Ontwerpresolutie - B7-0156/2011Ontwerpresolutie
B7-0156/2011

    ONTWERPRESOLUTIE over het voortgangsverslag 2010 betreffende Turkije

    17.2.2011

    naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Ria Oomen-Ruijten namens de Commissie buitenlandse zaken


    Procedure : 2010/2996(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0156/2011

    B7‑0156/2011

    Resolutie van het Europees Parlement over het voortgangsverslag 2010 betreffende Turkije

    Het Europees Parlement,

    –   gezien het voortgangsverslag van de Commissie over Turkije van 2010 (SEC(2010)1327),

    –   onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties van 27 september 2006 over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding[1], van 24 oktober 2007 over de betrekkingen EU-Turkije[2], van 21 mei 2008 over het voortgangsverslag 2007 over Turkije[3], van 12 maart 2009 over het voortgangsverslag 2008 betreffende Turkije[4] en van 10 februari 2010 over het voortgangsverslag 2009 betreffende Turkije[5],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 september 2010 over handels- en economische betrekkingen met Turkije,

    –   gezien het kader voor onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,

    –   gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het partnerschap voor de toetreding met de Republiek Turkije[6] ("het toetredingspartnerschap"), en op eerdere besluiten van de Raad met betrekking tot het toetredingspartnerschap van 2001, 2003 en 2006,

    –   gezien de conclusies van de Raad van 14 december 2010,

    –   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat na de goedkeuring van het onderhandelingskader door de Raad op 3 oktober 2005 toetredingsonderhandelingen met Turkije werden geopend, en dat het openen van deze onderhandelingen het beginpunt voor een langdurig proces met een open einde vormde,

    B.  overwegende dat Turkije zich heeft verbonden tot hervormingen, goede nabuurschapsbetrekkingen en een geleidelijke aanpassing aan de EU, en overwegende dat deze inspanningen moeten worden beschouwd als een kans voor Turkije zelf om te moderniseren,

    C. overwegende dat het volledige voldoen aan alle criteria van Kopenhagen en het integratievermogen van de EU, in overeenstemming met de conclusies van de vergadering van de Europese Raad van december 2006, de basis blijven voor toetreding tot de EU, een gemeenschap die is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden,

    D. overwegende dat de Commissie heeft geconcludeerd dat Turkije in 2010 zijn politieke hervormingsproces heeft voortgezet, maar dat het gebrek aan dialoog en compromisbereidheid tussen de voornaamste politieke partijen een negatieve uitwerking heeft op de betrekkingen tussen de belangrijkste politieke instellingen, en de politieke hervormingen vertraagt,

    E.  overwegende dat Turkije, voor het vijfde opeenvolgende jaar, nog steeds geen uitvoering heeft gegeven aan de bepalingen die voortvloeien uit de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije en het aanvullend protocol daarbij,

    1.  prijst de burgers en het maatschappelijk middenveld van Turkije voor hun steun voor verdere democratisering van het land en voor hun engagement ten aanzien van een open en pluralistische samenleving;

    2.  wijst op de langzame vorderingen van Turkije met betrekking tot hervormingen en herinnert eraan dat de Turkse regering zich ertoe verbonden heeft omvattende hervormingen door te voeren om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen alsook om het land te moderniseren; dringt er bij de regering op aan haar inspanningen op dit gebied te vergroten;

    3.  maakt zich zorgen over de voortdurende confrontatie tussen de politieke partijen en het gebrek aan bereidheid van de regering en de oppositie om te streven naar consensus over belangrijke hervormingen; verzoekt alle politieke actoren, de regering en de oppositie met klem samen te werken om de politieke pluraliteit in overheidsinstellingen te vergroten en de modernisering en democratisering van de staat en de samenleving te bevorderen; verzoekt alle oppositieleden een opbouwende bijdrage te leveren aan het hervormingsproces;

    4.  wijst op de essentiële rol van een systeem van "checks and balances" (wederzijdse controle) in het bestuur van een moderne, democratische staat, die gebaseerd moet zijn op het beginsel van de scheiding der machten en het evenwicht tussen de uitvoerende, wetgevende en de rechterlijke macht, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden – met name de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid – en een participerende politieke cultuur die een daadwerkelijke afspiegeling biedt van een pluralistische, democratische samenleving;

    5.  onderstreept dat de Turkse Grote Nationale Vergadering een essentiële bijdrage zou moeten leveren aan de versterking van het systeem van wederzijdse controle, en dat zij de moderniseringshervormingen, op basis van partijoverschrijdende betrokkenheid, actief en constructief zou moeten ondersteunen, terwijl zij zorgt voor een democratische controle op het regeringsbeleid;

