese unie mee te verrijken en de integratie te verbeteren;

24. draagt zijn bevoegde commissie op om in overleg met het Bureau voor de grondrechten, ngo's en instanties die zich met de mensenrechten en de Roma bezighouden, de zaak te blijven volgen en, zoals al aan het begin van de zittingsperiode besloten, een verslag over de situatie van de zigeuners/Roma in Europa op te stellen, dat op de besluiten en aanvragen van het Europees Parlement in zijn vroegere resoluties en verslagen voortbouwt;

25. vraagt de Europese Commissie om de aanwending van Europese middelen voor de strijd tegen discriminatie van zigeuners/Roma in onderzoek te nemen en volledig gebruik van alle beschikbare middelen te maken om de maatschappelijke integratie van zigeuners/Roma te bevorderen, in afwachting dat de beleidsvoering voor de zigeuners/Roma in de Europese en nationale beleidsvormen voor de grondrechten geïntegreerd wordt;

26. dringt er bij de lidstaten op aan om het recht op sociale bijstand en huisvesting te erkennen en te eerbiedigen, om al wie onvoldoende middelen van bestaan heeft een fatsoenlijk leven te garanderen en te zorgen dat Roma en anderen die van het recht op vrij verkeer gebruik maken, informatie krijgen over de vereisten waaraan ze moeten voldoen om hun verblijfplaats te laten registreren;

27. verzoekt zijn voorzitter om deze resolutie te laten toekomen aan de Raad en de Europese Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de parlementaire assemblee van de Raad van Europa, de Europese commissie tegen racisme en onverdraagzaamheid in de schoot van de Raad van Europa, en de VN-commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie.

Juridische mededeling - Privacybeleid