Ontwerpresolutie - B7-0693/2011Ontwerpresolutie
B7-0693/2011

ONTWERPRESOLUTIE over de top EU-Rusland (2011/2948(RSP))

12.12.2011

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

Rebecca Harms, Martin Schulz, Barbara Lochbihler, Bart Staes, Tarja Cronberg, Raül Romeva i Rueda, Indrek Tarand, Rui Tavares, Ulrike Lunacek namens de Verts/ALE-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0693/2011

Procedure : 2011/2948(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B7-0693/2011
Ingediende teksten :
B7-0693/2011
Debatten :
Aangenomen teksten :

B7‑0693/2011

Resolutie van het Europees Parlement over de top EU-Rusland (2011/2948(RSP))

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, met name de resolutie over de conclusies van de top EU-Rusland van 9 en 10 juni 2011 te Nizjni Novgorod, de resolutie van 7 juli 2011 over de voorbereidingen voor de Russische parlementsverkiezingen in december 2011 en de resolutie van 17 februari 2011 over de rechtsstaat in Rusland,

–   gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Unie en de Russische Federatie, die in 1997 in werking is getreden en waarvan de looptijd verlengd is in afwachting van een nieuwe overeenkomst,

–   gezien de lopende onderhandelingen die zijn gestart in 2008 over een nieuwe overeenkomst die een nieuw omvattend kader voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland moet bieden, en gezien het Partnerschap voor modernisering dat van start is gegaan in 2010,

–   gezien het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland, en in het bijzonder de laatste bijeenkomst in Brussel op 29 november 2011,

–   gezien resolutie 1728 van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa van 29 april 2010 over discriminatie op grond van seksuele geaardheid en seksuele identiteit, en de aanbeveling van de commissie van ministers CM/Rec(2010)5 van 31 maart 2010 over maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van seksuele geaardheid of seksuele identiteit,

–   gezien de slotverklaring en de aanbevelingen van de veertiende bijeenkomst van het parlementair samenwerkingscomité EU-Rusland, die op 19 en 20 september 2011 in Warschau werd gehouden,

–   gezien de bijeenkomst van het Civil Society Forum EU-Rusland op 1 en 2 december 2011 in Warschau,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de onlangs door Georgië en Rusland bereikte overeenkomst de weg vrijmaakt voor de toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie en de belangrijkste belemmering wegneemt voor een verdieping van de economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Rusland; overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Rusland ondanks de toenemende onderlinge afhankelijkheid op het gebied van handel en economie geen vooruitgang maken vanwege geschillen en wantrouwen over fundamentele onderwerpen, die de partijen hebben belet om een echt strategisch partnerschap op te bouwen;

B.  overwegende dat versterkte samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen tussen de EU en Rusland van fundamenteel belang zijn voor de stabiliteit, de veiligheid en de welvaart van Europa; overwegende dat de ontwikkeling van een strategisch partnerschap tussen de EU en de Russische Federatie slechts kan plaatsvinden op basis van gedeelde gemeenschappelijke waarden; overwegende dat het van het allergrootste belang is de samenwerking tussen beide partners op internationale niveau op te voeren in alle instellingen, organisaties en forums, met het oog op de verbetering van de mondiale governance en de aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen;

C. overwegende dat het partijcongres van de partij Verenigd Rusland op 27 november formeel goedkeuring heeft gehecht aan de kandidatuur van voormalig president Putin voor de in maart 2012 geplande presidentsverkiezingen; overwegende dat huidig premier Putin in zijn toespraak het Westen waarschuwde tegen inmenging in de Russische verkiezingen en opriep te stoppen met het geven van financiële steun aan ngo's en critici van het Kremlin;

D. overwegende dat er ernstige twijfels zijn geuit over de eerlijkheid van de verkiezingen van 4 december aangezien aan een aantal voorwaarden voor het houden van verkiezingen, zoals een publiek debat, een vrije pers en gelijke randvoorwaarden voor alle politieke krachten in het land, niet was voldaan en er bovendien grote problemen zijn vastgesteld met betrekking tot de aanwijzing van kandidaten en de registratie van partijen, alsook een gebrek aan gelijkwaardige campagnemogelijkheden;

