Ontwerpresolutie - B7-0051/2011Ontwerpresolutie
B7-0051/2011

ONTWERPRESOLUTIE over de situatie van de christenen met betrekking tot godsdienstvrijheid

17.1.2011

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

Marietje Schaake, Metin Kazak, Vincenzo Iovine, Marielle De Sarnez, Charles Goerens, Frédérique Ries, Kristiina Ojuland, Alexander Graf Lambsdorff, Ramon Tremosa i Balcells namens de ALDE-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0039/2011

Procedure : 2011/2521(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B7-0051/2011
Ingediende teksten :
B7-0051/2011
Aangenomen teksten :

B7‑0051/2011

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de christenen met betrekking tot godsdienstvrijheid

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn jaarverslagen over de situatie van de mensenrechten in de wereld en zijn voorgaande resoluties over religieuze minderheden in de wereld,

–   gelet op artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van 1950,

–   gelet op artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–   gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging van 1981,

–   gezien de verslagen van de speciale VN-rapporteur over de vrijheid van godsdienst en overtuiging, in het bijzonder die van 29 juli 2010 en 19 februari 2010,

–   gezien de conclusies van de Raad van 8 december 2009 over vrijheid van godsdienst of geloof, waarin de nadruk wordt gelegd op het strategische belang van deze vrijheid en van het bestrijden van religieuze onverdraagzaamheid,

–   gezien de verklaring van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de Unie, Catherine Ashton, na de aanval op gelovigen in een koptische kerk in het Egyptische Alexandrië op 1 januari 2011,

–   gezien de verklaring van Jerzy Buzek, Voorzitter van het Europees Parlement, over de dodelijke aanslag op een Egyptische kerk op 1 januari 2011,

–   gezien artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten ,

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. erop wijzend dat de Europese Unie zich herhaaldelijk heeft uitgesproken voor de rechten van de religieuze gemeenschappen en de bescherming van hun identiteit overal ter wereld, alsook voor de erkenning en de bescherming van religieuze minderheden, zonder enig onderscheid,

B.  verontrust over de toename van het aantal gevallen van intolerantie en repressie ten aanzien van de christelijke gemeenschappen, met name in sommige landen van Afrika, Azië en het Midden-Oosten,

C. betuigt zijn deelneming en steun aan de families van de slachtoffers van de autobomexplosie voor een kerk in de Noord-Egyptische stad Alexandrië op 31 december 2010, waarbij volgens de nieuwsberichten 21 doden en minstens 43 gewonden zijn gevallen.

D. betuigt zijn deelneming en steun aan de families van de slachtoffers na de dramatische nieuwsberichten uit Nigeria op 11 januari 2011, waar opnieuw onschuldige doden zijn gevallen in gruwelijke aanvallen die tegen de christelijke gemeenschap gericht zijn en waaruit blijkt dat de religieuze onverdraagzaamheid zeer diep en zeer ver gaat,

E.  ernstig verontrust over het geweld in Irak, waar op 22 november 2010 twee Iraakse christenen in Mosul om het leven kwamen, overwegende dat op 10 november minstens vijf mensen gedood zijn bij een serie bomaanslagen en mortieraanvallen in christelijke wijken van de Iraakse hoofdstad Bagdad;

F.  overwegende dat ook in Vietnam de activiteiten van de katholieke kerk en van andere godsdienstige gemeenschappen fel worden onderdrukt, zoals blijkt uit de ernstige situatie van de Vietnamese montagnards-gemeenschappen,

G. eraan herinnerend dat het de taak is van de politieke en religieuze leiders op alle niveaus alle vormen van extremisme te bestrijden en het wederzijdse respect te bevorderen,

H. overwegende dat overeenkomstig het internationale recht inzake mensenrechten, in het bijzonder artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, iedereen recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst en overtuiging te veranderen en de vrijheid, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