    6.  is ingenomen met de aanneming van de grondwettelijke amendementen, die een stap in de goede richting betekent, en dringt erop aan dat zij correct ten uitvoer worden gelegd, met volledige inachtneming van de normen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens; benadrukt echter tegelijkertijd dat een algehele grondwetshervorming dringend noodzakelijk is om Turkije om te vormen tot een volwaardige pluralistische democratie, met de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden als grondslag; is verheugd dat zowel de regering als de oppositie hebben verklaard tot een dergelijke hervorming bereid te zijn, en verzoekt de regering ervoor te zorgen dat alle politieke partijen en het maatschappelijk middenveld nauw worden betrokken bij het gehele grondwetsproces; vraagt dat het pakket grondwetswijzigingen ten uitvoer wordt gelegd; beveelt aan dat ook de Commissie van Venetië wordt uitgenodigd om deel te nemen;

    7.  is ingenomen met een aantal van de symbolische, op goede wil duidende gebaren, alsmede een aantal concrete stappen van de regering op het gebied van vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de bescherming van minderheden en culturele rechten; wijst er echter met klem op dat er systematische verbeteringen nodig zijn opdat de rechten van minderheden volledig worden erkend; moedigt de regering met name aan de democratische opening een nieuwe stimulans te geven, en verzoekt de oppositie een constructieve bijdrage te leveren en deel te nemen aan dat proces;

    Naleving van de criteria van Kopenhagen

     

    8.  maakt zich zorgen over de achteruitgang van de persvrijheid, bepaalde gevallen van censuur en de groeiende zelfcensuur in de Turkse media, ook op het internet; verzoekt de Turkse regering de beginselen van de persvrijheid hoog te houden; benadrukt dat een onafhankelijke pers essentieel is voor een democratische samenleving, en wijst in dit verband op de belangrijke rol van de rechterlijke macht ten aanzien van de bescherming en verhoging van de persvrijheid, door te zorgen voor een publieke ruimte die openstaat voor een vrij debat en door bij te dragen aan een goede werking van het systeem van "checks and balances"; onderstreept dat er een nieuwe mediawet moet worden aangenomen die onder andere de kwesties van onafhankelijkheid, eigendom en bestuurlijke controle omvat;

    9.  is ingenomen met nieuwe radio- en tv-wetten die in verschillende positieve ontwikkelingen voorzien, zoals een verhoging van het wettelijke aandeel dat buitenlandse eenheden mogen bezitten in Turkse mediabedrijven (van 25% naar 50%), maar uit zijn bezorgdheid over het feit dat uitzendingen uit hoofde van de nationale veiligheid kunnen worden gestopt zonder dat daar een gerechtelijk bevel of vonnis aan te pas komt; constateert bezorgd dat regelmatig wordt overgegaan tot strafrechtelijke vervolging van journalisten die bewijsmateriaal publiceren over schendingen van de mensenrechten of andere onderwerpen van algemeen belang aan de orde stellen, in het bijzonder op grond van artikel 285 van het wetboek van strafrecht over "schending van de vertrouwelijkheid van een strafrechtelijk onderzoek" en artikel 288 over "poging tot beïnvloeding van de rechtspraak"; beschouwt de strafbaarstelling van meningen als een van de grootste obstakels voor de bescherming van de mensenrechten in Turkije en betreurt de buitensporige beperkingen voor de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering; vraagt Turkije de verplichtingen in verband met de mensenrechten in dit opzicht strikt na te leven door de betreffende wetgeving te wijzigen en zijn politie en magistraten te scholen;

    10. betreurt dat een aantal wetsbepalingen, zoals de artikelen 301 en 318 en artikel 220, lid 6, in combinatie met artikel 314, lid 2, van het wetboek van strafrecht, artikel 7, lid 2, van de wet inzake terrorismebestrijding en wet nr. 5816 van 25 juli 1951, alsook verklaringen van de regering en activiteiten van openbare aanklagers de vrijheid van meningsuiting nog altijd inperken; herhaalt zijn verzoek aan de regering om de herziening van het juridisch kader voor de vrijheid van meningsuiting af te ronden en dit kader onverwijld in overeenstemming te brengen met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens; verklaart in dit verband nogmaals dat de Turkse regering duidelijke richtsnoeren voor openbare aanklagers moet uitvaardigen met betrekking tot wetten die vaak worden aangewend om de vrijheid van meningsuiting te beperken; betreurt de herhaaldelijke en onevenredige sluiting van websites en verzoekt de regering amendementen op de internetwet (wet nr. 5651) op te stellen teneinde te verzekeren dat deze de vrijheid van meningsuiting en het recht van burgers op toegang tot informatie niet langer inperkt;

