Ontwerpresolutie - B7-0102/2011Ontwerpresolutie
B7-0102/2011

    ONTWERPRESOLUTIE over Europa 2020

    9.2.2011

    naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Rebecca Harms, Philippe Lamberts namens de Verts/ALE-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0097/2011

    Procedure : 2010/3013(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0102/2011
    Ingediende teksten :
    B7-0102/2011
    Stemmingen :
    Aangenomen teksten :

    B7‑0102/2011

    Resolutie van het Europees Parlement over Europa 2020

    Het Europees Parlement,

    –   gezien de mededeling van de Commissie getiteld 'EU 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei',

    –   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Jaarlijkse groeianalyse: naar een krachtiger alomvattend antwoord van de EU op de crisis",

    –   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van 17-18 juni 2010,

    –   gezien de conclusies van het Voorzitterschap na de bijeenkomsten van de Europese Raad in maart 2000, 2001, 2005, 2006, 2007 en december 2009,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 juni 2010 over economisch bestuur en EU 2020,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de financiële, economische en sociale crisis;

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 december 2010 over het permanente crisismechanisme,

    –   gelet op artikel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

    –   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    –   gezien de aanbeveling van de Raad over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, aangenomen op 7 juli 2010,

    –   gelet op het besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten,

    A. overwegende dat sommige internationale partners de crisis nu al te boven raken, terwijl de EU nog steeds kampt met problemen ondanks enkele zwakke tekenen van herstel,

    B.  overwegende dat 2010 het eerste jaar was na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, dat was opgesteld om de kloof tussen de EU en haar burgers te dichten en de EU een nieuwe rol te geven op het wereldtoneel,

    C. overwegende dat de EU 2020-strategie, die met vijf centrale doelstellingen van even groot belang was aangenomen om 'slimme, duurzame en inclusieve groei' te verwezenlijken, beschouwd werd als het antwoord op de uitdagingen waar de EU voor staat,

    Algemene opmerkingen - context

    1.  is van mening dat de mondiale crisis moet worden aangegrepen als gelegenheid om ons ontwikkelingsmodel te transformeren tot een samenlevingsmodel dat gebaseerd is op duurzaamheid, solidariteit, uitbanning van armoede en het scheppen van fatsoenlijke, groene werkgelegenheid; is van mening dat de Europa 2020-strategie, indien juist geïmplementeerd en geschraagd door een sterk economisch bestuur dat een financieel stelsel stimuleert dat ten goede komt aan de reële economie, Europa in staat zou moeten stellen zich te herstellen van de crisis door het werkgelegenheidspotentieel te ontwikkelen via de transformatie tot een uiterst efficiënte, volledig op hernieuwbare energie gebaseerde en klimaatbestendige economie;

    2.  benadrukt dat de huidige euro-crisis moet worden bestreden met een gecoördineerde en geïntegreerde EU-aanpak; herinnert eraan dat de groei door de crisis een achterstand van vier jaar heeft opgelopen, maar dat de werkgelegenheid meer te lijden heeft gehad, met werkloosheidspercentages die de afgelopen 12 jaar niet meer vertoond werden, nl. 23 miljoen mensen zonder werk en meer dan 5,5 miljoen werkloze jongeren aan het eind van 2010; benadrukt dat terugdringing van de genderongelijkheid een absolute voorwaarde is voor de verwezenlijking van de centrale doelstellingen van EU 2020 inzake arbeidsparticipatie en armoedevermindering;

    3.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het onhoudbare niveau van de overheidsschuld en de particuliere schulden en de voorspelde snelle stijging hiervan in de komende jaren, als gevolg van het redden van banken en het nodige expansionistisch belastingbeleid als reactie op de crisis, dat nog zwaarder zal wegen aangezien de toekomstige generaties zowel een steeds zwaardere ecologische last als een groeiende particuliere financiële schuld zullen erven; herinnert eraan dat de particuliere schuld in vele lidstaten tijdens de periode vóór de crisis tot een onhoudbaar niveau is aangegroeid;