E.  overwegende dat het Openbaar Ministerie in Moskou op 1 december 2011 een administratief onderzoek is gestart tegen en een boete heeft opgelegd aan Golos, Ruslands meest ervaren verkiezingswaarnemingsorganisatie, in verband met vermeende inbreuken op de kieswetgeving, in concreto het opzetten van een website voor het melden van verkiezingsfraude en -onregelmatigheden;

F.  overwegende dat de OVSE/ODIHR over de dag van de verkiezingen heeft gezegd dat "de kwaliteit van het proces aanzienlijk slechter werd tijdens de telling, waarbij herhaaldelijk de hand werd gelicht met de procedures en zich gevallen van duidelijke manipulatie hebben voorgedaan, zoals diverse ernstige aanwijzingen dat er valse stembiljetten in de stembussen zijn gestopt"; overwegende dat de politie honderden activisten van de oppositie heeft gearresteerd die probeerden op 4 december en de daaropvolgende dagen in Moskou, Sint‑Petersburg en andere Russische steden te demonstreren tegen de wijze waarop de verkiezingen hadden plaatsgevonden;

G. overwegende dat op 10 december ten minste 50 000 mensen - de grootste demonstratie sinds de val van de Sovjetunie - op het Bolotnaya-plein in Moskou hebben geprotesteerd en hebben opgeroepen tot annulering van de resultaten van de verkiezingen van 4 december, het houden van nieuwe verkiezingen, het aftreden van Vladimir Churov, de voorzitter van de verkiezingscommissie, een onderzoek naar de vermeende gevallen van verkiezingsfraude en de onmiddellijke vrijlating van de gearresteerde demonstranten; overwegende dat vergelijkbare demonstratie in andere Russische steden hebben plaatsgevonden;

H. overwegende dat de EU en Rusland in juni 2010 een gezamenlijke verklaring hebben aangenomen over de prioriteiten van het nieuwe Partnerschap voor modernisering, dat gericht is op modernisering van de economieën en samenlevingen van beide partners; overwegende dat nauwelijks inhoudelijke follow-up is gegeven aan de onderdelen van het werkplan met voorstellen en projecten voor samenwerking en bijstand op de gebieden mensenrechten en de rechtsstaat;

I.   overwegende dat energie een sleutelelement van Ruslands buitenlands beleid is en onverminderd een centrale en strategische rol vervult in de betrekkingen tussen de EU en Rusland; overwegende dat de grote afhankelijkheid van de EU van fossiele brandstoffen de ontwikkeling van een evenwichtige, coherente en op waarden gebaseerde Europese benadering van Rusland ondermijnt; overwegende dat de concurrentie tussen de EU en Rusland op energiegebied toeneemt in gebieden van gemeenschappelijk belang, zoals de Zuid-Kaukasus en Centraal-Azië; overwegende dat het van het allergrootste belang is dat de EU met één stem spreekt en sterke onderlinge solidariteit aan de dag legt;

J.   overwegende dat een aantal energiekwesties waar samenwerking zowel de EU, als Rusland voordelen op zou kunnen leveren, zoals energie-efficiëntie en onderzoek naar technologieën voor hernieuwbare energiebronnen, op dit moment worden verwaarloosd;

K. overwegende dat de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vergadering in Rusland nog steeds onder druk staan en dat de situatie ten aanzien van initiatieven en activiteiten van mensenrechtenactivisten, onafhankelijke maatschappelijke organisaties, politieke opponenten, onafhankelijke media en gewone burgers vaak worden beperkt of gedwarsboomd, en met name in de noordelijke Kaukasus en andere delen van de Russische Federatie aanleiding geeft tot bezorgdheid;

L.  overwegende dat in de resolutie van het Europees Parlement over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de EU van 21 oktober 2010 de Raad van de EU wordt opgeroepen een inreisverbod en bevriezing van bankrekeningen en andere activa te overwegen voor de Russische functionarissen die betrokken waren bij de dood van Sergej Magnitski;

M. overwegende dat de Russische Federatie, als lid van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Raad van Europa, zich heeft verplicht tot eerbiediging van democratische beginselen en de mensenrechten, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering;

N. overwegende dat goedebuurbetrekkingen, vrede en stabiliteit in de gezamenlijke buurlanden in het belang van zowel Rusland als de EU zijn; overwegende dat een open, eerlijke en op resultaten gerichte dialoog tot stand gebracht moet worden over de crises in deze landen, met name ten aanzien van de vastgelopen conflicten, met het oog op de versterking van de veiligheid en de stabiliteit, ondersteuning van de territoriale integriteit van de betreffende landen en ontwikkeling van gemeenschappelijke crisisbeheersingsmechanismen;

O. overwegende dat veiligheid in Europa nog steeds een zeer gevoelig en tot onderlinge geschillen leidend onderwerp, en dat de EU en Rusland alles in het werk moeten stellen om de bestaande verschillen en uiteenlopende meningen op te lossen en de dialoog en samenwerking op dit gebied te versterken;

1.  is van oordeel dat de Top van Brussel het momentum kan creëren voor een significante verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Rusland die aansluit bij de ambities van beide partijen, op voorwaarde echter dat de rechtsstaat en de democratische waarden volledig worden geëerbiedigd en in het middelpunt van deze betrekkingen worden geplaatsts; onderstreept dat de nieuwe overeenkomst waarover beide partijen nu onderhandelen een juridisch bindend karakter moet hebben en op alomvattende wijze aandacht moet besteden aan alle aspecten van de betrekkingen; herhaalt zijn standpunt dat democratie en mensenrechten integraal onderdeel moeten vormen van deze overeenkomst, met name voor wat betreft de opstelling en opneming van een doeltreffende en operationele mensenrechtenclausule;

2.  veroordeelt het harde politieoptreden tegen de demonstranten die de door internationale waarnemers gemelde en met video-opnamen van gewone burgers gestaafde verkiezingsonregelmatigheden aan de orde hebben gesteld; verzoekt de Russische autoriteiten de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting volledig te respecteren, en een gedegen onderzoek in te stellen naar alle gevallen van verkiezingsonregelmatigheden, de betrokken functionarissen te bestraffen en de verkiezingen over te doen daar waar zich onregelmatigheden hebben voorgedaan; eist de onmiddellijke vrijlating van alle demonstranten;

3.  verzoekt de voorzitter van de Raad, de voorzitter van de Commissie, de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie en het EU-voorzitterschap de kwestie van de verkiezingen van 4 december tijdens de top onomwonden ter tafel te brengen en Rusland op te roepen zich te houden aan zijn internationale verplichtingen, in het bijzonder die uit hoofde van Ruslands lidmaatschap van de Raad van Europa en de OVSE; dringt aan op een grondige herziening van het verkiezingsproces, teneinde de weg vrij te maken voor echt vrije en eerlijke presidentsverkiezingen in maart 2012;

4.  merkt op dat de gemeenschappelijke problemen waarmee de EU en Rusland worden geconfronteerd, zoals de economische en financiële crisis, doeltreffende multilaterale instellingen,kwesties in verband met energie en energiezekerheid, het proces van democratische transformatie in de Arabische wereld en de vastgelopen conflicten in de gemeenschappelijke buurregio's, om een gemeenschappelijke aanpak en een betere samenwerking op het gebied van crisismanagement vragen; verzoekt Rusland in dit verband het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof te ratificeren;

5.  is van mening dat het Partnerschap voor modernisering niet kan worden beperkt tot economische samenwerking en technologische innovatie, maar dat het gepaard moet gaan met een ambitieus proces van binnenlandse hervormingen waaronder de consolidering van de democratische instellingen en een gedegen rechtsstelsel, eerbiediging van de rechtsstaat en de onbelemmerde ontwikkeling van een werkelijk maatschappelijk middenveld; dringt er in dit verband bij de Commissie en de Russische regering op aan vast te leggen welke maatregelen genomen moeten worden om deze doeleinden te realiseren;

6.  wijst erop dat het Civil Society Forum EU-Rusland een prominente rol kan vervullen bij het opwaarderen van het Partnerschap voor modernisering op de gebieden mensen- en burgerrechten, corruptiebestrijding en de rechtsstaat, en verwelkomt in dit verband de constructieve geest en werkatmosfeer tijdens de top in Warschau en de aangenomen aanbevelingen;

