Ontwerpresolutie - B7-0117/2011Ontwerpresolutie
B7-0117/2011

    ONTWERPRESOLUTIE over de stijgende voedselprijzen

    9.2.2011

    naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Mairead McGuinness, Albert Deß, Gay Mitchell, Jean-Paul Gauzès, Michel Dantin, Béla Glattfelder, Elisabeth Jeggle, Peter Jahr, Filip Kaczmarek, Sandra Kalniete, Jarosław Kalinowski, Giovanni La Via, Astrid Lulling, Véronique Mathieu, Mariya Nedelcheva, Rareş-Lucian Niculescu, Georgios Papastamkos, Maria do Céu Patrão Neves, Czesław Adam Siekierski, Michèle Striffler, Artur Zasada, Sławomir Witold Nitras namens de PPE-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0114/2011

    Procedure : 2011/2538(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0117/2011
    Ingediende teksten :
    B7-0117/2011
    Aangenomen teksten :

    B7‑0117/2011

    Resolutie van het Europees Parlement over de stijgende voedselprijzen

    Het Europees Parlement,

    –   gelet op artikel 33 van het EG-Verdrag,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 januari 2011 over de erkenning van landbouw als sector die van strategisch belang is voor de voedselzekerheid,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 september 2010 inzake billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 juli 2010 over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 mei 2010 over de EU-landbouw en klimaatverandering,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 maart 2009 over de voedselprijzen in Europa,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 januari 2009 over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid,

    –   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in de ontwikkelingslanden (COM(2008)0450),

    –   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s - Het probleem van de stijging van de voedselprijzen aanpakken - Richtsnoeren voor maatregelen van de EU (COM(2008)0321),

    –   onder verwijzing naar zijn resoluties van 25 oktober 2007 over de stijging van de prijzen van levensmiddelen en van 22 mei 2008 over de stijgende voedselprijzen in de Europese Unie en de ontwikkelingslanden,

    –   gezien de Verklaring van Maputo over landbouw en voedselzekerheid van 2003, waarin Afrikaanse regeringen hebben toegezegd minstens 10% van hun nationale jaarlijkse begroting aan landbouw te besteden,

    –   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat de voedselprijzen voor de zevende achtereenvolgende maand tussen 2010 en 2011 een recordpeil hebben bereikt, dat het hoogste is sinds de meting van de voedselprijzen door de FAO vanaf 1990,

    B.  overwegende dat de stijging van de grondstoffenprijzen een destabiliserende factor voor de wereldeconomie is geworden en in 2008 in een aantal ontwikkelingslanden en onlangs nog in Algerije, Tunesië en Egypte tot rellen en onrust heeft geleid,

    C. overwegende dat de Voedsel- en landbouworganisatie (FAO) raamt dat het aantal ondervoede mensen in de wereld in 2010 globaal genomen tot 925 miljoen is gedaald, tegenover meer dan één miljard in 2009, terwijl het hongerprobleem wel groter blijft dan vóór de wereldwijde economische crises,

    D. overwegende dat de geraamde groei van de wereldbevolking van 7 tot 9,1 miljard volgens de FAO tegen 2050 een stijging van de landbouwproductie met 70% nodig maakt,

    E.  overwegende dat de uitdaging er als gevolg van de druk op de natuurlijke hulpbronnen in bestaat, meer te produceren met minder middelen, met de nadruk op duurzame productie,

    F.  overwegende dat armoede en hongersnood in de Europese Unie nog steeds bestaan, dat 79 miljoen mensen in de EU nog steeds leven onder de armoedegrens (60% van het gemiddelde inkomen in het land waar zij wonen), en dat 16 miljoen EU-burgers vorige winter via liefdadigheidsorganisaties voedselhulp hebben gekregen,

    G. overwegende dat de mondiale voedselvoorraden veel beperkter zijn dan in het verleden, met een laagterecord tijdens de voedselcrisis van 2007-2008, maar dat ze onlangs weer lichtjes zijn toegenomen,