    Centrale doelstellingen en governance van de 2020-strategie

    4.  herhaalt zijn oproep dat de EU 2020-strategie zich niet langer uitsluitend en alleen moet richten op groei van het BBP maar op een ruimer politiek toekomstconcept van de EU; is van mening dat het BBP niet bedoeld is als accurate graadmeter van economische en sociale vooruitgang op langere termijn, noch van het vermogen van de samenleving om een oplossing te bieden voor problemen als klimaatverandering, efficiënt gebruik van hulpbronnen of sociale inclusie; is van mening dat het BBP in de volgende programmeringsperiode 2014-2020 aangevuld moet worden met additionele indicatoren en dat het BBP op de lange termijn moet worden vervangen door een omvattender concept van welzijn;

    5.  is ernstig bezorgd over de eerste jaarlijkse groeianalyse van de Commissie (JGA); betreurt dat de JGA uitsluitend en alleen gericht is op besparingsmaatregelen en begrotingsbezuinigingen; is van mening dat deze maatregelen alleen en de tien door de Commissie voorgestelde aanvullende acties inconsistent zijn met de globale richtsnoeren voor economisch beleid en de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid, alsmede met de doelstellingen die in de Europa 2020-strategie zijn vastgelegd;

    6.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het feit dat in de JGA geen aanwijzingen worden gegeven over de manier waarop de kerninitiatieven en de verschillende acties die hun tenuitvoerlegging ondersteunen moeten worden ingepast in het kader van het Europees semester;

    7.  betreurt het gebrek aan voorstellen met betrekking tot innovatieve vormen van investeringen en financiering; hamert erop dat verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie nieuwe vormen van alternatieve investeringen vergt; verzoekt de Commissie in dit verband een reeks maatregelen voor te stellen om de lidstaten te helpen het evenwicht van de overheidsfinanciën te herstellen en overheidsinvesteringen te financieren; is van mening dat de EU zich succesvol kan herstellen van de economische, sociale en ecologische crisis door alternatieve vormen van investeringen, nl:

    (a)  Eurobonds;

    (b)  meer fiscale samenwerking tussen de lidstaten in plaats van fiscale concurrentie, met onder meer een tijdschema voor de invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde fiscale grondslag voor de vennootschapsbelasting en een mechanisme om te zorgen voor een minimumcoördinatie van de vennootschapbelastingtarieven op soortgelijke basis als momenteel bestaat voor de BTW;

    (c)  de gecoördineerde invoering van milieuheffingen, om de last te verschuiven van arbeid naar niet-duurzame activiteiten en producten;

    (d)  een over de gehele EU geheven belasting op financiële transacties,

    (e)  een progressieve heffing op banken, waarvan de hoogte afhankelijk is van hun omvang en van het niveau van onverzekerde financiering op korte termijn,

    (f)   de invoering van verslaglegging per land over bedrijfsinkomsten en hierop betaalde belastingen, alsmede automatische uitwisseling van informatie;

    (g)  de sluiting van belastingparadijzen, te beginnen met die binnen de EU;

    (h)  speciale crisisheffingen op door een buitenkansje behaalde grote winsten van energieondernemingen en andere zeer winstgevende bedrijven.

    (i)   projectobligaties waarvan de invoering al meerdere keren door de Commissie is uitgesteld;

    8.   verzoekt de Europese Raad dringend overeenkomstig de artikelen 121 en 136 een reeks richtsnoeren vast te stellen om gecoördineerd en geharmoniseerd anticyclisch belastingbeleid te ontwikkelen, alsook aanvullende solidariteitsmechanismen van de EU voor het aanpakken van intern gebrek aan evenwicht en asymmetrische schokken, voor vergroting van de convergentie en verbetering van de doelmatigheid waarmee kredieten worden toegewezen;

    9.   benadrukt dat zowel overheidsschulden als particuliere schulden problemen veroorzaken ten aanzien van de duurzaamheid van ons economisch, sociaal en ecologisch model; is van mening dat beide op een gepaste wijze moeten worden aangepakt aangezien een overhaaste en ongepaste bezuiniging op de overheidsfinanciën het herstel kan belemmeren en het werkloosheidspercentage laten oplopen;

    10. is van mening dat voor het behoud van de financiële stabiliteit en de neutralisering van het systeemrisico een drietrapsaanpak nodig is die bestaat uit: (i) effectief en versterkt toezicht en regulering van alle spelers, markten en instrumenten, alsmede een krachtig preventief kader gericht op internalisatie van negatieve externe factoren die door de financiële markten in het leven zijn geroepen op basis van het beginsel dat de “vervuiler” betaalt; (ii) omvattende mechanismen voor vroegtijdig ingrijpen door de stuur- en interventiebevoegdheden van de toekomstige Europese toezichthoudende autoriteiten en de nationale toezichthouders aanzienlijk uit te breiden; (iii) één enkel Europees kader voor grensoverschrijdende oplossing van crises en schuldherstructurering gebaseerd op een eerlijke lastenverdeling en de eis dat aandeelhouders en crediteuren bijdragen aan oplossingen voordat de belastingbetalers dat doen;

    11. is het met de Commissie eens dat 'Lidstaten met grote overschotten op de lopende rekening moeten nagaan welke factoren aan de aanhoudend zwakke binnenlandse vraag ten grondslag liggen en deze aanpakken'; is echter teleurgesteld dat zij verdere liberalisering van de dienstensector en verbetering van het investeringsklimaat beschouwt als aanjagers van de binnenlandse vraag, aangezien gerichte sociale uitgaven rendabel zijn vanwege het multiplier-effect voor de globale activiteit en de werkgelegenheid; vestigt in dit verband de aandacht op de rol van de sociale zekerheid als een automatische stabilisator en op de diensten van algemeen belang die zorgen voor sociale inclusie; benadrukt dat de sociale normen in de lidstaten moeten worden geconvergeerd;

    12. herinnert eraan dat artikel 153, lid 3, van het Verdrag de Unie verbiedt iets te ondernemen op het gebied van loonmatiging, waaronder de herziening van indexeringsclausules bij loononderhandelingen;

    13. is het ten zeerste oneens met de bewering dat werknemers met vaste contracten te overbeschermd zijn; herinnert eraan dat sinds de werkgelegenheidspiek in najaar 2008 6,8 miljoen voltijdsbanen zijn geschrapt, terwijl er tegelijkertijd 1,1 miljoen deeltijdbanen en 0,7 miljoen banen voor zelfstandigen zijn gecreëerd; benadrukt dat er fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd, met name via Groene banen;

    14. herhaalt zijn oproep om gendergelijkheid te verwezenlijken door een streefcijfer vast te stellen van 75% vrouwelijke werkgelegenheid; dringt er bij de lidstaten op aan ambitieuze nationale werkgelegenheidsdoelstellingen vast te stellen voor vrouwen in banen die zorgen voor economische onafhankelijkheid; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de toegankelijkheid voor vrouwen tot de arbeidsmarkt te verbeteren door het voor vrouwen gemakkelijker te maken om werk en gezin te combineren, door o.a. ruime verlofregelingen, flexibele werktijden, toegang tot betaalbare kinderopvang en zorg voor overige zorgbehoevenden; dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen te nemen om de genderkloof terug te brengen tot 0-5% in 2020, door arbeidsmarktsegregatie per beroep en sector te bestrijden en door onzekere werkomstandigheden aan te pakken; dringt er bij de Commissie op aan om de bestaande wetgeving inzake gelijke betaling te herzien en inbreukprocedures in te stellen tegen lidstaten die de wetgeving niet naleven;

    15. herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 9, dat werd ingevoerd in het Verdrag van Lissabon, wordt bepaald dat "[de Unie] ...bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening [houdt] met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid";

    16. herinnert eraan dat het EP en de nationale parlementen in een vroeg stadium betrokken moeten worden bij het nieuwe kader voor economisch bestuur via het Europees semester om de democratische verantwoordingsplicht, inbreng en legitimiteit te bevorderen en om ruimte te scheppen voor een open debat over het Stabiliteits- en Groeipact, alsmede over de macro-onevenwichtigheden en dat er betere synergieën tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen tot stand moeten worden gebracht;