    11. dringt er bij de regering op aan de rechten inzake de vrijheid van vergadering en de vrijheid van vereniging, vastgelegd in de artikelen 33 en 34 van de Turkse grondwet, te eerbiedigen; betreurt en veroordeelt in dit verband het gewelddadige politieoptreden tegen studentendemonstraties op de universiteit van Ankara in december 2010;

    12. erkent dat het onderwerp van de rechten van de Roma in Turkije nu behoorlijke aandacht krijgt, alsmede politiek engagement van zowel de regering als de oppositiepartijen; adviseert dat het huisvestingsplan van de regering voor de Roma nauwlettend wordt gevolgd en geëvalueerd, in het bijzonder wat betreft de duurzaamheid en methodologie van het plan; spoort de regering aan Roma-gemeenschappen actief te betrekken bij en op geloofwaardige wijze te raadplegen over alle integratieprocessen met betrekking tot de Roma in het land;

    13. waardeert de geboekte vooruitgang in de hervorming van de rechterlijke macht en herhaalt zijn standpunt dat rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid sleutelvoorwaarden zijn voor het functioneren van een pluralistische democratische samenleving; is bezorgd dat de gerechtelijke regelingen in Turkije nog steeds niet voldoende verbeterd zijn om het recht op een eerlijk en tijdig proces te verzekeren; verzoekt de regering de op dit gebied aangenomen grondwettelijke amendementen ten uitvoer te leggen, met volledige inachtneming van de scheiding tussen de uitvoerende en rechterlijke macht en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, en in overeenstemming met de Europese normen;

    14. is echter bezorgd over de interpretatie van het Turkse Hooggerechtshof volgens welke de periode van voorarrest is verlengd tot tien jaar, hetgeen een flagrante schending is van de Europese normen; vraagt de Turkse Grote Nationale Vergadering de betreffende wet te hervormen overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens; wijst ook op de verplichting voor Turkije om strikt zijn verbintenis krachtens artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens inzake een eerlijk proces binnen een redelijke termijn na te komen, met name door hoven van beroep in zijn rechtsapparaat te creëren en de capaciteit van zijn hooggerechtshoven te versterken;

    15. is ingenomen met het besluit van het Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaal Dink tegen Turkije van 14 september 2010; dringt er derhalve bij de Turkse autoriteiten op aan de consequenties van dit besluit volledig te bekrachtigen door de tenuitvoerlegging van adequate maatregelen ter bescherming van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Turkse overheid kunstmatige obstakels heeft opgeworpen voor de ontmaskering van de werkelijke aanzetters tot de moord op de Armeense journalist Hrant Dink;

    16. is ingenomen met het feit dat de aangenomen grondwettelijke amendementen eindelijk de basis bieden voor de oprichting van een ombudsbureau, en dringt bij de regering aan op de opstelling en bij het parlement op de aanneming van wetgeving die voorziet in een democratische procedure voor de benoeming van een algemeen gerespecteerde persoonlijkheid aan het hoofd van deze instelling; is ingenomen met de voorgestelde oprichting van een nationale instelling voor de mensenrechten, en verzoekt de Turkse Grote Nationale Vergadering het maatschappelijk middenveld te raadplegen en voldoende garanties te bieden voor de onafhankelijkheid van de nieuwe instelling, in overeenstemming met de beginselen van Parijs;

    17. prijst de geboekte vooruitgang op het gebied van de civiel-militaire betrekkingen, in het bijzonder de uitbreiding van het civiele toezicht door de beperking van de rechtspraak door militaire gerechtshoven, door de openstelling van de besluiten van de Hoge Militaire Raad voor rechterlijke toetsing en door de afspraken die zijn gemaakt over berechting van hoge legerofficieren door een civiel gerechtshof; merkt op dat deze vooruitgang moet worden voortgezet teneinde voor volledig civiel toezicht te zorgen, en verzoekt het Turkse parlement controle uit te oefenen op de veiligheidstroepen, alsook een volledig toezicht op de defensiebegroting;

    18. benadrukt dat onderzoeken naar vermeende plannen voor een staatsgreep, zoals de zaken Ergenekon en Sledgehammer, de kracht en de goede, onafhankelijke en transparante werking van de Turkse democratische instellingen en rechterlijke macht moeten aantonen; maakt zich zorgen over de buitensporig lange perioden van voorarrest, en benadrukt dat alle verdachten moeten kunnen rekenen op doeltreffende juridische waarborgen;