    H. overwegende dat het veiligstellen van de continuïteit van de voedselvoorziening voor de burgers van Europa, het voorzien van de consumenten van voedsel tegen redelijke prijzen en het ondersteunen van passende inkomens van de boeren de belangrijkste doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zijn sinds de start hiervan en dat deze ook nu centrale doelstellingen van de EU blijven,

    I.   overwegende dat de prijsvolatiliteit in de landbouw een permanent karakter heeft, doordat de prijzen onevenredig reageren op kleine schommelingen van het productiepeil, heel vaak als gevolg van speculatie,

    J.   overwegende dat de mondiale voedselproductie regelmatig kan worden ondermijnd door uiteenlopende factoren zoals de gevolgen van plagen en ziektes, de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen en natuurrampen, zoals in 2010 is gebleken met de aanhoudende droogte en branden in Rusland en de gigantische overstromingen in Pakistan,

    K. overwegende dat natuurrampen zich als gevolg van de klimaatverandering steeds vaker zullen voordoen en de voedselzekerheid zullen ondermijnen,

    L.  overwegende dat door de recente volatiliteit van de voedsel- en grondstoffenprijzen bezorgdheid is ontstaan over de werking van de Europese en mondiale voedselvoorzieningsketens,

    M. overwegende dat bij de analyse van voedselprijzen en hun ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de complete toeleveringsketen; overwegende dat de levensmiddelensector gefragmenteerd is en dat de toeleveringsketen lang en uiterst complex is en vele tussenhandelaren omvat,

    N. overwegende dat in de mededeling van de Commissie (Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa - COM(2009)0591) op ernstige problemen in de toeleveringsketen wordt gewezen zoals misbruik van afnemersmacht, oneerlijke contractpraktijken (zoals late betalingen), eenzijdige wijzigingen van contracten, betalingen vooraf om aan onderhandelingen te mogen deelnemen, beperkte markttoegang, het ontbreken van informatie over de prijsvorming en de verdeling van de winstmarges in de gehele voedselvoorzieningsketen, die nauw verbonden zijn met de verhoogde concentratie in de input-, groothandels- en detailhandelssector,

    O. overwegende dat de inkomens van boeren na tien jaar loonimpasse in 2009 dramatisch gedaald zijn, voornamelijk als gevolg van moeilijke marktomstandigheden en stijgende productiekosten; overwegende dat de landbouwinkomens merkelijk lager zijn (naar schatting 40% per werkende) dan in andere sectoren van de economie, en dat het inkomen per inwoner in plattelandsgebieden aanzienlijk lager is (circa 50%) dan in stedelijke gebieden,

    P.  overwegende dat volgens een memorandum dat Eurostat in mei 2010 heeft gepubliceerd, de werkgelegenheid in de landbouwsector in de EU sinds 2000 met 25% is gedaald (van 14,9 miljoen voltijdse banen naar 11,2 miljoen),

    1.  bevestigt dat mondiale voedselzekerheid voor de Europese Unie een kwestie van de grootste urgentie is en dringt aan op onmiddellijke en voortdurende actie voor het realiseren van voedselzekerheid in zowel de EU als de rest van de wereld; onderstreept dat voedsel tegen redelijke prijzen voor de consument beschikbaar moet zijn, maar dat tegelijkertijd een behoorlijk levenspeil voor de landbouwers moet worden gegarandeerd;

    2.  is van oordeel dat de hervorming van het GLB rekening moet houden met de huidige situatie, waarbij een sterke eerste pijler wordt gewaarborgd ter ondersteuning van de landbouwinkomens, de voortzetting van landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden en de voorziening in marktondersteuningsmaatregelen;

    3.  benadrukt het feit dat een sterke en duurzame landbouwsector in de hele EU en een florerend en duurzaam platteland, die gegarandeerd worden door een krachtig GLB, vitale componenten zijn om de uitdaging van de voedselzekerheid aan te kunnen;