    17. herinnert eraan dat de Europese Raad van december 2009 erkende dat de strategie voor duurzame ontwikkeling (SDO) zal blijven dienen als langetermijnvisie, en het overkoepelend beleidskader zal vormen voor alle beleidsmaatregelen en strategieën van de Unie; dringt aan op betere synergieën tussen de EU 2020-strategie, het economische governance pakket, de kerninitiatieven en de aanstaande gemoderniseerde SDO;

    18. benadrukt dat meer aandacht moet worden besteed aan de externe dimensie van de Europa 2020-strategie; verzoekt de Commissie met klem in haar externe optreden een bredere en meer omvattende aanpak aan de dag te leggen, in aansluiting op het EU-concept van beleidssamenhang met het oog op ontwikkeling; roept de Commissie op haar handelsstrategie voor Europa 2020 eveneens te gebruiken voor de bevordering van de kernwaarden van de Unie, zoals mensenrechten, democratie, de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden en de bescherming van het milieu;

    19. herinnert eraan dat de Commissie haar “handelsstrategie voor Europa 2020” op zodanige wijze vorm moet geven dat het handelsbeleid van de EU een echt instrument wordt voor het scheppen van werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling in de hele wereld, en verzoekt de Commissie tijdig een open dialoog met het Europees Parlement en maatschappelijke organisaties aan te gaan over de prioriteiten van de EU voor de periode na Doha, met name ten aanzien van de sociale en milieunormen en de hervorming van de WTO;

    Kerninitiatieven

          Kerninitiatief "Digitale agenda"

    20. dringt er bij de Commissie op aan een sterker beleid te voeren op het gebied van ICT, herinnert aan de essentiële rol van normalisatie om interoperabiliteit mogelijk te maken en om de keuzevrijheid van consumenten te waarborgen; herinnert met name aan het belang van open normen; betreurt dat consumenten in Europa minder content kunnen openen en dringt er derhalve op aan nieuwe online bedrijfsmodellen te creëren; wijst er met klem op dat er een Europees octrooisysteem moet worden ontworpen dat toegankelijkheid paart aan innovatie,

          Kerninitiatief "Innovatie-Unie"

    21. erkent dat het Commissie-initiatief erop gericht is het accent te leggen op en samenhang aan te brengen in maatregelen ter bevordering van innovatie; verwelkomt het idee om innovatiepartnerschappen op te zetten om belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te gaan en EU-programma's op dit gebied te stroomlijnen; benadrukt echter dat dit proces alleen succesvol kan zijn als er effectieve governance tot stand wordt gebracht, met name voor het stellen van concrete doelen;

    22. dringt er bij de Commissie op aan met het Eco-innovatie actieplan te komen waarin maatregelen en doelstellingen worden voorgesteld om eco-innovatie in te voeren in alle fasen van de waardeketen, met inbegrip van de ontwerpfase; is met name van mening dat de vaststelling van ijkpunten ("benchmarks") en normen in hoge mate heeft bijgedragen tot het stimuleren van innovatie en duurzaam concurrentievermogen in diverse industriesectoren; dringt er op aan meer gebruik te maken van het potentieel van overheidsopdrachten en precommerciële opdrachten om innoverende duurzame oplossingen op de markt te brengen; herinnert eraan dat eco-innovatie een enorm potentieel aan groene banen in zich bergt en dringt aan op een initiatief om ervoor te zorgen dat iedereen innoverende groene vaardigheden aanleert;

    23. dringt aan op een flexibel octrooisysteem dat innovatie helpt bevorderen door oplossingen aan te reiken voor maatschappelijke problemen zoals de demografische ontwikkeling en de klimaatverandering; herinnert eraan dat het door de EU te ontwikkelen octrooisysteem kwalitatief verantwoorde – en niet alleen maar goedkopere – octrooien moet opleveren; dringt erop aan dat innovatie wordt bevorderd via octrooipools, octrooiplatforms, aanmoedigingsprijzen voor innovatie, full-rights licensing en kennisclusters, dwanglicenties, alsmede andere instrumenten op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten om toegankelijkheid te paren aan innovatie;

