Procedure : 2011/2538(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0114/2011

Ingediende teksten :

B7-0114/2011

Debatten :

PV 16/02/2011 - 11
CRE 16/02/2011 - 11

Stemmingen :

PV 17/02/2011 - 6.11
CRE 17/02/2011 - 6.11
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0071

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 128kWORD 74k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0114/2011
9.2.2011
PE459.646v01-00
 
B7-0114/2011

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de stijgende voedselprijzen


Hannes Swoboda, Stéphane Le Foll, Luis Manuel Capoulas Santos, Paolo De Castro, Luís Paulo Alves, Daciana Octavia Sârbu, Kader Arif, Kriton Arsenis, Ricardo Cortés Lastra, Udo Bullmann, Leonardo Domenici, Robert Goebbels namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de stijgende voedselprijzen  
B7‑0114/2011

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 januari 2011 over de erkenning van landbouw als sector die van strategisch belang is voor de voedselzekerheid,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 juli 2010 over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 februari 2009 over de voedselprijzen in Europa,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 januari 2009 over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2008 over de stijgende voedselprijzen in de Europese Unie en de ontwikkelingslanden,

–   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat door de volatiliteit van de voedsel- en grondstoffenprijzen ernstige bezorgdheid over de werking van de Europese en mondiale voedselvoorziening is gerezen en dat de meest kwetsbare landen bevolkingsgroepen het zwaarst getroffen zijn door de stijging van de voedselprijzen, overwegende dat door de hoge voedselprijzen miljoenen mensen met voedselonzekerheid worden geconfronteerd, en de omstandigheden nog moeilijker worden voor veel mensen die reeds een voedselonzeker bestaan leidden, en de mondiale voedselzekerheid op lange termijn wordt bedreigd;

B.  overwegende dat de EU op een recente vergadering van de Commissie wereldvoedselzekerheid van de FAO het probleem van de extreme prijsvolatiliteit nadrukkelijk onder de aandacht heeft gebracht en dat de nieuwe deskundigengroep op hoog niveau (HLPE) is gevraagd om een verslag over de oorzaken van en maatregelen tegen prijsschommelingen,

C. overwegende dat klimatologische en andere ontwikkelingen voor sommige landen aanleiding kunnen zijn voor een protectionistisch beleid, zoals blijkt uit het recente uitvoerverbod voor tarwe dat is afgekondigd door Rusland en Oekraïne, die samen ongeveer 30% van alle tarwe ter wereld exporteren,

D. overwegende dat de mondiale voedselproductie regelmatig kan worden doorkruist door uiteenlopende factoren, zoals de gevolgen van plagen en ziektes, de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen en natuurrampen, zoals in 2010 is gebleken met de aanhoudende droogte en branden in Rusland en de gigantische overstromingen in Pakistan en onlangs nog in Australië,

E.  overwegende dat dergelijke natuurrampen zich als gevolg van de klimaatverandering steeds vaker zullen voordoen en de voedselzekerheid zullen ondermijnen,

F.  overwegende dat de geraamde groei van de wereldbevolking van 7 tot 9,1 miljard volgens de FAO een stijging van de voedselvoorziening nodig maakt met 70% tegen 2050,

G. overwegende dat voedselzekerheid niet alleen betekent dat levensmiddelen voorhanden moeten zijn, maar volgens de FAO ook dat iedereen recht op voedsel en op toegang tot gezonde voeding heeft; overwegende dat Europa door steeds concurrentiekrachtiger te worden kan bijdragen tot wereldwijde voedselzekerheid,

H. is van mening dat voedselzekerheid een kernprobleem voor Europa is en coherentie en coördinatie vereist tussen de diverse EU-beleidssectoren, nl. het GLB, het energiebeleid, de onderzoeksprogramma’s, het ontwikkelings- en handelsbeleid en de financiële regelgeving;

I.   overwegende dat de prijsvolatiliteit op de voedsel- en landbouwmarkten is toegenomen sinds de invoering van de Commodity Futures Modernization Act van 2000 waarbij de grondstoffen- en derivatenhandel in de VS werd gedereguleerd, en sinds de verschijning van institutionele beleggers op de goederen- en grondstoffentermijnmarkten;

1.  benadrukt het feit dat een sterke en duurzame landbouwsector in de hele EU en een florerend en duurzaam platteland, die gegarandeerd worden door een sterk GLB, vitale factoren zijn waarmee de uitdaging van de voedselzekerheid kan worden aangegaan;

2.  stelt dat de EU de hoogste normen ter wereld heeft voor landbouw- en voedselproductie, met een sterke nadruk op voedselveiligheid, voedselkwaliteit en ecologische duurzaamheid van de landbouw;

3.  stelt nogmaals dat het recht op voedselzekerheid een elementair en fundamenteel mensenrecht is en dat er pas sprake van is wanneer alle mensen op elk moment fysiek en economisch toegang hebben tot behoorlijke, veilige (vanuit oogpunt van gezondheid) en voedzame levensmiddelen die beantwoorden aan hun voedingsbehoeften en voorkeuren met het oog op een actief en gezond leven;