7.  onderstreept dat de betrekkingen met Rusland voor het moment slechts een pragmatisch karakter kunnen hebben; is blij met de overeenkomst die Georgië en de Russische Federatie hebben bereikt over de toetreding van Rusland tot de WTO, en verwacht dat het Russische lidmaatschap van deze organisatie de gesprekken over de nieuwe partnerschapsovereenkomst in een stroomversnelling zullen brengen;

8.  is verheugd over de voltooiing van de lijst van "common steps" in de richting van visumvrij kort reizen voor burgers van Rusland en de EU, en hoopt dat de implementatie ervan de weg zal vrijmaken voor onderhandelingen over een visumvrijstellingsovereenkomst; wijst er echter op dat visumverlening en visumliberalisering met de Russische Federatie op geen enkele wijze de houders van Russische paspoorten die in de "bevroren conflict"-regio's wonen mogen bevoorrechten, ten nadele van de burgers van Moldavië en Georgië;

9.  wijst erop dat samenwerking op energiegebied, en in het bijzonder de energiedialoog, een van de fundamentele elementen is in de betrekkingen tussen de EU en Rusland; onderstreept dat de EU haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen moet reduceren, overeenkomstig haar doelstellingen; benadrukt dat de beginselen van onderlinge afhankelijkheid, transparantie en naleving van de EU-wetgeving de basis dienen te vormen voor deze samenwerking, naast gelijke toegang tot markten, infrastructuur, investeringen en een betrouwbaar juridisch kader; ziet uit naar een routekaart voor de lange termijn met als doel de plaats van de Russische energiebronnen in de energiemix van de EU tot 2050 te bespreken;

10. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de beginselen van het Energiehandvest en het daaraan gehechte Doorvoerprotocol worden opgenomen in een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Rusland;

11. onderstreept dat diversificatie van energiebronnen en bevoorradingsroutes een strategisch onderdeel vormt van het EU-beleid inzake energiezekerheid; betreurt in dit verband het feit dat Rusland bezwaar heeft aangetekend tegen de aanstaande onderhandelingen tussen de EU, Azerbeidzjan en Turkmenistan over de aanleg van een trans-Kaukasisch pijpleidingsysteem;

12. dringt er bij de Russische Federatie om haar bijdrage aan de aanpak van klimaatverandering op te voeren, door middel van reductie van binnenlandse broeikasgassen en deelname aan de internationale onderhandelingen over een omvattend beleidskader voor klimaatmaatregelen voor de periode na 2012 krachtens het UNFCCC en het Protocol van Kyoto; benadrukt in dit verband dat met het oog op de verwezenlijking van de noodzakelijke verminderingen tegen 2020 ten opzichte van de emissies van 1990 in de landen van Bijlage I alle geïndustrialiseerde landen zich moeten vastleggen op streefdoelen die significante verminderingen van de huidige emissieniveaus inhouden en op uitbreiding van koolstofafvang in bossen;

13. onderstreept dat de EU haar samenwerking met Rusland op energiegebied moet uitbreiden naar andere terreinen van wederzijds belang, zoals energie-efficiëntie en onderzoek naar technologieën voor hernieuwbare energiebronnen; brengt in herinnering dat intergouvernementele overeenkomsten en commerciële overeenkomsten op energiegebied tussen Rusland en Europese entiteiten in overeenstemming moeten zijn met de wet- en regelgeving van beide partijen;

14. herinnert eraan dat in de buurt van EU-grenzen nog altijd kernreactoren van het Tsjernobyl-type en andere reactoren van de eerste generatie in gebruik zijn, en roept Rusland op deze onmiddellijk te sluiten; dringt er in tussentijd bij de EU en haar lidstaten op aan de invoer van kernenergie die niet in overeenstemming met de hoogste nucleaire veiligheidnormen en veiligheidsnormen is geproduceerd, te verbieden;

15. maakt zich ernstige zorgen over de projecten voor kerncentrales in het district Kaliningrad en Sosnovii Bor; verzoekt Rusland in dit verband onverwijld het UNECE (Espoo)-verdrag te ratificeren en te implementeren, en herinnert het land aan de verplichting om uniforme normen voor milieueffectbeoordeling voor grensoverschrijdende projecten te ontwikkelen;

16. betreurt ten zeerste de verdere verslechtering van de algehele mensenrechtensituatie in Rusland en het feit dat er geen vooruitgang wordt geboekt bij de ontwikkeling van de modaliteiten van het mensenrechtenoverleg EU-Rusland; uit zijn bezorgdheid over deze dialoog, die nu veel meer een proces is dan een middel voor het bereiken van meetbare en tastbare resultaten; geeft nog eens aan dat in dit mensenrechtenoverleg publieke voortgangsindicatoren moeten worden opgenomen, dat de modaliteiten voor de dialoog, zoals een roulatiesysteem voor de locaties waar het overleg plaatsvindt, interactie tussen Russische ngo's en de Russische autoriteiten over dit proces en de samenstelling van de Russische delegatie, moeten worden verbeterd, en dat er bij gelegenheid van de topontmoetingen EU-Rusland en na afloop van bijeenkomsten van de partnerschapsraad publieke voortgangsevaluaties moeten worden gepubliceerd;

17. betreurt het dat Rusland zich blijft verzetten tegen de betrokkenheid van andere ministeries en agentschappen dan het ministerie van Buitenlandse Zaken (zoals bijvoorbeeld de ombudsman), tegen het afwisselend in Rusland en de EU doen plaatsvinden van het overleg en tegen bijeenkomsten met Russische en internationale ngo's;

18. verzoekt de voorzitter van de Raad en de Commissie uiting te geven aan de bezorgdheid van de EU over het aanhoudend slechte mensenrechtenklimaat in Rusland, en in het bijzonder aan de opvatting dat het maatschappelijk middenveld voldoende ruimte moet krijgen om goed te kunnen functioneren, dat de veiligheid van mensenrechtenactivisten moet worden gewaarborgd, en dat er hoogdringend iets moet worden gedaan aan de vergaande straffeloosheid betreffende folteringen, gedwongen verdwijningen en andere ernstige misstanden in de Noord-Kaukasus; onderstreept verder het belang van de volledige implementatie door Rusland van de arresten van het Europees mensenrechtenhof voor het aanpakken van deze misstanden;

19. veroordeelt recente wetsvoorstellen voor het criminaliseren van publieke informatie over seksuele geaardheid en seksuele identiteit in Sint-Petersburg; betreurt ook het bestaan van vergelijkbare bepalingen in de regio's Archangelsk en Ryazan, en het feit dat in Moskou en op federaal niveau in de toekomst mogelijkerwijs voorstellen voor vergelijkbare voorstellen zullen worden gedaan; verzoekt alle autoriteiten in Rusland de vrijheid van meningsuiting niet te beperken, en seksuele geaardheid en seksuele identiteit niet steeds in een adem te noemen met pedofilie; vraagt de Dienst voor extern optreden te wijzen op de ernstige bezwaren van de EU tegen deze voorstellen;

20. herinnert de Russische Federatie aan haar verplichtingen krachtens het Europees mensenrechtenverdrag om de rechten van de lesbische, homo-, biseksuele en transseksuele gemeenschap (LGBT) te beschermen; verzoekt Rusland gevolg te geven aan de aanbeveling van de ministers betreffende maatregelen voor het bestrijden van discriminatie op grond van seksuele geaardheid en seksuele identiteit, en het recht van vrije meningsuiting en het recht van vrijheid van vergadering van de LGBT-gemeenschap te garanderen;

21. is van mening dat het gebrek aan onafhankelijkheid van de gerechtelijke instellingen aan de wortel ligt van de straffeloosheid in Rusland, en uit zijn bezorgdheid over berichten over politiek gemotiveerde rechtszaken, oneerlijke processen en verzuim om ernstige misdaden zoals moord, intimidatie en andere gewelddaden te onderzoeken;

