Ontwerpresolutie - B7-0623/2010Ontwerpresolutie
B7-0623/2010

    ONTWERPRESOLUTIE over de herziening van de mededingingsregels inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten

    18.11.2010

    naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0565/2010
    ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement

    Sharon Bowles namens de Commissie economische en monetaire zaken

    Procedure : 2010/2761(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0623/2010

    B7‑0623/2010

    Resolutie van het Europees Parlement over de herziening van de mededingingsregels inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten

    Het Europees Parlement,

    –   gelet op artikel 101, leden 1 en 3, artikel 103, lid 1, en artikel 105, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna het VWEU genoemd),

    –    gelet op Verordening (EEG) nr. 2821/71 van de Raad van 20 december 1971 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen[1],

     

    –    gelet op Verordening (EG) nr. 2658/2000 van de Commissie van 29 november 2000 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen specialisatieovereenkomsten[2] (de algemene groepsvrijstellingsverordening inzake specialisatieovereenkomsten, hierna de "AG" genoemd),

     

    –    gelet op Verordening (EG) nr. 2659/2000 van de Commissie van 29 november 2000 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten[3] (de algemene groepsvrijstellingsverordening inzake onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten, hierna de "AG" genoemd),

     

    –    gezien het ontwerp voor een verordening van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen specialisatieovereenkomsten (de nieuwe algemene groepsvrijstellingsverordening inzake specialisatieovereenkomsten, hierna de "nieuwe AG" genoemd), die op 4 mei 2010 ter raadpleging op de website van de Commissie is gepubliceerd,

     

    –    gezien het ontwerp voor een verordening van de Commissie inzake de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten (de nieuwe algemene groepsvrijstellingsverordening inzake onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten, hierna de "nieuwe AG" genoemd), die op 4 mei 2010 ter raadpleging op de website van de Commissie is gepubliceerd,

     

    –    gezien de notitie van de Commissie over de richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 81 van het EG-Verdrag op horizontale samenwerkingsovereenkomsten (hierna de "horizontale richtsnoeren" genoemd)[4],

     

    –    gezien het ontwerp voor een mededeling van de Commissie over de richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op horizontale samenwerkingsovereenkomsten (hierna het "ontwerp voor nieuwe horizontale richtsnoeren" genoemd), dat op 4 mei 2010 ter raadpleging op de website van de Commissie is gepubliceerd,

     

    –    gezien de bijdragen van de diverse betrokken partijen, die zij tijdens de periodes van publieke raadpleging aan de Commissie hebben doen toekomen en die op de website van de Commissie zijn gepubliceerd,

     

    –    gezien het debat tussen commissaris Almunia en leden van de Commissie economische en monetaire zaken op 6 juli 2010,

     

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 maart 2010 over het verslag over het mededingingsbeleid 2008 (2009/2173(INI))[5],

    –   gezien de vraag van 28 september 2010 aan de Commissie over de herziening van de mededingingsregels inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten (O-131/2010– B7‑0565/2010),

    –   gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat zowel de huidige AG voor specialisatieovereenkomsten, als de huidige AG voor onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten op 31 december 2010 afloopt; overwegende dat de Commissie de procedure voor herziening van beide verordeningen en de flankerende richtsnoeren op gang heeft gebracht,

    B.  overwegende dat de wetgeving sinds de goedkeuring van beide verordeningen en de horizontale richtsnoeren flink is gewijzigd, waarbij met name het moderniseringspakket van 2003 in het oog springt, dat inhoudt dat ondernemingen zelf moeten beoordelen of ze voldoen aan het bepaalde in de door hen ondertekende overeenkomsten,

    C. overwegende dat de Commissie de afgelopen jaren ervaring met de toepassing van deze regels heeft opgedaan en dat er nu op basis van reflectie binnen de Commissie en jurisprudentie van het Hof een pakket nieuwe regels ligt, dat moet worden gecodificeerd,

    D. overwegende dat het een goed gebruik is lessen te trekken uit de ervaringen die de mededingingsautoriteiten in de EU en de rest van de wereld hebben opgedaan; verder overwegende dat het, in het bijzonder tegen de achtergrond van de huidige economische crisis, aanbeveling verdient te streven naar convergerende mededingingsregels op mondiaal vlak, in de wetenschap dat veel overeenkomsten en praktijken onder meerdere mededingsjurisdicties vallen,

    1.  is verheugd over het feit dat de Commissie inmiddels twee verschillende raadplegingsprocedures voor de herziening van de mededingingsregels voor horizontale samenwerkingsovereenkomsten heeft gestart; benadrukt dat het belangrijk is om in het besluitvormingsproces zo veel mogelijk te luisteren naar en rekening te houden met de standpunten van de betrokken partijen, teneinde tot een realistisch en evenwichtig regelgevingskader te komen;

    2.  verzoekt de Commissie aan het eind van de herzieningsprocedures duidelijk aan te geven op welke wijze zij rekening heeft gehouden met de bijdragen van de betrokken partijen;

    3.  waardeert het feit dat de Commissie de ontwerpregels in een vroeg stadium aan het Parlement heeft doen toekomen; spoort de Commissie aan op proactieve en transparante wijze met het Parlement te blijven samenwerken; is verheugd over het feit dat commissaris Almunia bereid is geweest om de ontwerpregels met de leden van de Commissie economische en monetaire zaken te bespreken;