          Kerninitiatief "Jeugd in beweging"

    24. is ingenomen met het kerninitiatief "Jongeren in beweging"; dringt er bij de lidstaten op aan actie te ondernemen met betrekking tot dit kerninitiatief; is van mening dat de Commissie het voortouw moet nemen bij de tenuitvoerlegging en dat zij er zorgvuldig op moet toezien; betreurt echter dat het kerninitiatief belangrijke onderwerpen, zoals deelname aan de samenleving of armoede onder jongeren, buiten beschouwing laat; dringt aan op steviger voorstellen voor inclusie;

    25. benadrukt dat "Jeugd in beweging" op zichzelf weinig kan doen aan de alarmerende jeugdwerkloosheid in heel Europa; dringt er bij de lidstaten op aan een nationale strategie op te zetten om de jeugdwerkloosheid aan te pakken en om ervoor te zorgen dat jongeren toegang hebben tot onderwijs en opleiding; benadrukt dat bekeken moet worden hoe het jongerenbeleid zich verhoudt tot beleidsterreinen als onderwijs, werkgelegenheid, sociale inclusie en macro-economie; wijst erop dat besparingsmaatregelen met o.a. bezuinigingen op het onderwijsstelsel en werkgelegenheidsbeleid jongeren niet zullen helpen; steunt het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake een Europese jeugdgarantie en dringt erbij de Raad op aan zo spoedig mogelijk zijn goedkeuring hieraan te hechten;

          Kerninitiatief "Europees platform tegen armoede"

    25. is in grote lijnen verheugd over dit kerninitiatief maar betreurt het ontbreken van een duidelijke strategie, specifieke voorstellen en governance over de manier waarop de armoede- en werkgelegenheidsdoelstellingen van de EU 2020-strategie kunnen worden verwezenlijkt, met name in de context van de crisis en de bezuinigingsmaatregelen van de regeringen; herhaalt zijn oproep voor een bredere agenda om fatsoenlijk werk te bevorderen, de werknemersrechten in geheel Europa te waarborgen en de werkomstandigheden te verbeteren, ongelijkheid en discriminatie aan te pakken en armoede onder werkenden ("werkende armen") te bestrijden; dringt er bij de Commissie op aan meer concrete acties te starten om ervoor te zorgen dat sociale rechten worden uitgeoefend, zoals een routekaart naar de tenuitvoerlegging van de actieve-inclusiestrategie en een adequate minimumloongarantie, ten minste boven de armoedegrens tegen 2020;

          Kerninitiatief "Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen"

    26. beweert dat niet toenemende deregulering banen zal redden op de Europese arbeidsmarkten, maar ecologische innovatie en efficiënter gebruik van hulpbronnen en verbeterde energie-efficiëntie; betreurt dat dit kerninitiatief geen werk maakt van de duurzame transformatie van de arbeidsmarkt om nieuwe banen te creëren en bedreigde banen te behouden; betreurt dat ook er ook geen aandacht word besteed aan de vraag hoe er gezorgd kan worden voor een sociaal rechtvaardige overgang naar een duurzame arbeidsmarkt noch aan het grote potentieel van groene banen door te investeren in opleiding en levenslang leren, maar dat er alleen wordt gehamerd op de flexizekerheid-benadering;

          Kerninitiatief "Een Europa dat efficiënt gebruik maakt van zijn hulpbronnen"

    27. betreurt dat er in deze mededeling geen doelstelling wordt vastgesteld om van efficiënt gebruik van hulpbronnen een overkoepelende EU-beleidsprioriteit te maken; benadrukt dat efficiënt gebruik van hulpbronnen dringend in alle beleidsterreinen, zoals landbouw, vervoer en energie, moet worden opgenomen; dringt erop aan dat de EU zich moet gaan bewegen in de richting van een recyclingseconomie met reële prijzen die de werkelijke milieukosten weerspiegelen en waardoor gezorgd wordt voor een afname van de afvalproductie, en waarin de waarde van hergebruikte hulpbronnen wordt benadrukt; benadrukt het feit dat ecologische duurzaamheid afhankelijk is van een absolute vermindering van het gebruik van hulpbronnen; is teleurgesteld dat in het kerninitiatief geen melding wordt gemaakt van de Europese ecologische voetafdruk, aangezien dit een duidelijke indicator is van het niet-duurzame gebruik van onze hulpbronnen; dringt erbij de Commissie op aan met een reeks indicatoren te komen zodat die gemeten kunnen worden bij de volgende jaarlijkse groeianalyse (JGA);

    28. benadrukt dat het cohesiebeleid er toe moet bijdragen dat de EU-economie de weg inslaat naar een duurzame en werkgelegenheidscheppende ontwikkeling en investeringen moet ombuigen naar de ondersteuning en aanpak van klimaat-, energie- en milieuproblemen;

    29. is verheugd dat de Commissie aangeeft hoe nationale, regionale en lokale overheden het huidige regionale-beleidsprogramma kunnen afstemmen op de doelstellingen van EU 2020 op het gebied van duurzame ontwikkelingen en hoe zij de ontwikkeling van een uiterst efficiënte, volledig op hernieuwbare energie-gebaseerde, klimaatbestendige en concurrerende economie kunnen faciliteren; dringt er bij de lidstaten op aan onmiddellijk in actie te komen, meer in duurzame ontwikkeling te investeren en doelmatig gebruik te maken van de middelen;

          Kerninitiatief "Industriebeleid in een tijd van mondialisering":

    30. neemt nota van het voorstel van de Commissie voor een geïntegreerd industriebeleid en van het feit dat daarin de nadruk wordt gelegd op het herstel van het concurrentievermogen van de industriesector van de EU; benadrukt in dit verband, in het licht van de mondiale uitdagingen en de schaarste aan hulpbronnen en de uitputting ervan, dat het van essentieel belang is dat energie-efficiëntie en efficiënt gebruik van hulpbronnen en de ontwikkeling van gesloten industriële productiecircuits ten grondslag liggen aan de Europese industriële vernieuwing;

    31. dringt er bij de Commissie op aan een permanente task force industriebeleid op te richten om regelmatig de vooruitgang van de EU-initiatieven op het gebied van industriebeleid te evalueren, het werkgelegenheidsscheppend potentieel te beoordelen en de duurzaamheid van de belangrijkste Europese industriesectoren, de samenhang tussen de verschillende elementen ervan te bevorderen en de verdere problemen die aangepakt moeten worden in kaart te brengen;

    32. dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat wordt nagegaan of de sectorspecifieke benaderingen duurzaam zijn, in overeenstemming met de EU-doelstelling op het gebied van klimaat- en energiebeleid en met het vaststellen van ambitieuze doelstellingen, doelen en instrumenten voor het efficiënt gebruik van hulpbronnen ter verhoging van de productiviteit van de hulpbronnen in de EU en ter verbetering van de duurzaamheid, hergebruik, recycling en remanufacturing;

    33. stemt ermee in dat het nieuwe geïntegreerde industriebeleid het ontwerp, de productie en de samenstelling van de producten en diensten moet omvatten, gedurende het gehele productieproces en de gehele waardeketen, alsmede een slimme mix van maatregelen aan de vraag- en aan de aanbodzijde die per sector kunnen verschillen, waaronder bijvoorbeeld regelgevingsprikkels, een gemoderniseerd normalisatiebeleid, etikettering, openbare aanbestedingen, BTW-verlaging, belastingprikkels;

    34. verheugt zich op de tenuitvoerlegging van de nauwere samenwerking met de lidstaten en op het toezicht op het industriebeleid op het niveau van de Europese Unie en dat van de lidstaten op grond van artikel 173, VWEU van het Verdrag van Lissabon over het industriebeleid en in de context van de EU 2020-strategie, het economisch bestuur en het Europees semester;

    35. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad en de Commissie.