    4.  benadrukt het belang van het GLB als instrument voor het tot stand brengen van een betrouwbare voedselproductie in de EU; is van mening dat het GLB sinds de invoering ervan in 1962 voor een zekere voedselvoorziening voor de EU-burgers heeft gezorgd; benadrukt dat de communautaire landbouw die rol ook in de toekomst moet blijven vervullen;

    5.  bevestigt dat de EU de plicht heeft de voedselzekerheid voor haar burgers te waarborgen en dat voortzetting van de landbouwactiviteit in de EU hiervoor van cruciaal belang is; vestigt de aandacht op de dalende landbouwinkomens in de EU, als gevolg van de stijgende productiekosten en de prijsvolatiliteit, waardoor het vermogen van de landbouwers om hun productie in stand te houden, negatief wordt beïnvloed; wijst op de kosten die de Europese boeren moeten dragen om te voldoen aan de strengste voedselveiligheids-, milieu-, dierenwelzijn- en arbeidsnormen ter wereld; benadrukt dat de boeren compensatie moeten krijgen voor deze bijkomende kosten en voor het feit dat zij publieke goederen verstrekken aan de samenleving;

    6.  benadrukt dat het recht op voedsel een elementair en fundamenteel mensenrecht is en dat er pas sprake van is wanneer alle mensen op elk moment fysiek en economisch toegang hebben tot behoorlijke, veilige en voedzame levensmiddelen om te kunnen voorzien in hun behoefte aan voedsel en te kunnen kiezen voor levensmiddelen die een actief en gezond leven bevorderen;

    7.  is zich bewust van de grote uitdaging die de klimaatverandering voor de realisatie van voedselzekerheid oplevert, met name vanwege het feit dat klimaatgerelateerde gebeurtenissen als droogten, overstromingen, branden en stormen steeds vaker voorkomen en steeds grotere vormen aannemen; wijst op de eenzijdige acties die door klimaatgebeurtenissen getroffen landen of regio's hebben ondernomen en op de gevolgen van deze maatregelen voor de wereldmarkten;

    8.  wijst erop dat landbouw in de meeste ontwikkelingslanden een fundamentele sector is, die sterk afhankelijk is van grondstoffen die bijzonder gevoelig zijn voor prijsschommelingen;

    9.  verzoekt de EU maatregelen te steunen die gericht zijn op plattelandsontwikkeling, meer investeringen in landbouw en voedselzekerheid en meer aandacht voor urgente voedselbehoeften, kleinschalige landbouw en sociale-beschermingsprogramma's;

    10. verzoekt de EU en de ontwikkelingslanden landbezit te bevorderen als instrument in de armoedebestrijding en als waarborg voor voedselzekerheid, door versterking van de eigendomsrechten en vergemakkelijking van de toegang tot leningen voor boeren, kleine bedrijfjes en plaatselijke gemeenschappen; benadrukt het enorme belang van nieuwe investeringen in grotere capaciteit voor kleine boeren, efficiëntere waterbeheertechnologie en het herstel van de bodemvruchtbaarheid;

    11. benadrukt hoe belangrijk het is de landbouw in de ontwikkelingslanden te bevorderen en een passend deel van de officiële ontwikkelingshulp van de EU aan de landbouwsector toe te wijzen; betreurt dat het aandeel van de ontwikkelingshulp dat aan de landbouw wordt toegewezen, sinds de jaren tachtig dramatisch is gedaald en is verheugd dat er wordt erkend dat die tendens moet worden omgekeerd; verzoekt de Commissie van landbouw een prioriteit in haar ontwikkelingshulp te maken, en onder meer de toegang van boeren tot de markten te bevorderen;

    12. wijst erop dat het noodzakelijk is betere landbouwproductiemethoden in de ontwikkelingslanden te introduceren, met inbegrip van goedkope technologieën, onderzoek op het gebied van landbouw te verrichten en de productiviteit te verbeteren, om de duurzaamheid te vergroten en de negatieve gevolgen van voedselonzekerheid op te vangen;

    13. wijst erop dat de humanitaire voedselhulp moet afgestemd zijn op de behoeften, uitdagingen en structurele problemen in de ontwikkelingslanden; benadrukt hierbij dat het belangrijk is dat voedselhulp rekening houdt met de lokale productie-, distributie-, vervoer- en marketingmogelijkheden van deze landen en zo bijdraagt aan het leggen van de basis voor hun voedselzekerheid op de lange termijn;

    14. herinnert eraan dat energiezekerheid en voedselzekerheid zeer nauw met elkaar samenhangen; erkent dat energiekosten een belangrijke factor zijn voor het bepalen van het rentabiliteitsniveau van de landbouw, die grotendeels afhankelijk is van olie; moedigt maatregelen aan die de landbouwers ertoe aanzetten energie-efficiënter te worden en alternatieve energiebronnen te ontwikkelen; herinnert eraan dat consistentere steun voor onderzoek, ontwikkeling en adviesverstrekking nodig is;

    15. is evenwel van mening dat bij de toegenomen drang om hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen en de 2020-doelstellingen te halen rekening moet worden gehouden met de gevolgen daarvan voor de voedselproductie en -voorziening; benadrukt dat een delicaat evenwicht moet worden bereikt om de doelstellingen op het gebied van voedselvoorziening en brandstof te halen;

    16. stelt met bezorgdheid vast dat de productiekosten van de landbouwbedrijven escaleren en sneller stijgen dan de prijzen van de landbouwproducten; is bezorgd dat dramatische prijsstijgingen voor productiemiddelen tot minder gebruik van productiemiddelen en bijgevolg een lagere landbouwproductie kunnen leiden, wat de voedselcrisis in de EU en de rest van de wereld nog ernstiger zou maken; benadrukt bijgevolg dat het probleem van de toevoer en de prijs van de landbouwproductiemiddelen dringend moet worden aangepakt;

    17. benadrukt het belang van met overheidsgeld gefinancierd onderzoek dat bijdraagt aan de bevordering van de voedselzekerheid; pleit voor investeringen niet alleen in onderzoek naar individuele nieuwe technologieën, maar ook naar totale systemen voor de landbouw die de voedselzekerheid op de lange termijn bevorderen; benadrukt in dat verband de voortrekkersrol die bijvoorbeeld een technologisch platform van de EU voor onderzoek op het gebied van de ecologische landbouw op dit vlak zou kunnen spelen;

    18. is van oordeel dat het overeenkomstig het EG-Verdrag voor het Europees openbaar belang bevorderlijk is om een adequaat niveau van producenten- en consumentenprijzen te handhaven en garanties te bieden voor eerlijke mededinging, met name voor wat betreft strategische goederen zoals landbouwproducten en levensmiddelen;

    19. is van mening dat concurrentie ervoor zorgt dat de consument zijn levensmiddelen tegen concurrerende prijzen kan aankopen, maar dat ook aan landbouwers een stabiel inkomen moet worden gegarandeerd door prijzen te betalen die de productiekosten dekken en hun een billijke vergoeding te geven voor hun werk, eveneens om de voorzieningszekerheid van kwaliteitsvoeding te waarborgen;

    20. drukt zijn bezorgdheid uit over de lage landbouwinkomens in de EU; verklaart dat inkomensdaling als gevolg van stijgende productiekosten en prijsvolatiliteit het vermogen van de boeren om hun productie in stand te houden, negatief beïnvloedt; is er vast van overtuigd dat de voedselzekerheid in het gedrang zal komen als deze kwesties niet naar behoren worden aangepakt;

    21. wijst op de problemen waarmee de boeren in tijden van extreme markt- en prijsvolatiliteit kampen; vestigt de aandacht op de moeilijkheden die boeren ondervinden bij het vooruit plannen in tijden van extreme volatiliteit; verzoekt de Commissie met klem blijvende en krachtige maatregelen in te voeren om de volatiliteit op de landbouwmarkten met spoed aan te pakken; meent dat dit van cruciaal belang is voor de handhaving van de productie in de Europese Unie;