22. betreurt het feit dat twee jaar na de dood van Sergej Magnitski het toegezegde onderzoek door de Russische autoriteiten eind november nog altijd niet was afgerond en dat waarschijnlijk pas in 2012 op resultaten kan worden gerekend; neemt nota van het in juli 2011 door premier Medvedevs mensenrechtenraad gepubliceerde rapport met daarin bewijzen betreffende de onwetmatigheid van Sergej Magnitski's arrestatie en het feit dat hij tijdens zijn detentie is geslagen en gefolterd om hem te dwingen een schuldbekentenis af te leggen;

23. wijst erop dat het Amerikaanse en het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken in 2011 hebben besloten niet langer visa te verstrekken aan 60 Russische functionarissen tegen wie de verdenking bestaat dat ze betrokken zijn geweest bij de dood van Sergeij Magnitski, in concreto in de vorm van nalatig optreden door de autoriteiten waarvoor zij werkten; verzoekt de Raad nog eens, gezien het feit dat er geen schot zit in het onderzoek naar de dood van Sergej Magnitski, de Russische autoriteiten met klem te verzoeken de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen, en tegelijkertijd in alle lidstaten van de EU een verbod in te stellen op de afgifte van visa aan en de tegoeden te bevriezen van de Russische regeringsfunctionarissen die betrokken waren bij de belastingfraude, alsook van diegenen die een rol hebben gespeeld bij de onwettige arrestatie, foltering, ontzegging van medische zorg en moord op Magnitski tijdens zijn detentie, en de verdoezeling van dit misdrijf;

24. betreurt het feit dat Rusland zijn steun onthoudt aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad waarin de gewelddadige onderdrukking in Syrië wordt veroordeeld, waarmee wordt voorkomen dat de internationale gemeenschap de noodzakelijke politieke en economische druk op het regime-Assad kan uitoefenen om verder geweld en een militaire escalatie te voorkomen;

25. is ingenomen met de bereidheid van Rusland verdere stappen te nemen om een kaderovereenkomst te sluiten op het gebied van crisismanagementoperaties; vraagt de Russische autoriteiten in dit verband consistent te zijn en de EU-waarnemingsmissie in Georgië toegang te geven tot de afvallige regio's Abchazië en Zuid-Ossetië, overeenkomstig de wapenstilstandsovereenkomst van 2008;

26. verzoekt de Russische autoriteiten de inspanningen te vergroten om met betrekking tot het conflict in Trans-Dnjestrië concrete vooruitgang te boeken, en is in dit verband verheugd over het besluit om de officiële 5+2-onderhandelingen weer op te pakken om op zo kort mogelijke termijn tot een alomvattende oplossing te komen;

27. betreurt dat er geen vooruitgang is geboekt in de richting van een oplossing van het conflict in Nagorno-Karabach; maakt zich zorgen over de niet-aflatende wapenwedloop in de regio en spoort de Russische regering aan een eind te maken aan alle wapenleveranties aan de conflictpartijen, teneinde de spanning te verminderen en de weg vrij te maken voor een alomvattende langetermijnoplossing;

28. betreurt het feit dat recent een radar voor vroegtijdige waarschuwing betreffende kernraketten in Kaliningrad is geïnstalleerd, alsmede de recente verklaringen van het Russische leiderschap dat het land zich in reactie op het Amerikaanse raketschildproject mogelijkerwijs uit het START-verdrag zal terugtrekken; dringt aan op constructief overleg tussen de VS, de NAVO en Rusland over veiligheidskwesties, met inbegrip van het uitwisselen van gegevens en informatie;

29. herinnert aan de cruciale rol die de OVSE speelt bij het bevorderen van veiligheid in Europa; dringt erop aan dat het proces gericht op beperking van conventionele wapens en op ontwapening in het kader van de OVSE nieuw leven wordt ingeblazen; is voorstander van onderhandelingen over verdere stappen gericht op het reduceren van troepen en wapens (CSE II); dringt er bij de regering van de Russische Federatie op aan de opschorting van de naleving van haar verplichtingen op grond van het oorspronkelijke CSE-verdrag op te heffen en ook de in 1999 in Istanboel gedane beloften na te komen; dringt er bij de leden van de NAVO op aan het aangepaste CSE-verdrag zonder verder dralen te ratificeren en te implementeren;

30. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de OVSE, de Raad van Europa, en de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.