    19. betreurt het dat amendementen over de ontbinding van politieke partijen, die zijn voorgesteld als onderdeel van de recente grondwetshervorming, geen meerderheid hebben gekregen in de Turkse Grote Nationale Vergadering, en verzoekt alle politieke partijen met klem de desbetreffende wetgeving in overeenstemming te brengen met de Europese normen, met name ten aanzien van het advies van de Commissie van Venetië;

    20. herhaalt de in zijn vorige resoluties vermelde verzoeken betreffende de hervorming van het kiessysteem door de drempel van 10% te verlagen, wat het partijpluralisme ten goede zou komen en de pluraliteit van de Turkse samenleving beter zou afspiegelen; betreurt met name dat er in 2010 op dit gebied geen hervormingen zijn doorgevoerd; dringt aan op een omvattende herziening van de regels inzake partijfinanciering en verkiezingsuitgaven teneinde de interne partijdemocratie te versterken en een opener politiek systeem te bevorderen; moedigt politieke partijen aan de interne partijdemocratie te versterken en ervoor te zorgen dat de gekozen leden meer verantwoording afleggen aan hun kiezers;

    21. betreurt het gebrek aan vorderingen wat betreft de beperking van de onschendbaarheid van parlementsleden voor corruptiegerelateerde overtredingen, en neemt tegelijk nota van de bezorgdheid over de passende bescherming van niet-gewelddadige meningsuiting in het parlement; verzoekt de regering en het parlement daarom een overeenkomst te bereiken over een passende hervorming van het systeem van parlementaire onschendbaarheid;

    22. neemt kennis van het huidige Turkse voorzitterschap van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, en moedigt Turkije aan zijn gehechtheid aan de waarden van de Raad van Europa tot uitdrukking te brengen door de kaderovereenkomst voor de bescherming van nationale minderheden te ondertekenen en te ratificeren, en door alle aanvullende protocollen bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te ratificeren;

    23. is teleurgesteld dat de ratificering van het optionele protocol bij het VN-Verdrag tegen foltering sinds 2005 in behandeling is, en dringt er bij het Turkse parlement op aan dit protocol onverwijld te ratificeren;

    24. steunt de lopende dialoog tussen de regering en religieuze gemeenschappen, waaronder de alevieten en de Griekse, Armeense, Aramese en andere christelijke gemeenschappen; is echter teleurgesteld dat er slechts beperkte vooruitgang is geboekt met betrekking tot het rechtskader voor het functioneren van deze gemeenschappen, voornamelijk wat betreft hun mogelijkheid tot het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid, het openen en beheren van godshuizen, het opleiden van geestelijken en het oplossen van eigendomsproblemen waarvoor de wet inzake stichtingen geen uitkomst biedt; dringt, gezien de geldende termijnen en procedurele problemen, aan op niet aflatende, effectieve inspanningen om de wet inzake stichtingen uit te voeren, die deze geloofsgemeenschappen in staat moet stellen zonder onnodige beperkingen te functioneren, in overeenstemming met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens; dringt er bij de regering op aan haar steun aan de gewetensvrijheid en godsdienstige pluraliteit in de Turkse samenleving verder te vergroten;

    25. verzoekt de regering daarom deze kwesties systematisch aan te pakken door de wetgeving te wijzigen en te zorgen voor een correcte tenuitvoerlegging daarvan op alle regeringsniveaus, ook op gemeenteniveau; wijst in dit verband ook op de aanbevelingen betreffende de rechtspersoonlijkheid van religieuze gemeenschappen en de ecclesiastische titel "oecumenisch" van het orthodoxe patriarchaat, die in de lente van 2010 zijn aangenomen door de Commissie van Venetië; is verheugd over het recente besluit van de "Vergadering van stichtingen" om het Griekse jongensweeshuis op Büyükada over te dragen aan het Oecumenisch Patriarchaat, overeenkomstig het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens, en over het feit dat verscheidene Grieks-orthodoxe geestelijken de Turkse nationaliteit hebben gekregen om het werk van het Patriarchaat en de Heilige Synode te vergemakkelijken; is verheugd over religieuze plechtigheid in het Sumela-kloostermuseum in Trabzon en de plechtigheid in de kerk op het eiland Akhtamar in de provincie Van; betreurt het arrest van het Turkse Hooggerechtshof tegen het Mor Gabriel-klooster betreffende een geschil om land met een aantal dorpen en het Turkse Ministerie van Financiën; geeft nogmaals te kennen dat het verwacht dat de aankondigingen van de regering betreffende de heropening van het Grieks-orthodoxe Halki-seminarie spoedig zullen worden gevolgd door stappen en maatregelen met het oog op de ongehinderde opleiding van geestelijken van de christelijke gemeenschappen; dringt er bij de regering op aan speciale aandacht te schenken aan het lesmateriaal op scholen, dat een afspiegeling moet zijn van de religieuze pluraliteit van de Turkse samenleving, en aan de noodzaak van onbevooroordeeld lesmateriaal;

    26. spreekt zijn krachtige veroordeling uit over het aanhoudende terroristische geweld van de PKK, die op de lijst van terroristische organisaties van de EU staat, en andere terroristische groeperingen op Turkse bodem; moedigt Turkije, de EU en haar lidstaten ertoe aan hun samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding te intensiveren, in nauwe coördinatie met de EU-coördinator voor terrorismebestrijding en Europol en met strikte inachtneming van het internationale recht inzake de mensenrechten;

    27. verzoekt de regering om, in het kader van het proces van democratische opening, haar inspanningen inzake de Koerdische kwestie te verhogen met het oog op een vreedzame oplossing, met name door te zorgen voor een consistente wetgevingsinterpretatie waarbij het gebruik van de Koerdische taal in de politieke en openbare ruimte en in het onderwijs wordt toegestaan, door de antiterreurwetgeving aan te passen zodat een foutieve of te ruime interpretatie wordt voorkomen, door het recht van vrije meningsuiting, vereniging en vergadering te garanderen, door de problemen van personen die hun thuisregio zijn ontvlucht, onder meer als gevolg van het slepende conflict, doeltreffend aan te pakken, en door de sociaaleconomische situatie in het zuidoosten van het land verder te verbeteren; uit in dit verband zijn bezorgdheid over de lopende processen in Diyarbakir tegen 151 Koerdische politieke activisten, waaronder acht actieve verkozen plaatselijke burgemeesters, die een inmenging in wettige politieke activiteiten vormen;

    28. is ingenomen met de versterking van het juridisch kader ter waarborging van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid in het grondwettelijke pakket; is verontrust over de dalende percentages vrouwen op de arbeidsmarkt, zelfs onder hoog opgeleide vrouwen; dringt er bij de regering, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld op aan uitgebreide maatregelen te treffen om armoede onder vrouwen te bestrijden, hun sociale integratie en deelname aan de arbeidsmarkt te verhogen, bijvoorbeeld door analfabetisme onder vrouwen te bestrijden, de toegang van meisjes tot het middelbaar onderwijs actief te ondersteunen en te zorgen voor kinderopvangfaciliteiten; is voorts voorstander van de invoering van een systeem van verplichte quota's teneinde een betekenisvolle aanwezigheid van vrouwen te verzekeren op alle niveaus in de publieke en de privésector en in de politiek; verzoekt met name de politieke partijen gebruik te maken van de gelegenheid van de volgende verkiezingen om de actieve deelname van vrouwen aan de politiek te verhogen;

    29. betreurt ten zeerste de toename van zogenaamde eermoorden, de voortdurende hoge niveaus van huiselijk geweld en het verschijnsel van gedwongen huwelijken; verzoekt de regering met klem zich op alle niveaus in te zetten voor preventie, met name door wet nr. 4320 inzake de bescherming van het gezin te handhaven en de toepassing ervan door de politie en de rechterlijke macht te controleren, door gemeenten van meer dan 50 000 inwoners te verplichten voor voldoende opvangtehuizen te zorgen voor vrouwen en minderjarigen die gevaar lopen, door daadwerkelijk toe te zien op de volledige naleving van deze verplichting, en door een systeem in te voeren van aansluitende hulp voor vrouwen die deze opvangtehuizen verlaten, met als doel psychologische steun, rechtsbijstand en medische hulp te verlenen en hun re-integratie in de maatschappij te bevorderen; verzoekt de regering adequaat en doeltreffend toezicht te houden op de naleving van deze verplichting door de gemeenten; dringt er bij de rechterlijke macht op aan te waarborgen dat geweld tegen vrouwen en tegen mensen die eerwraak bestrijden, consequent en op passende wijze wordt bestraft;

    30. dringt er bij de regering op aan ervoor te zorgen dat gelijkheid, ongeacht geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of geloofsovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, door de wet wordt gegarandeerd en daadwerkelijk wordt toegepast; betreurt de recente rechtszaken tegen LGBTT-verenigingen, maar is verheugd over het feit dat deze zaken door de rechtbanken zijn afgewezen; wijst echter op de noodzaak van verdere actie tegen homohaat en discriminatie op grond van seksuele geaardheid; verzoekt de Turkse regering de Turkse strijdkrachten te gelasten een einde te maken aan het aanmerken van homoseksualiteit als "psychoseksuele aandoening";

    31. is van oordeel dat Turkije, overeenkomstig zijn verplichtingen uit hoofde van het internationale recht, wetgeving moet aannemen op grond waarvan als alternatief voor de militaire dienstplicht een civiele of sociale dienstplicht wordt ingevoerd die niet te lang is en op vrije keuze gebaseerd is; verzoekt de regering toe te zien op volledige naleving van de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaak Ülke tegen Turkije door de wetgeving te wijzigen ter voorkoming van de vervolging van gewetensbezwaarden die weigeren de dienstplicht te vervullen; verzoekt de regering een onderzoek in te stellen naar de aantijgingen van mishandeling van gewetensbezwaarden in militaire hechtenis en stappen te nemen om dergelijke wantoestanden in de toekomst te voorkomen;

    32. onderstreept het belang van een doeltreffende bescherming van verdedigers van de mensenrechten; is verontrust over de aanhoudende rechtszaken tegen en juridische vervolging van verdedigers van de mensenrechten en vestigt vooral de aandacht op het proces tegen Pinar Selek, dat twaalf jaar heeft geduurd ondanks twee vrijspraken; doet een beroep op de Commissie om haar zaak en alle soortgelijke zaken nauwlettend in het oog te houden en dergelijke processen systematisch bij te wonen;

    33. dringt er bij de belangrijkste politieke partijen op aan tot een oplossing te komen inzake het verbod op hoofddoeken aan universiteiten om de polariserende gevolgen van deze kwestie voor de Turkse samenleving tegen te gaan; is van oordeel dat deze oplossing dient te zijn gebaseerd op de eerbiediging van de vrije keuze van vrouwen;

    34. herhaalt, aangezien na resolutie 1625 van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa tot op heden nog geen vooruitgang is geboekt, met klem zijn oproep aan de Turkse regering om een beleid te voeren voor het behoud van het biculturele karakter van de Turkse eilanden Gökçeada (Imvros) en Bozcaada (Tenedos), en om met name de problemen aan te pakken die leden van de Griekse minderheid bij de uitoefening van hun onderwijs- en eigendomsrechten ondervinden;

    Vergroting van de sociale cohesie en de welvaart

     

    35. prijst de weerbaarheid van de Turkse economie ten aanzien van de wereldwijde economische crisis; benadrukt dat deze economische opleving een unieke kans biedt voor de verhoging van de arbeidsparticipatie en de werkgelegenheidscijfers – die nog steeds erg laag liggen en amper 50% bedragen – en voor de aanzet van een proces van progressieve sociale integratie; wijst op de gedeelde verantwoordelijkheid van de regering en de sociale partners, en moedigt hen aan de samenwerking te intensiveren om zo de basis van een sociaal georiënteerde markteconomie te versterken;

    36. neemt kennis van de onderlinge afhankelijkheid van de Turkse en de EU-economie en wijst op de mogelijkheden die deze schept voor het verhogen van de welvaart in zowel de EU als Turkije, naarmate de integratie van Turkije in de EU-markt vordert;

    37. is verheugd over de verbeteringen die met de grondwetswijzigingen werden ingevoerd op het gebied van de sociale dialoog en vakbondsrechten; houdt echter vol dat daarnaast het juridische kader, met inbegrip van de in behandeling zijnde wetgeving inzake vakbonden, in overeenstemming moet worden gebracht met de EU- en ILO-normen; moedigt alle partijen van de Economische en Sociale Raad aan zich meer toe te leggen op het bereiken van deze doelstelling en daartoe intensiever samen te werken;

    38. herhaalt dat de cohesie tussen Turkse regio's en tussen plattelands- en stadsgebieden moet worden versterkt; wijst in dit verband op de bijzondere rol van onderwijs en op de noodzaak hardnekkige en grote regionale ongelijkheden op het gebied van de kwaliteit van onderwijs en het percentage schoolgaande kinderen aan te pakken;

    39. verzoekt de Turkse regering de grootste aandacht te besteden aan de duurzaamheid en de milieugevolgen van haar plannen voor nieuwe energie- en waterinfrastructuur in het kader van het project zuidoost-Anatolië (GAP), die ernstige gevolgen zouden kunnen hebben voor het milieu en het unieke landschap van vele regio's en in het bijzonder aan de gevolgen van het project voor het buurland Irak; benadrukt met name dat erop moet worden toegezien dat de ontwerpwet voor natuurbescherming en biodiversiteit wordt aangepast teneinde het culturele en archeologische erfgoed te bewaren met volledige inachtneming van de Europese normen, en dat de verantwoordelijkheid voor de natuurbescherming duidelijk moet worden toegewezen aan de uitvoerende macht; doet een beroep op de regering om een ambitieuzer beleidskader te kiezen geschraagd door specifieke actieplannen ter bestrijding van de toename van broeikasgasemissies;

