Ontwerpresolutie - B7-0150/2012Ontwerpresolutie
B7-0150/2012

    ONTWERPRESOLUTIE over justitiële opleidingen (2012/2575RSP))

    9.3.2012

    naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0106/2012
    ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement

    Klaus-Heiner Lehne namens de Commissie juridische zaken
    Juan Fernando López Aguilar namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    Procedure : 2012/2575(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0150/2012
    Ingediende teksten :
    B7-0150/2012
    Aangenomen teksten :

    B7‑0150/2012

    Resolutie van het Europees Parlement over juridische opleiding en bijscholing (2012/2575RSP))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien artikelen 81 en 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die voorzien in de vaststelling volgens de gewone wetgevingsprocedure van maatregelen die "de ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel" beogen,

    –   gezien zijn resolutie van 10 september 1991 over de oprichting van een Europese Academie voor Rechtswetenschappen[1], zijn standpunt van 24 september 2002 over de aanneming van het besluit van de Raad tot instelling van een Europees netwerk voor justitiële opleiding[2], zijn resolutie van 9 juli 2008 over de taak van de nationale rechter binnen het Europees gerechtelijk apparaat[3] en zijn aanbeveling aan de Raad betreffende de ontwikkeling van een strafrechtsgebied in de EU[4],

    –   gezien de mededeling van de Commissie over een actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm[5],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 november 2009 over het programma van Stockholm[6],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 juni 2010 over de gerechtelijke opleiding[7],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2011 getiteld 'Opbouwen van vertrouwen in justitie in de hele EU - Een nieuwe dimensie in de Europese justitiële opleiding'[8],

    –   gezien het proefproject inzake justitiële opleiding dat in 2011 is voorgesteld door het Parlement,

    –   gezien de vergelijkende studie over de justitiële opleiding in de lidstaten die in opdracht van het Parlement werd uitgevoerd door de Academie voor Europees recht in samenwerking met het Europees netwerk voor justitiële opleidingen[9],

    –   gezien artikel 115, lid 5 en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat de hoger genoemde studie een overzicht geeft van de activiteiten in dit gebied in de nationale scholen voor magistraten, waarbij het type van aangeboden opleiding, de desbetreffende voorwaarden en de begrotingsmiddelen worden bekeken, met aandacht ook voor het vaststellen van behoeften en suggesties voor verbetering en beste praktijken, en dat in deze studie ook de resultaten worden weergegeven van een diepgaande bevraging van 6000 rechters en openbare aanklagers in de lidstaten, waarbij aandacht gaat naar hun ervaring inzake de opleiding in EU-recht en hun suggesties voor verbetering;

    B.  overwegende dat de justitiële opleiding met de juiste term 'justitiële studie' moet worden benoemd om de bijzondere aard weer te geven van de constante intellectuele inspanning die van de magistraten wordt gevraagd, alsook het feit dat degenen die een justitiële studie het best kunnen aanbieden, de rechters zelf zijn;

    C. overwegende dat het opleidingsaanbod momenteel nog ver verwijderd is van het streefdoel van de Commissie, namelijk dat dit voor de helft van de beoefenaren van juridische beroepen moet openstaan;

    D. overwegende dat volgens de studie het relatief geringe percentage van respondenten met een opleiding in EU-recht (53%, en slechts een derde daarvan gedurende de laatste drie jaar) onder meer kan worden verklaard door taalbarrières, een gebrek aan (tijdige) informatie over de bestaande programma's, het feit dat de programma's niet altijd aan de behoeften van de rechters zijn aangepast, alsmede de hoge werklast van de rechters en het gebrek aan voldoende middelen;

    E.  overwegende dat het verstandig zou zijn, ook budgettair gezien in de huidige situatie van financiële beperkingen, gebruik te maken van de bestaande instellingen, met name de nationale instellingen voor justitiële opleiding, maar ook universiteiten en beroepsverenigingen, voor wat betreft de aspecten van 'nationaal recht' bij het ontwikkelen van een Europese justitiële cultuur; overwegende dat zodoende beste praktijken kunnen worden vastgesteld in de lidstaten en bevorderd en verspreid in de hele EU; overwegende dat op het gebied van de opleiding in EU-recht, de Academie voor Europees recht (ERA) haar rol moet blijven vervullen;

    F.  overwegende dat, zoals het Parlement reeds heeft opgemerkt, de Europese justitiële ruimte moet berusten op een gedeelde justitiële cultuur onder de rechtsbeoefenaars, rechters en openbare aanklagers, die niet alleen gebaseerd is op EU-recht, maar wordt ontwikkeld via wederzijdse kennis en begrip van de nationale rechtssystemen, een ingrijpende hervorming van de universitaire curricula, uitwisselingen, studiebezoeken en gezamenlijke opleidingen met de actieve steun van de Academie voor Europees recht, het Europees netwerk voor justitiële opleiding en het Instituut voor Europees recht,

    G. overwegende dat de justitiële opleiding moet worden verbonden aan een debat over de traditionele rol van de magistratuur en de modernisering ervan, hoe deze open te trekken en haar horizon te verruimen; overwegende dat dit ook inhoudt dat een talenopleiding wordt aangeboden en dat de studie van vergelijkend recht en internationaal recht wordt bevorderd;

    H. overwegende dat een gemeenschappelijke justitiële cultuur ook tot stand moet worden gebracht onder de leden van het gerechtelijk apparaat, uitgaande van het Handvest van de grondrechten en de werkzaamheden van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa, teneinde de kernwaarden van het juridische beroep te bevorderen door over de gemeenschappelijke beroepsethiek, de rechtsstaat en de principes voor de benoeming en de selectie van rechters te debatteren en dit ook bekend te maken en om de politisering van het gerecht te voorkomen en zo het wederzijds vertrouwen te versterken dat nodig is om de gemeenschappelijke justitiële ruimte concrete vorm te geven;

    I.   overwegende dat het nodig is netwerken tussen rechters van verschillende culturen tot stand te brengen en de coördinatie van de bestaande netwerken te verbeteren om 'kringen van samenhang' te creëren; overwegende dat hiervoor elektronische communicatie niet volstaat, maar dat er fora moeten komen waar de rechters contact leggen met elkaar en dat het cruciaal is hierbij rechters te betrekken van de gerechtshoven uit Luxemburg en Straatsburg;

    J.   overwegende dat een justitiële studie niet beperkt kan blijven tot materieel en procedureel recht en overwegende dat rechters een opleiding nodig hebben die betrekking heeft op hun justitiële werkzaamheden en die tot 'rechterkunde' leidt;

    1.  erkent dat directe contacten de beste optie zijn, maar meent dat, in het licht van de budgettaire beperkingen alsook van de antwoorden van de rechters in de studie, een dergelijke opleiding en advies ook via het internet kunnen worden aangeboden (videoconferenties, online-cursussen, webstreaming) alsook door middel van uitwisselingen; merkt op dat rechters vragen om verdere beoordeling en aanpassing van de opleidingsprogramma's aan hun behoeften en kennelijk een interactieve opleiding verkiezen, waar ze ervaringen kunnen uitwisselen en praktijkgevallen bespreken, eerder dan de klassieke opleidingsformules met hoorcolleges;

    2.  meent dat ook moet worden gestreefd naar coördinatie van de opleidingen die door de bestaande instellingen voor justitiële opleiding worden aangeboden, en naar het faciliteren en bevorderen van dialoog en professionele contacten;

    3.  merkt op dat een meertalige opleiding belangrijk is aangezien uit de studie blijkt dat slechts een relatief klein aantal rechters voldoende kennis hebben van een vreemde taal om actief te kunnen deelnemen aan een justitiële opleiding in andere lidstaten;

    4.  meent dat de problemen (kosten, talenopleiding, kosten-effectiviteit) onder meer kunnen worden opgelost door het gebruik van moderne technologie en door het financieren van de creatie van applicaties ('apps') op de lijnen van ITunes U van Apple; dergelijke 'apps', die worden voorbereid door de nationale scholen, de ERA, de universiteiten en andere opleiders, zouden bestaan uit opleidingscursussen, met videomateriaal met onder meer taalonderricht (met extra aandacht voor juridische terminologie) en onderwijs over de nationale rechtssystemen, bijzondere rechtsprocedures, enz. en zouden gratis aan de leden van het gerechtelijk apparaat worden verstrekt;

    5.  meent dat rechters na een succesvolle deelname aan dergelijke cursussen in het kader van Erasmus in het buitenland opleidingscursussen zouden kunnen volgen;

    6.  stelt voor dat dergelijke 'apps' ook tegen een gering bedrag ter beschikking worden gesteld aan beoefenaars van juridische beroepen, beroepsverenigingen, academici en rechtenstudenten en meent dat de ontwikkeling en de verspreiding van deze 'apps' kan zorgen voor een bescheiden stimulans van de economie en de werkgelegenheid voor een relatief kleine kostprijs;

    7.  meent dat het proefproject dat door Luigi Berlinguer en Erminia Mazzoni is gepresenteerd en dat voor 2012 gepland is, in de eerste plaats moet gericht zijn op het vaststellen en uitbreiden van de beste praktijken voor het organiseren van de toegang tot EU-recht en de desbetreffende opleiding binnen de nationale gerechtelijke systemen en opleidingsinstituten; vindt bijvoorbeeld dat de EU de lidstaten ertoe moet aansporen om succesvolle instituten, zoals de coördinatoren voor EU-recht die in Nederland en Italië binnen de nationale juridische structuren bestaan, te imiteren en de opleiding van dergelijke coördinatoren te bevorderen en anderszins ook hun werk op EU-niveau te vergemakkelijken;

    8.  is van oordeel dat binnen het proefproject een werkgroep moet worden opgericht waaraan nationale en Europese aanbieders van justitiële opleiding deelnemen alsook actoren van buiten het gerechtelijk apparaat, die tot doel heeft een reeks thematische 'clusters' van onderwerpen van EU-recht vast te stellen die het meest relevant zijn voor de dagelijkse justitiële praktijk, zowel voor 'praktische' kwesties (hoe stel ik een prejudiciële vraag, hoe krijg ik toegang tot gegevensbanken van EU-recht, enz.) als over inhoudelijke onderwerpen,

    9.  stelt voor dat in het pilootproject wordt gezorgd voor een coördinatie van (a) de uitwisseling van advies en kennis over specifieke rechtssystemen tussen de diverse instellingen voor justitiële opleiding, uitgaande van de bestaande netwerken en middelen en (b) een officiële opleiding om vertrouwd te geraken met buitenlandse rechtssystemen;

    10. stelt ten slotte voor dat de Commissie een jaarlijks forum organiseert waar rechters van alle niveaus van anciënniteit in rechtsgebieden waar vaak nationale en grensoverschrijdende kwesties aan de orde zijn, kunnen debatteren over zaken die recentelijk tot controverse of problemen hebben geleid, teneinde discussie te stimuleren, contacten te leggen, communicatiekanalen tot stand te brengen en wederzijds vertrouwen en begrip te creëren; meent dat een dergelijk forum ook de gelegenheid kan bieden voor de bevoegde autoriteiten, opleiders en deskundigen, met inbegrip van de universiteiten en de beroepsverenigingen, om te discussiëren over het beleid inzake justitiële opleiding en de toekomst van de rechtenopleiding in Europa;

    11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.