    22. benadrukt dat er zonder interventie- of strategische voorraden niet doeltreffend kan worden opgetreden tegen sterke prijsschommelingen; is derhalve van mening dat marktinterventie-instrumenten een grotere rol moeten spelen in het toekomstige GLB;

    23. wijst erop dat het prijstransmissiemechanisme en de kloof tussen producenten- en consumentenprijzen het meest worden beïnvloed door de volgende factoren: een toenemende concentratie in de gehele voedselvoorzieningsketen, de mate van productverwerking, prijsstijgingen als gevolg van andere externe kostenfactoren en speculatie in landbouwgrondstoffen;

    24. is van oordeel dat de factoren die bijdragen aan prijsstijgingen van landbouwgrondstoffen ten volle moeten worden begrepen en geïntegreerd en alomvattend moeten worden aangepakt; benadrukt dat er behoefte is aan een geïntegreerd politiek optreden en een alomvattende strategie om het probleem van de prijsstijgingen van landbouwgrondstoffen aan te pakken;

    25. neemt kennis van de mededeling van de Commissie over de uitdagingen voor de grondstoffenmarkten en is ingenomen met de aandacht die de Commissie tot nu toe aan deze kwestie heeft besteed; is evenwel bezorgd over het feit dat de Commissie louter vertrouwt op informatiestromen om het probleem van marktvolatiliteit op te lossen; is van oordeel dat een sterkere aanpak nodig is om deze kwestie op te lossen, met name om de transparantie op de grondstoffenmarkten te vergroten;

    26. is van mening dat de financiële en de landbouwmarkten tegenwoordig meer dan ooit met elkaar zijn verstrengeld; is van mening dat een Europese reactie alleen niet langer volstaat en dat Europa op het gebied van prijsvolatiliteit en voedselzekerheid moet optreden in overleg met derde landen en internationale organisaties;

    27. verzoekt de G20 de invoering van preventiemechanismen tegen overdreven prijsschommelingen te coördineren en te werken aan regelgeving, met name om voedsel- en landbouwcrises aan te pakken; verzoekt de G20 te zorgen voor convergentie van de regelgeving inzake voedsel en landbouwproducten en hier landen bij te betrekken die niet tot de G20 behoren;

    28. verzoekt de Commissie passende voorstellen op te nemen in de komende herziening van de MiFID-richtlijn (markten voor financiële instrumenten) en de marktmisbruikrichtlijn, ten einde de bezorgdheid op de voedsel- en landbouwproductenmarkten weg te nemen;

    29. steunt in samenhang hiermee een herziening van de bestaande regelgeving inzake financiële instrumenten, die moet zorgen voor transparantere transacties; herinnert eraan dat financiële instrumenten de economie moeten dienen en de landbouwproductie over crises en klimaatgerelateerde gebeurtenissen heen moeten helpen; is van mening dat tegelijk niet mag worden toegestaan dat speculatie anderszins efficiënte landbouwholdings in gevaar brengt;

    30. benadrukt de belangrijke rol die momenteel voor de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM) is weggelegd op het gebied van toezicht op de grondstoffenmarkten; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken de EAEM meer bevoegdheden te verlenen om manipulatie en misbruiken op de grondstoffenmarkten te voorkomen;

    31. is van mening dat een gericht mondiaal systeem van voedselvoorraden (noodvoorraden ter vermindering van de honger en voorraden om de grondstoffenprijzen te reguleren) nuttig zou zijn, omdat dit kan helpen de wereldhandel te bevorderen wanneer zich prijspieken voordoen, omdat het terugkerende protectionisme ermee kan worden afgeweerd en omdat de druk op de mondiale voedselmarkten ermee kan worden verlicht;

    32. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.