    Opbouw van goede nabuurschapsrelaties

     

    40. verzoekt de Turkse regering en alle betrokken partijen de lopende onderhandelingen actief te ondersteunen en een concrete bijdrage te leveren aan een allesomvattende oplossing voor de kwestie Cyprus, en verzoekt de regering een gunstig klimaat voor de onderhandelingen te bevorderen door onmiddellijk te beginnen met de terugtrekking van zijn strijdkrachten uit Cyprus; dringt er bij de twee gemeenschappen op Cyprus krachtig op aan om, zoals de secretaris-generaal van de VN heeft gevraagd, zoveel mogelijk te profiteren van de vorderingen die reeds in de onderhandelingen zijn behaald teneinde – in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, met name Resolutie 550 (1984), en de beginselen die aan de EU ten grondslag liggen – een duurzame oplossing te bereiken, dit ten voordele van de Cypriotische burgers, de EU en Turkije;

    41. moedigt Turkije aan zijn steun aan het Comité vermiste personen op Cyprus op te voeren, met name door het eenvoudiger toegang te bieden tot de militaire zones en archieven, en alle andere passende maatregelen in de humanitaire kwestie van de vermiste personen te treffen overeenkomstig de bevindingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens;

    42. verzoekt Turkije en de Turks-Cypriotische autoriteiten geen nieuwe nederzettingen van Turkse burgers op het eiland te stichten, aangezien dit het demografische evenwicht verder zou aantasten en de loyaliteit van zijn burgers zou verminderen jegens een toekomstige gemeenschappelijke staat op basis van zijn gemeenschappelijke verleden; vraagt Turkije de kwestie van de vestiging van Turkse burgers op het eiland aan te pakken overeenkomstig het Verdrag van Genève en de beginselen van het internationale recht;

    43. vraagt beide partijen, Turkije en Armenië, de protocollen zonder voorwaarden te ratificeren en de grens te openen, en vraagt Turkije zijn invloed in de regio te gebruiken ter bevordering van maatregelen die het wederzijds vertrouwen stimuleren;

    44. neemt kennis van de verhoogde inspanningen van Turkije en Griekenland ter verbetering van hun bilaterale betrekkingen; betreurt echter dat het door de Turkse Grote Nationale Vergadering afgekondigde casus belli-dreigement jegens Griekenland nog altijd niet is ingetrokken; verwacht van de Turkse regering dat zij een einde maakt aan de voortdurende schending van het Griekse luchtruim en de vluchten van Turkse militaire vliegtuigen boven Griekse eilanden;

    45. onderstreept dat het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS) door de 27 lidstaten, de EU en alle andere kandidaat-lidstaten is ondertekend en deel uitmaakt van het communautair acquis; vraagt de Turkse regering dit verdrag dan ook onverwijld te ondertekenen en te ratificeren;

    46. waardeert de verdieping van de betrekkingen tussen Turkije en Irak, met inbegrip van zijn Koerdische regionale regering, en wijst met name op de bijdrage van Turkije aan de stabilisering van Irak; dringt er bij Turkije op aan met de Iraakse regering en andere buurlanden te bespreken welke maatregelen genomen kunnen worden om de negatieve gevolgen van de door de Turkse regering aangekondigde bouw van een stuwdam tegen te gaan;

    Bevordering van de samenwerking tussen de EU en Turkije

     

    47. betreurt dat het aanvullende protocol bij de associatieovereenkomst EU-Turkije nog altijd niet door Turkije ten uitvoer is gelegd, wat een negatieve invloed blijft hebben op het onderhandelingsproces, en roept de Turkse regering op dit protocol volledig ten uitvoer te leggen;

    48. neemt kennis van de door Turkije geboekte vooruitgang met betrekking tot het hoofdstuk energie, en dringt er nogmaals bij de Raad op aan de onderhandelingen over dit hoofdstuk zonder verder uitstel te openen; verzoekt de Turkse regering haar inspanningen te verhogen bij de onderhandelingen over de toetreding tot het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap; is ingenomen met de ratificering van het intergouvernementeel akkoord inzake de Nabucco-gaspijpleiding en de ondertekening van het memorandum van overeenstemming inzake het gebruik van de ITGI-aardgaspijpleiding tussen Turkije, Griekenland en Italië, twee projecten die van groot belang zijn voor de continuïteit van de energievoorziening in de EU;

    49. is ingenomen met de lopende onderhandelingen over het hoofdstuk over voedselveiligheid, veterinair en fytosanitair beleid waarmee op 30 juni 2010 een begin werd gemaakt; moedigt Turkije aan de nodige maatregelen te treffen om bepaalde hoofdstukken, zoals ondernemings- en industriebeleid of trans-Europese netwerken af te sluiten;

    50. is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt met betrekking tot het afronden van de onderhandelingen over een overnameovereenkomst EU-Turkije, en verzoekt de Turkse regering ervoor te zorgen dat de bestaande bilaterale overeenkomsten – tot de inwerkingtreding van deze overeenkomst – volledig ten uitvoer worden gelegd; benadrukt het belang van een intensievere samenwerking tussen de EU en Turkije op het gebied van migratiebeheer en grenscontrole, onder meer gezien het grote percentage illegale immigranten dat via Turkije het EU-grondgebied binnenkomt; is ingenomen met het feit dat het maatschappelijk middenveld is geraadpleegd over drie wetsontwerpen inzake asiel en dringt er bij de regering op aan deze wetten onverwijld aan het parlement voor te leggen; is van mening dat de Raad, zodra de overnameovereenkomst in werking treedt, de Commissie een mandaat moet verlenen om een visumdialoog op gang te brengen met bijzondere aandacht voor de inreisvoorwaarden voor naar zakenmensen en studenten die naar de EU reizen, als noodzakelijke stap met betrekking tot mobiliteit;

    51. neemt kennis van het steeds actievere buitenlands beleid van Turkije, dat gericht is op het versterken van de rol van het land als regionale speler; spoort de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger aan dit aspect ten volle in overweging te nemen en zich met Turkije toe te leggen op de coördinatie van de doelstellingen en een passende bevordering van de EU-belangen; roept de Turkse regering op haar buitenlands beleid beter af te stemmen op dat van de EU; is in beginsel ingenomen met het onlangs aangekondigde "zero problem"-beleid van Turkije ten aanzien van zijn buurlanden, maar benadrukt dat Turkije zich ondubbelzinnig achter onze Europese waarden en belangen moet blijven scharen; roept de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op de bestaande dialoog met Turkije over aangelegenheden van buitenlands beleid van wederzijds belang te intensiveren;

    52. benadrukt het strategische belang van het gebied rond de Zwarte Zee voor de EU; is van mening dat Turkije in dit gebied een belangrijke partner van de EU is en verzoekt Turkije zich in te zetten voor en actief bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen van de EU in het Zwarte Zeegebied, met inbegrip van een mogelijke EU-strategie voor de Zwarte Zee;

    53. dringt er bij de Turkse regering op aan haar volledige steun te verlenen aan de inspanningen van de internationale gemeenschap om te voorkomen dat Iran kernwapens verkrijgt, en betreurt dat Turkije tegen de desbetreffende resolutie van de VN-Veiligheidsraad heeft gestemd; is van oordeel dat Turkije zou kunnen bijdragen aan de democratisering en de versterking van de mensenrechten in Iran, terwijl het zijn inspanningen coördineert met die van de EU;

    54. meent dat Turkije een belangrijke rol moet spelen bij de bevordering van de dialoog in het vredesproces van het Midden-Oosten en bij het bevorderen van stabiliteit in Libanon en verzoekt Turkije zijn nauwe betrekkingen met Israël weer aan te halen, zijn opbouwende bemiddeling weer te hervatten, en met name bij te dragen aan de versterking van de Palestijnse Autoriteit;

    55. waardeert de actieve toewijding waarmee Turkije ondersteuning biedt aan de inspanningen van de trans-Atlantische partners in Afghanistan en de Balkan; betreurt echter dat strategische samenwerking tussen de NAVO en de EU naast de Berlijn Plus-regeling door Turkse bezwaren wordt geblokkeerd;

    56. verzoekt de Turkse regering om het Statuut van het Internationaal Strafhof te ondertekenen en ter ratificatie voor te leggen, en zo te zorgen voor een nog grotere Turkse bijdrage aan en betrokkenheid bij het wereldwijde multilaterale systeem;

    57. neemt kennis van de conclusies van de Commissie in haar jaarverslag 2009 over de uitvoering van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en de verbeteringen die zij voorstelt om voorrang te geven aan doelstellingen en projecten die in lijn zijn met de toetredingscriteria, zoals door de Rekenkamer voorgesteld in Speciaal Verslag nr. 16/2009; benadrukt het belang van alomvattend toezicht op de uitvoering van het instrument voor pretoetredingssteun nu er steeds meer projecten lopen;

    58. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.