4.  bevestigt dat de EU de plicht heeft haar burgers te voeden en dat voortzetting van de landbouwactiviteit in de EU hiervoor van centraal belang is; vestigt de aandacht op de dalende landbouwinkomens in de EU, als gevolg van de stijgende productiekosten en de prijsvolatiliteit, waardoor het vermogen van de landbouwers om hun productie in stand te houden, negatief wordt beïnvloed; wijst op de kosten die de Europese boeren moeten opbrengen om te voldoen aan de strengste voedselveiligheids-, milieu-, dierenwelzijn- en arbeidsnormen ter wereld; benadrukt dat de boeren compensatie moeten krijgen voor deze bijkomende kosten en voor het feit dat zij publieke goederen verstrekken aan de samenleving;

5.  onderstreept arme mensen in ontwikkelingslanden het meest kwetsbaar zijn voor de negatieve weerslag van de prijsinstabiliteit en de voedselcrisis; dringt er dan ook bij alle lidstaten op aan hun engagement voor millenniumdoelstelling 1 (halvering van de honger tot 2015) te verdubbelen, in het bijzonder door hun aandeel in de officiële ontwikkelingshulp die voor de landbouw is bestemd, aanzienlijk te verhogen;

6.  erkent dat het waarborgen van een adequate voedselvoorziening essentieel onderdeel uitmaakt van de voedselzekerheid, maar beseft ook dat de toegang tot en de betaalbaarheid van voedsel van belang zijn om een adequate levensstandaard te bieden aan eenieder, met name voor degenen met onvoldoende economische middelen, vaak kinderen, bejaarden, migranten, vluchtelingen en werklozen;

7.  onderstreept dat klimaatverandering en extreme weersverschijnselen als oorzaken van droogten en overstromingen, de natuurlijke hulpbronnen aantasten en de opbrengsten van de landbouwproductie doen afnemen; vraagt de Commissie dringend om nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van aan de klimaatverandering gerelateerde wetgeving in de lidstaten en zich te bezinnen op verdere maatregelen die de aanpassing aan deze nieuwe uitdagingen moeten vergemakkelijken; onderstreept dat de lidstaten de aanpassing aan klimaatverandering in de land- en de bosbouw moeten bevorderen, door benutting van bestaande financiële instrumenten; onderstreept dat die aanpassingsmaatregelen gericht moeten zijn op grotere duurzaamheid, zowel uit ecologisch als uit economisch oogpunt;  vraagt de lidstaten om te werken aan adequate risicopreventie- en –beheersmaatregelen om de ongunstige effecten van natuurrampen op de landbouwproductie te beperken;

8.  benadrukt nogmaals de behoefte aan samenwerking tussen de EU en de ontwikkelingslanden op het gebied van klimaatverandering, en met name de behoefte aan technologieoverdracht en capaciteitsopbouw; benadrukt dat het tegengaan van klimaatverandering moet worden geïntegreerd in alle beleidsvelden van de EU, waaronder ook de ontwikkelingssamenwerking;

9.  meent dat de aandacht op de eerste plaats naar ondersteuning en versterking van het weerstandsvermogen van organisch gegroeide kleine landbouwstelsels moet gaan, die op het plaatselijk en regionaal verbruik gericht zijn en de meest doeltreffende en uit het oogpunt van de milieubescherming duurzaamste manier van bodemgebruik vertegenwoordigen;

10. erkent dat de liberalisering van de handel in voor de voeding bestemde landbouwproducten en agrarische grondstoffen kleine boeren, met name in ontwikkelingslanden, voor veel nieuwe uitdagingen heeft gesteld; is van mening dat om de voedselzekerheid te waarborgen, in alle internationale handelsregels en –overeenkomsten rekening moet worden gehouden met mogelijke effecten op de landbouw en de toegang tot voedsel;

11. onderstreept dat oligopolies voor zaaigoed een vernietigende weerslag op de duurzaamheid van kleine landbouwbedrijven hebben omdat ze de afhankelijkheid van een klein aantal ondernemingen voor de aankoop van zaaigoed en speciaal aangepaste meststoffen in de hand werken;

12. is van oordeel dat de factoren die bijdragen aan prijsstijgingen van landbouwgrondstoffen op geïntegreerde en alomvattende wijze moeten worden aangepakt; benadrukt dat er behoefte is aan een geïntegreerd politiek optreden en een alomvattende strategie om het probleem van de prijsstijgingen van landbouwgrondstoffen aan te pakken, hetgeen onder meer omvat: productiviteit in de landbouw, duurzame ontwikkeling, voedselveiligheid, handel, technologische ontwikkelingen, energie;

13. is van mening dat de financiële en de landbouwmarkten tegenwoordig meer dan ooit met elkaar zijn verstrengeld; is van mening dat een Europese reactie alleen niet langer volstaat en dat Europa, wat de kwestie van prijsvolatiliteit en voedselzekerheid betreft, moet optreden in overleg met derde landen en internationale organisaties; daarom bestaat er dringend behoefte aan meer transparantie en aan minimumdrempels voor de operatoren die op de markten voor elementaire goederen mogen handelen;

