ONTWERPRESOLUTIE over de huidige ontwikkelingen in Oekraïne
24.10.2011
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
Elmar Brok, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Ioannis Kasoulides, Gabriele Albertini, Elena Băsescu, Michael Gahler, Andrey Kovatchev, Monica Luisa Macovei, Mario Mauro, Nadezhda Neynsky, Cristian Dan Preda, Inese Vaidere, Eduard Kukan, Anna Ibrisagic, Daniel Caspary, Thomas Mann, Bernd Posselt, Roberta Angelilli namens de PPE-Fractie
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0543/2011
B7‑0554
Resolutie van het Europees Parlement over de huidige ontwikkelingen in Oekraïne
Het Europees Parlement,
– gezien zijn eerdere resoluties over Oekraïne,
– gezien het periodieke voortgangsverslag Oekraïne 2010 en de evaluatie van het ENB van 25 mei 2011,
– gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de vijf protocollen daarbij,
– gezien de verklaring van zijn Voorzitter over het vonnis tegen de voormalige Oekraïense premier Joelia Timosjenko van 11 oktober 2011,
– gezien de verklaringen van hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton namens de Europese Unie over het vonnis in de zaak Joelia Timosjenko van 11 oktober en 5 augustus 2011,
– gezien de gezamenlijke verklaring van de topbijeenkomst van het Oostelijk Partnerschap die op 29 en 30 september 2011 plaatsvond in Warschau,
– gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Unie en Oekraïne, die op 1 maart 1998 in werking is getreden, en de lopende onderhandelingen over een associatieovereenkomst (AO), die in de plaats moet komen van de PSO,
– gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de EU een stabiel en democratisch Oekraïne voorstaat dat de beginselen van de sociale markteconomie, de rechtsstaat, de mensenrechten, de bescherming van minderheden en de waarborging van de grondrechten eerbiedigt;
B. overwegende dat binnenlandse politieke stabiliteit, nadruk op interne hervormingen, eerbiediging van de rechtsstaat en de invoering van eerlijke, onpartijdige en onafhankelijke juridische procedures in Oekraïne een voorwaarde zijn voor de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne;
C. overwegende dat het besluit van de districtsrechtbank van Petsjersk om oud-premier Joelia Timosjenko te veroordelen tot zeven jaar gevangenisstraf, drie jaar uitsluiting van politieke activiteiten, een boete van 200 miljoen dollar en inbeslagname van al haar eigendommen, algemeen gezien wordt als een wraakactie of als een poging om oppositieleden te veroordelen en in de gevangenis te zetten om hen te verhinderen zich kandidaat te stellen bij en campagne te voeren voor de parlementsverkiezingen van volgend jaar en de presidentsverkiezingen in 2015;
D. overwegende dat de EU nadruk blijft leggen op de noodzaak van eerbiediging van de rechtsstaat met een eerlijke, onpartijdige en onafhankelijke rechtspraak, waarbij de verdenking moet worden vermeden dat gerechtelijke maatregelen selectief worden aangewend; overwegende dat de EU deze beginselen bijzonder belangrijk vindt voor een land dat nadere contractuele betrekkingen wenst aan te knopen en politieke associatie wil ontwikkelen;
1. is van mening dat het van grote betekenis en in het belang van beide partijen is dat de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne worden geïntensiveerd;
2. neemt er kennis van dat met succes is onderhandeld over de inhoud van de diepe en brede vrijhandelsovereenkomst (DCFTA);
3. veroordeelt met klem het vonnis tegen oud-premier Joelia Timosjenko, dat het beschouwt als ongerechtvaardigd, een schending van de mensenrechten en als een geval van misbruik van de rechtspraak met als doel de belangrijkste oppositieleider politiek uit de weg te ruimen; benadrukt dat de wet die tegen Timosjenko werd gebruikt dateert uit de Sovjettijd en bijgevolg zeker in tegenspraak is met de grondwet van een onafhankelijk Oekraïne, aangezien ze voorziet in strafrechtelijke vervolging voor politieke besluiten; wijst erop dat de artikelen 364 en 365, die momenteel worden herzien door de Verchovna Rada (het Oekraïense Parlement), niet in overeenstemming zijn met de Europese en de VN-normen;
4. benadrukt dat het vonnis tegen Joelia Timosjenko schokkend is, dat de veroordeling ingegeven was door politieke motieven en dat de mensenrechten herhaaldelijk werden geschonden in de loop van de gerechtelijke procedure;
5. verzoekt de autoriteiten van Oekraïne met klem om, indien Joelia Timosjenko in beroep zou gaan, alsook bij andere rechtszaken tegen haar en leden van de vorige regering, een eerlijke, transparante en onpartijdige rechtsgang te waarborgen;
6. is van mening dat, indien de veroordeling van Joelia Timosjenko niet wordt herzien, dit de sluiting van de associatieovereenkomst en de ratificatie ervan zal uitstellen en het land verder zal afbrengen van de verwezenlijking van zijn Europese aspiraties; uit zijn bezorgdheid over de voortdurende achteruitgang van de democratische vrijheden, alsook over het feit dat staatinstellingen wellicht gebruikt worden voor partijdoeleinden en voor politieke wraakneming;
7. benadrukt dat versterking van de rechtsstaat en binnenlandse hervormingen, met inbegrip van een geloofwaardige corruptiebestrijding, niet alleen van wezenlijk belang zijn voor het sluiten van de associatieovereenkomst en het aanhalen van de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne, maar ook voor het consolideren van de democratie in Oekraïne; is van oordeel dat dit cruciaal is voor de sluiting en de ratificatie van de overeenkomst;
8. verzoekt de Oekraïense autoriteiten ervoor te zorgen dat gerechtelijke maatregelen niet selectief worden gebruikt en dat onderzoeken, rechtsvervolgingen en rechtszaken zo transparant mogelijk verlopen;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de regering en het parlement van Oekraïne en de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa en de OVSE.