I.   overwegende dat andere bevolkingsgroepen zoals vluchtelingen, ontheemden, asielzoekers, immigranten, personen die van hun vrijheid beroofd zijn, etnische, religieuze en taalminderheden en kinderen van gelovigen ook steeds vaker het slachtoffer zijn van schendingen van het recht op vrijheid van geloof en overtuiging; in dat opzicht wijzend op het beginsel van niet-uitwijzing ("non-refoulement"), overeenkomstig artikel 33 van het Verdrag van Genève inzake de status van vluchtelingen,

J.   overwegende dat de bevordering en de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden verankerd is in de Egyptische grondwet, die ondubbelzinnig stelt dat alle burgers voor de wet gelijke rechten en plichten hebben zonder enige discriminatie op welke grond dan ook,

K. overwegende dat het Egyptische strafwetboek de godsdienstuitoefening door alle burgers en alle religieuze symbolen beschermt en elke persoon bestraft die de godsdienstuitoefening van een groep probeert te belemmeren of een godsdienst probeert te minachten of te belasteren,

L.  overwegende dat volgens artikel 10 van de Iraakse grondwet de regering geacht wordt het gewijde karakter van heiligdommen en religieuze plaatsen te beschermen en in stand te houden; overwegende dat artikel 43 bepaalt dat de gelovigen van alle religieuze groepen vrij zijn hun godsdienstige plechtigheden te vieren en hun religieuze instellingen te beheren,

M. overwegende dat een Egyptische rechtbank een persoon die verantwoordelijk wordt geacht voor de aanval op de koptische Egyptenaren, ter dood veroordeeld heeft,

1.  veroordeelt ten stelligste alle vormen van discriminatie en intolerantie op basis van godsdienst en overtuiging, alsook alle vormen van geweld tegen alle religieuze gemeenschappen;

2.  dringt er bij de betrokken regeringen op aan ervoor te zorgen dat de daders van deze misdaden worden berecht; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat hun constitutioneel en wetgevend bestel adequate en effectieve waarborgen biedt voor de vrijheid van geloof of overtuiging, alsook effectieve rechtsmiddelen voor slachtoffers van schendingen van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging;

3.  ondersteunt met overtuiging ieder initiatief om de dialoog en het wederzijds respect tussen de godsdiensten te bevorderen; verzoekt alle religieuze autoriteiten verdraagzaamheid te bevorderen en initiatieven te nemen tegen haat en geweld en tegen extremistische radicalisering;

4.  benadrukt nogmaals dat de eerbiediging van de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden een fundamenteel beginsel en een fundamentele doelstelling van de Europese Unie is en een gemeenschappelijke basis vormt voor de betrekkingen van de EU met derde landen; verzoekt de Raad en de Commissie de kwestie van godsdienstvrijheid op te nemen op de agenda van de politieke bijeenkomsten die tot doel hebben de politieke dialoog tussen de EU en derde landen te bevorderen, en projecten aan te moedigen die verband houden met gewetensvrijheid, alsook dialogen met minderheden in de samenwerkingsprogramma's van de EU;

5.  verzoekt de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en het veiligheidsbeleid extra aandacht te schenken aan de kwestie van de godsdienstvrijheid en aan de situatie van de religieuze minderheden in het kader van de overeenkomsten en de samenwerking van de Europese Unie met derde landen alsook in mensenrechtenverslagen; en ervoor te zorgen dat de mensenrechten- en democratieclausule in EU-overeenkomsten in acht worden genomen,

6.  vraagt dat op de aanstaande bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken op 31 januari 2011 gedebatteerd wordt over de kwestie van de vervolging van de christenen en de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst of geloof; vindt dat dit debat in Europa tot concrete resultaten moet leiden, met name inzake de instrumenten die kunnen worden gebruikt om te zorgen voor veiligheid en bescherming van bedreigde christelijke geloofsgemeenschappen waar ook ter wereld;

7.  vindt het gebruik van de doodstraf onmenselijk;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Europese Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, het parlement en de regering van Egypte, het parlement en de regering van Irak en het parlement en de regering van Nigeria en Vietnam.