14. verzoekt de G20 dringend de invoering van preventiemechanismen tegen overdreven prijsschommelingen op internationaal niveau te coördineren en te werken aan regelgeving, met name om voedsel- en landbouwcrisis aan te pakken; vraagt de G20 te zorgen voor convergentie in de regelgeving inzake voedsel en landbouwproducten en hierbij ook landen te betrekken van buiten de G20;

15. verzoekt de Commissie passende voorstellen op te nemen in de komende herziening van de MiFID-richtlijn (markten voor financiële instrumenten) en de marktmisbruikrichtlijn, ten einde de ongerustheid waartoe de termijnmarkten in voedings- en landbouwproducten aanleiding geven, weg te nemen;

16. steunt in samenhang hiermee een herziening van de bestaande wetgeving inzake financiële instrumenten, die moet zorgen voor transparantere transacties en moet voorzien in minimumdrempels voor de operatoren die op deze markten handel mogen drijven; herinnert eraan dat financiële instrumenten de economie moeten dienen en de landbouwproductie over crises en klimaatgerelateerde gebeurtenissen heen moeten helpen; is van mening dat tegelijk niet mag worden toegestaan dat speculatie anderszins efficiënte landbouwholdings in gevaar brengt;

17. onderstreept dat de termijnmarkten in voedings- en landbouwproducten alleen toegankelijk behoren te zijn voor handelsondernemingen die derivaten gebruiken om zich tegen onvoorzienbare gebeurtenissen in te dekken, en beperkt dient te blijven tot gespecialiseerde handelaars en makelaars die geen commercieel belang in die markten hebben;

18. merkt op dat de prijsindex op de financiële markten voor landbouwgrondstoffen nog ooit zo onstabiel was; de prijzen van voedingsgrondstoffen zijn in 2010 aanzienlijk gestegen; volgens het ECB-maandbericht van januari is de prijs van tarwe met 91% gestegen, die van mais met 57%, van soja met 33% en van suiker met 32%;

19. wijst erop dat deze ontwikkelingen slechts voor een deel toe te schrijven zijn aan fundamentele marktfactoren als vraag en aanbod, en grotendeels het gevolg zijn van speculatie; merkt op dat speculatief gedrag goed is voor bijna 50% van de recente prijsstijgingen; onderschrijft de conclusies van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel wat de rol betreft die grote institutionele investeerders, bijvoorbeeld hedgefondsen, pensioenfondsen en investeringsbanken – alle in het algemeen zonder belangstelling voor de landbouwmarkten –, spelen, doordat zij de prijsindexen van grondstoffen beïnvloeden door hun bewegingen op de derivatenmarkten;

20. veroordeelt krachtig de activiteiten van speculanten in delfstoffen, landbouwgrondstoffen en brandstoffen die bijdragen tot versterking van de prijsschommelingen en die de wereldwijde voedselcrisis verergeren; acht het onaanvaardbaar dat dat sommigen verdienen aan de honger van anderen, en dringt aan op adequate regelgeving en doelmatig toezicht op nationaal en internationaal niveau die moeten voorkomen dat de speculatie het recht op voeding teniet doet;

21. verzoekt de EU concrete actie te ondernemen tegen armoede middels een samenhangend beleid dat handel, ontwikkelingssamenwerking en haar gemeenschappelijk landbouwbeleid omvat, om te voorkomen om directe en indirecte negatieve gevolgen voor de economie van de ontwikkelingslanden te voorkomen;

22. benadrukt de belangrijke rol die momenteel voor de EAEM is weggelegd bij het toezicht op de goederen- en grondstoffentermijnmarkten; vraagt de Commissie om een beoordeling van de capaciteit van ESMA voor de vervulling van de haar door de wet opgedragen taken; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken de EAEM meer bevoegdheden te verlenen om manipulatie en misbruiken op de grondstoffentermijnmarkten te voorkomen;

23. benadrukt dat er zonder interventie- of strategische voorraden niet doeltreffend kan worden opgetreden tegen sterke prijsschommelingen; is derhalve van mening dat marktinterventie-instrumenten een grotere rol moeten spelen in het toekomstige GLB;

24. is voorstander van gedurfder Europees optreden om het speculatieprobleem aan te pakken, onder andere via een mandaat voor regulatoren en toezichtsinstanties om speculatie te beteugelen; is van mening dat grondstoffenderivaten verschillen van andere financiële derivaten en dat zij alleen mogen worden verhandeld door handelaars die een legitiem belang hebben bij de bescherming van landbouwproducten tegen risico's en door andere categorieën van personen die een rechtstreekse band met de reële landbouwproductie hebben; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de handel in voedselgrondstoffenderivaten zo veel mogelijk wordt beperkt tot investeerders die een rechtstreekse band met de landbouwmarkten hebben;

25. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid