Ontwerpresolutie - B7-0226/2011Ontwerpresolutie
B7-0226/2011

    ONTWERPRESOLUTIE over het voortgangsverslag 2010 over IJsland

    24.3.2011

    naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Cristian Dan Preda namens de Commissie buitenlandse zaken


    Procedure : 2010/2999(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0226/2011

    B7‑0226/2011

    Resolutie van het Europees Parlement over het voortgangsverslag 2010 over IJsland

    Het Europees Parlement,

    –   gezien de verordening van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2010 waarin IJsland wordt toegevoegd aan de lijst van landen die in aanmerking komen voor aan toetreding voorafgaande steun van de EU om kandidaat-lidstaten te helpen zich aan te passen aan de Europese wetgeving,

    –   gezien het advies van de Commissie van 24 februari 2010 over het door IJsland aangevraagde lidmaatschap van de Europese Unie (SEC(2010)153),

    –   gezien het besluit van de Europese Raad van 17 juni 2010 om toetredingsonderhandelingen met IJsland te starten,

    –   gezien het algemene standpunt van de EU en het algemene standpunt van de IJslandse regering die zijn goedgekeurd op de ministeriële ontmoeting aan het begin van de Intergouvernementele Conferentie over de toetreding van IJsland tot de Europese Unie van 27 juli 2010,

    –   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2010-2011" (COM(2010)0660) en het op 9 november 2010 goedgekeurde voortgangsverslag 2010 over IJsland,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 november 2009 over de uitbreidingsstrategie 2009 met betrekking tot de landen van de westelijke Balkan, IJsland en Turkije,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 juli 2010 over het verzoek van IJsland om toetreding tot de Europese Unie,

    –   gezien de in oktober 2010 goedgekeurde aanbevelingen van de eerste ontmoeting van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-IJsland,

    –   gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat IJsland aan de criteria van Kopenhagen voldoet en dat er op 27 juli 2010 toetredingsonderhandelingen met IJsland van start zijn gegaan, nadat de Raad van de EU hiervoor toestemming had verleend,

    B.  overwegende dat de toetsingsprocedure op 15 november 2010 van start is gegaan en volgens de planning tot 17 juni 2011 zal lopen,

    C. overwegende dat, zoals uit de hernieuwde consensus over de uitbreiding is gebleken, de vooruitgang van ieder land in de richting van het lidmaatschap van de Europese Unie gebaseerd moet zijn op verdienste,

    D. overwegende dat IJsland reeds nauw met de EU samenwerkt als lid van de Europese Economische Ruimte (EER), de overeenkomsten van Schengen en de Dublin-verordening, en dus reeds een beduidend deel van het acquis heeft aangenomen,

    E.  overwegende dat IJsland bijdraagt tot de Europese samenhang en solidariteit via het financiële mechanisme in het kader van de EER, en met de EU samenwerkt bij vredesmissies en crisisbeheersing,

    1.  acht het een goede zaak dat de toetredingsonderhandelingen met IJsland in juli 2010 zijn geopend; acht het van essentieel belang dat de noodzakelijke voorwaarden worden geschapen om het toetredingsproces van IJsland af te ronden en ervoor te zorgen dat de toetreding van het land een succes wordt;

    Politieke criteria

    2.  waardeert het vooruitzicht een land met een krachtige democratische traditie en maatschappelijke cultuur als nieuwe lidstaat op te nemen; onderstreept dat de toetreding van IJsland tot de EU de rol van de Unie als wereldwijde voorvechter en beschermer van mensenrechten en fundamentele vrijheden verder zal onderbouwen;

    3.  prijst IJsland om zijn goede reputatie op het gebied van bescherming van de mensenrechten en het waarborgen van nauwe samenwerking met internationale mechanismen voor de bescherming van de mensenrechten;

    4.  spreekt zijn steun uit aan de lopende werkzaamheden ter verbetering van het wetgevend kader met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie; spreekt in dit verband zijn waardering uit voor het IJslandse Initiatief voor moderne media, dat IJsland en de EU in staat stelt een sterke positie in te nemen met betrekking tot de wettelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting en informatie;

    5.  is ingenomen met de totstandkoming van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-IJsland in oktober 2010 en is overtuigd dat dit forum zal bijdragen tot nauwere samenwerking tussen het Althing en het Europees Parlement gedurende het toetredingsproces;

    6.  dringt er met klem bij de IJslandse autoriteiten op aan de rechten van EU-burgers met betrekking tot hun recht om bij plaatselijke verkiezingen in IJsland te stemmen, te harmoniseren;

    7.  neemt kennis van de goede vooruitgang die geboekt is bij het verbeteren van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en is ingenomen met de door de IJslandse autoriteiten in mei 2010 genomen maatregelen om de aan de minister van Justitie toegekende predominantie bij de benoeming van rechters aan te pakken, alsmede met de amendementen op de wet op de rechterlijke organisatie, die de onafhankelijkheid van de rechter vergroten, maar onderstreept dat deze maatregelen ook correct moeten worden uitgevoerd;

    8.  spreekt zijn voldoening uit over het werk dat is verricht door het kantoor van de speciale aanklager, alsmede over het verslag van de bijzondere onderzoekscommissie die in december 2008 door het IJslandse parlement was aangewezen om het verloop van de gebeurtenissen die tot de ineenstorting van het bankenstelsel hebben geleid, te onderzoeken en te analyseren, en over de vooruitgang die is geboekt bij het aanpakken van de politieke, institutionele en administratieve consequenties van de ineenstorting van het IJslandse bankenstelsel, maar wijst erop dat de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen nog steeds gaande is en met niet-aflatende inspanning moet worden voortgezet;

    Economische criteria

    9.  is ingenomen met het feit dat IJsland een bevredigende staat van dienst heeft voor wat betreft de tenuitvoerlegging van zijn EER-verplichtingen en zijn vermogen weerstand te bieden aan concurrentiedruk en marktkrachten in de EU;

    10. stelt evenwel vast dat het meest recente EVA-scorebordoverzicht laat zien dat het omzettingsdeficit van IJsland licht is toegenomen en dat het met 1,3% boven het tussentijdse streefcijfer van 1% ligt, hoewel de omzettingsachterstand is afgenomen;

    11. spreekt zijn voldoening uit over de overeenkomst die tot stand is gekomen tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van IJsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk over de Icesave-kwestie, met name inzake het garanderen van terugbetaling van de kosten voor de betaling van minimumgaranties voor spaarders in vestigingen van Landsbanki Hf. in het VK en in Nederland; is verheugd dat het IJslandse parlement de overeenkomst op 17 februari 2011 met een drie vierde meerderheid heeft goedgekeurd; neemt nota van het besluit van de IJslandse president om de wet aan een referendum te onderwerpen en hoopt dat er een eind zal komen aan de inbreukprocedure die de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op 26 mei 2010 tegen IJsland heeft ingeleid;

    12. is ingenomen met het feit dat de institutionele tekortkomingen in de financiële sector zijn aangepakt en dat er vooruitgang is geboekt bij het verbeteren van de regelgevings- en toezichtpraktijken in het bankwezen, met name wat de bevoegdheden van de financiële toezichthoudende autoriteit betreft;

    13. neemt met voldoening kennis van het feit dat IJsland zijn eerste pretoetredingsprogramma op economisch gebied aan de Commissie heeft voorgelegd, hetgeen een belangrijke stap vormt in de pretoetredingsfase, en hoopt dat de aangekondigde jaarlijkse bilaterale economische dialoog de samenwerking tussen de twee partijen zal consolideren;

    14. moedigt de IJslandse autoriteiten ertoe aan voort te gaan met het uitstippelen van een strategie ter liberalisering van de controle op het kapitaalverkeer, hetgeen een belangrijke voorwaarde is voor de toetreding van het land tot de EU;

    15. spreekt zijn voldoening uit over de recente positieve vierde herziening van het standby-programma van het IMF, waarin de belangrijke ontwikkelingen op het gebied van fiscale en economische consolidering in IJsland worden geschetst, alsmede over het feit dat de IJslandse economie na zeven kwartalen te zijn teruggelopen nu uit de recessie is gekomen en dat het reële bruto binnenlands product in de periode juli-september 2010 een groei van 1,2% ten opzichte van het vorige kwartaal vertoont;

    16. spreekt zijn waardering uit voor het beleid de IJslandse economie verder te diversifiëren als noodzakelijke stap voor het economische welzijn van het land op lange termijn; moedigt de IJslandse autoriteiten ertoe aan de toerismesector verder te ontwikkelen, aangezien deze als een veelbelovende groeimarkt voor de lange termijn wordt beschouwd en een toenemende aandeel in productie en werkgelegenheid vertegenwoordigt;

    17. neemt kennis van de wens van IJsland toe te treden tot de eurozone, die kan worden verwezenlijkt na toetreding tot de EU en wanneer is voldaan aan alle noodzakelijke voorwaarden;

    18. is verontrust over de hoge werkloosheid, en met name jeugdwerkloosheid, in IJsland en over de daling van de investeringen en de binnenlandse consumptie na de economische en financiële crisis, hoewel er op sommige van deze gebieden een opleving te bespeuren valt; stelt vast dat de goedkope groene energie en groene-energietechnologie die IJsland produceert een grotere rol zou kunnen spelen bij de doorstart van de economie;

    19. prijst IJsland om zijn omvangrijke investeringen in onderwijs, onderzoek en ontwikkeling en zijn steun aan en betrokkenheid bij de Lissabon-strategie, waaronder het uitstippelen van een IJsland-2020-strategie die de nadruk legt op de betekenis van onderwijs, onderzoek en ontwikkeling, en meetbare doelstellingen vastlegt;

    Vermogen de verplichtingen van het lidmaatschap na te komen

    20. stelt vast dat IJsland als EER-lidstaat ver gevorderd is waar het gaat om de eisen van 10 van de onderhandelingshoofdstukken, en ten dele al voldoet aan de eisen van 11 van de onderhandelingshoofdstukken; onderstreept dat het nakomen van de IJslandse verplichtingen in het kader van het EER-Verdrag een belangrijke voorwaarde is bij de toetredingsonderhandelingen;

    21. dringt er bij IJsland op aan de voorbereidingen voor aanpassing aan het EU-acquis op te voeren, met name op terreinen die niet onder de EER vallen, en ervoor te zorgen dat deze maatregelen worden uitgevoerd en gehandhaafd als het moment van toetreding daar is;

    22. dringt er bij IJsland op aan zich voor te bereiden op deelname aan het EU-beleid op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, en zich met name meer in te spannen om de administratieve structuur in te voeren die nodig is om dit beleid op het moment van toetreding ten uitvoer te leggen; wijst evenwel op het specifieke karakter van het IJslandse ecosysteem en moedigt de Commissie en de IJslandse autoriteiten aan tot een wederzijds bevredigende overeenkomst te komen die rekening houdt met de unieke eigenschappen van het milieu in IJsland;

    23. dringt er, tegen de achtergrond van het feit dat het gemeenschappelijk visserijbeleid momenteel wordt herzien en dat het acquis mogelijk wordt gewijzigd voordat IJsland toetreedt, bij IJsland en de EU op aan dit hoofdstuk van de onderhandelingen op constructieve wijze aan te pakken, teneinde tot een wederzijds bevredigende oplossing te komen voor duurzaam beheer en exploitatie van de visbestanden;

    24. neemt kennis van de goede reputatie van IJsland wat betreft duurzaam en op wetenschappelijke evaluaties gebaseerd beheer van zijn visbestanden;

    25. dringt er bij de IJslandse autoriteiten op aan de wetgeving af te stemmen op het internemarktacquis waar het gaat om vrijheid van vestiging, vrijheid van dienstverlening en vrij verkeer van kapitaal in de visproducerende en -verwerkende sector;

    26. dringt er bij IJsland en de EU op aan een constructieve benadering te volgen bij het gemeenschappelijk beheer van de makreelvisserij, en moedigt IJsland aan de onderhandelingen over dit onderwerp te hervatten, met name met het oog op een duurzame regeling voor het delen van quota;

    27. stelt vast dat IJsland door zijn ervaring met hernieuwbare energie een waardevolle bijdrage kan leveren tot het beleid van de EU, met name wat betreft het gebruik van energie uit aardwarmte, de bescherming van het milieu en maatregelen tegen klimaatverandering;

    28. stelt evenwel vast de meningen tussen de EU en IJsland sterk uiteenlopen als het gaat over het beheer van dierlijk leven in zee, met name de walvisjacht; herinnert eraan dat het verbod op de walvisvangst deel uitmaakt van het EU-acquis en dringt aan op uitvoerigere discussies over de eventuele afschaffing van de walvisjacht en de handel in walvisproducten;

    29. stelt vast dat IJsland een niet-militaire staat is en geen wapens produceert; spreekt zijn voldoening uit over het feit dat IJsland voortdurende steun biedt aan civiele GVDB-operaties en zich aansluit bij het merendeel van de verklaringen en besluiten op het gebied van het GBVB;

    30. spreekt zijn voldoening uit over het buitenlands beleid van IJsland, dat van oudsher stoelt op het internationaal recht, de mensenrechten, gendergelijkheid, ontwikkelingshulp en een op civiele waarden gebaseerd concept voor het veiligheidsbeleid;

    Regionale samenwerking

    31. is van mening dat de toetreding van IJsland tot de EU de kansen van de Unie om een actievere en constructievere rol te spelen in Noord-Europa en het Noordpoolgebied zal doen toenemen en daarmee zal bijdragen tot multilateraal bestuur en duurzame beleidsoplossingen in dit gebied; vindt het een positieve zaak dat IJsland participeert in de Noordse Raad, in het EU-beleid voor de noordelijke dimensie, in de Euro-Arctische Raad voor de Barentszzee en in de Arctische Raad, dat het belangrijkste multilaterale forum voor samenwerking in het Noordpoolgebied is; is van mening dat de toetreding van IJsland tot de EU de Europese aanwezigheid in de Arctische Raad zal consolideren;

    32. onderstreept dat er behoefte is aan een doeltreffender en beter gecoördineerd beleid van de Europese Unie voor het Noordpoolgebied en is van mening dat de toetreding van IJsland tot de EU de Noord-Atlantische dimensie van het buitenlands beleid van de Unie zal versterken;

    Publieke opinie en steun voor uitbreiding

    33. moedigt de IJslandse autoriteiten aan de maatschappelijke discussie over de toetreding tot de EU uit te breiden en rekening te houden met het feit dat er sprake moet zijn van duidelijke bereidheid, willen de onderhandelingen met succes worden bekroond; prijst IJsland om het opzetten van de publieke website eu.mfa.is en spreekt zijn voldoening uit over het steeds bredere en evenwichtigere debat in de IJslandse media over de voor- en nadelen van het EU-lidmaatschap;

    34. verzoekt de Commissie aan de IJslandse autoriteiten desgevraagd de materiële en technische steun te bieden om hen te helpen de doorzichtigheid en verantwoordingsplicht inzake het toetredingsproces op te voeren en in het gehele land een degelijke en grootschalige campagne voor duidelijke, correcte en op feiten gebaseerde voorlichting te helpen opzetten over de gevolgen van het lidmaatschap van de EU, zodat de IJslandse burgers in het toekomstige referendum over toetreding met kennis van zaken hun keuze kunnen bepalen;

    35. hoopt dat een goed geïnformeerde publiek opinie ook het engagement van de IJslandse autoriteiten positief kan beïnvloeden, ongeacht de uiteenlopende politieke standpunten;

    36. acht het essentieel dat de EU-burgers heldere, volledige en op feiten gebaseerde informatie krijgen over de gevolgen van toetreding van IJsland; verzoekt de Commissie en de lidstaten hierop toe te zien, en acht het even belangrijk te luisteren naar en in te gaan op de zorgen en vragen van de burgers en hun standpunten en belangen in aanmerking te nemen;

    -o0o-

    37. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de voorzitter van het Althing en de regering van IJsland.