    4.  wijst nog eens op het belang van rechtszekerheid; is verheugd over het feit dat de Commissie voor de tweede publieke raadpleging een lijst "veelgestelde vragen" (Frequently Asked Questions) heeft opgesteld aan de hand waarvan kan worden gezien wat de belangrijkste wijzigingen zijn die in de ontwerpregels worden voorgesteld; verzoekt de Commissie om, wanneer het nieuwe regelgevingskader definitief is goedgekeurd, een samenvatting en een nieuwe lijst "veelgestelde vragen" (Frequently Asked Questions) te maken, bij wijze van gedetailleerde toelichting op de regels voor de actoren op de markt;

    5.  onderstreept het belang van de twee groepsvrijstellingsverordeningen op het vlak van de horizontale samenwerking voor de analyse van de overeenkomsten die onder hun toepassingsgebied vallen;

    6.  wijst op het feit dat een benadering met vaststelling van een "safe harbour" op basis van marktaandeel weliswaar niet perfect is, maar wel aansluit bij de economische praktijk, en eenvoudig te begrijpen en toe te passen is; onderkent dat horizontale overeenkomsten in de regel meer mededingingsproblemen veroorzaken dan verticale overeenkomsten, en begrijpt dan ook dat de Commissie de restrictievere aanpak bij het vaststellen van een marktaandeeldrempel voor horizontale overeenkomsten handhaaft;

    7.  wijst er evenwel op dat de meest overeenkomsten voor horizontale samenwerking niet onder het toepassingsgebied van deze twee groepsvrijstellingsverordeningen vallen; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de betrokken partijen en de doelstelling van handhaving van een gezonde mededinging gebaat zouden zijn bij de vaststelling van nieuwe specifieke groepsvrijstellingsverordeningen voor andere soorten horizontale overeenkomsten dan die betreffende O&O en specialisatie; verzoekt de Commissie om, indien dit inderdaad het geval zou zijn, passende toestemming van de Raad te vragen om deze nieuwe soorten groepsvrijstellingsverordeningen goed te keuren, na raadpleging van het Parlement;

    8.  is van oordeel dat de horizontale richtsnoeren een nuttig instrument zijn voor ondernemingen om, aan de hand van een verfijnde economische benadering, aan analyse en zelfbeoordeling te doen, en te bepalen of een overeenkomst voor horizontale samenwerking al dan niet een inbreuk vormt op artikel 101, lid 1, VWEU;

    9.  is dan ook verheugd over het feit dat de nieuwe horizontale richtsnoeren het met verordening 1/2003 geïntroduceerde element van zelfbeoordeling weerspiegelen en heldere adviezen geven met betrekking tot ingewikkelde regelingen als joint ventures en overeenkomsten voor meer dan één vorm van samenwerking; is overigens van oordeel dat zo'n benadering niet tot een ingewikkelder regelgevingskader moet leiden;

    10. herinnert er in dit verband aan dat helder en nauwkeurig taalgebruik één van de beginselen van verbetering van de kwaliteit van wetgeving en regelgeving is; is dan ook voorstander van duidelijke en gebruiksvriendelijke richtsnoeren, met inbegrip van concrete voorbeelden, indien van toepassing, zoals gevraagd door een aantal betrokken partijen;

    11. is verheugd over het feit dat het ontwerp voor nieuwe horizontale richtsnoeren een hoofdstuk betreffende de uitwisseling van informatie bevat; wijst erop dat dit in de betrekkingen tussen concurrenten een gevoelige kwestie is en dat het voor ondernemingen een halszaak is te kunnen zien welke informatie kan worden uitgewisseld zonder daarbij de concurrentie in te perken, in het bijzonder in de huidige context van zelfbeoordeling van de overeenkomsten;

    12. is verheugd over de herziening van het standaardiseringshoofdstuk in het ontwerp voor nieuwe horizontale richtsnoeren en het belang dat daarbij aan milieuaspecten is toegekend; wijst nog eens op de vele voordelen van een transparant standaardiseringsproces; is dan ook blij met de bepalingen die iets beogen te doen aan de inherente onzekerheid rondom het bestaan van intellectuele-eigendomsrechten in deze context en de commerciële voorwaarden die zouden worden vastgesteld voor de vergunningverlening; is van oordeel dat het van groot belang is bij het vaststellen van normen geschillen te voorkomen;

    13. wijst op het belang van eerbiediging van intellectuele-eigendomsrechten, aangezien ze een beslissende bijdrage leveren aan innovatie; herinnert nog eens aan het feit dat het vermogen om vernieuwend te zijn van cruciaal belang is voor het opbouwen van een concurrerende economie en het halen van de doelstellingen van de EU 2020-strategie; steunt het voorkomen van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, waaronder door middel van de mededingingswetgeving;

    14. is overigens van oordeel dat deze kwestie in een breder regelgevingskader moet worden aangepakt en niet alleen in de context van het mededingingsbeleid; benadrukt dat het ontwerp voor nieuwe horizontale richtsnoeren gezien moet worden als een onderdeel van een geïntegreerd regelgevingskader betreffende de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;

    15. is het met de Commissie eens dat alle partijen die een onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst sluiten vantevoren openheid moeten verschaffen over al hun bestaande en hangende intellectuele-eigendomsrechten voor zover deze relevant zijn voor de benutting van de resultaten van de overeenkomst door de andere partijen;

    16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.