Ontwerpresolutie - B7-0279/2012Ontwerpresolutie
B7-0279/2012

    ONTWERPRESOLUTIE over het meerjarig financieel kader en eigen middelen

    6.6.2012 - (2012/2678(RSP))

    naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Martin Callanan, Richard Ashworth, Geoffrey Van Orden, Anthea McIntyre, James Nicholson, Struan Stevenson namens de ECR-Fractie

    Procedure : 2012/2678(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0279/2012
    Ingediende teksten :
    B7-0279/2012
    Aangenomen teksten :

    B7‑0279/2012

    Resolutie van het Europees Parlement over het meerjarig financieel kader en eigen middelen

    (2012/2678(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer[1],

    –   gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 5,

    –   gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 311 en 312,

    –   gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa,

    –   gezien het voorstel van de Commissie van 29 juni 2011 – Een begroting voor Europa 2020, delen I en II,

    –   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat de Raad overeenkomstig artikel 312, lid 2, van het VWEU met eenparigheid van stemmen een verordening tot bepaling van het MFK vaststelt, na goedkeuring door het Europees Parlement;

    B.  overwegende dat het Deense fungerend voorzitterschap de Europese Raad in juni een zogeheten onderhandelingskist wil voorzetten waarin opties worden aangereikt voor alle aspecten van het overleg, ook de ontvangstenzijde, maar waarin in deze fase nog geen cijfers worden genoemd;

    C. overwegende dat de meerjarenprogramma's die verband houden met het volgende MFK, door het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure zullen worden vastgesteld;

    1.  is van mening dat begrotingsconsolidering een voorwaarde voor duurzame economische groei is en dat over het volgende meerjarig financieel kader wordt onderhandeld in een tijd waarin de lidstaten, in het besef van een versterkt kader voor budgettair en macro-economisch toezicht, uitzonderlijke maatregelen nemen om hun begrotingstekort en staatsschuld terug te dringen tot een draagbaar niveau;

    2.  herinnert eraan dat de Europese overheidsuitgaven niet gevrijwaard kunnen blijven van de aanzienlijke inspanningen die de lidstaten zich getroosten om hun overheidsuitgaven onder controle te krijgen, en onderstreept dat de maatregelen van de afgelopen jaren om de jaarlijkse groei van de Europese betalingskredieten af te remmen, daarom tijdens de resterende jaren van deze financiële vooruitzichten geleidelijk moeten worden aangescherpt en dat de betalingskredieten tijdens de looptijd van de volgende financiële vooruitzichten hoogstens met het inflatiepercentage mogen stijgen; is van mening dat in het verlengde hiervan de vastleggingskredieten tijdens de looptijd van het volgende MFK niet boven het niveau van 2013 mogen uitgaan, waarbij het stijgingspercentage onder het inflatiepercentage moet blijven;

    3.  is van mening dat het beginsel van Europese meerwaarde de doorslag moet geven bij alle toekomstige uitgaven, waarbij men zich ook moet laten leiden door de beginselen van doelmatigheid, doeltreffendheid en een gunstige kosten-batenverhouding, onder eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel, zoals omschreven in artikel 5 van het VEU en verankerd in protocol 1 over de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie;

    4.  merkt op dat het in de context van de huidige begrotingsproblemen uiterst belangrijk is zich van de volledige steun van de Europese burgers te verzekeren, ten einde onze verplichtingen in het kader van de EU 2020-strategie te bekrachtigen en na te komen; dringt daarom aan op een beter gebruik van de bestaande middelen en wijst erop dat de Europese Unie voor de uitdaging staat om niet méér geld uit te geven, maar om het geld efficiënter uit te geven;

    5.  herinnert eraan dat de EU-begroting een investeringsbegroting met een sterk hefboomeffect is en als een zeer sterk instrument kan fungeren voor het opvoeren van strategische investeringen met een Europese meerwaarde, hetgeen aansluit bij een benadering gericht op groei en het scheppen van banen; onderstreept dat het volgende MFK voornamelijk een afspiegeling moet zijn van de doelstellingen in de EU 2020-strategie, vooral door de uitgaven te concentreren op "slimme groei", zodat een samenhangende en consistente strategische benadering voor de lange termijn kan worden ontwikkeld ten aanzien van de uitdagingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt;

    6.  merkt op dat artikel 311, tweede alinea, van het VWEU bepaalt dat de begroting volledig uit eigen middelen wordt gefinancierd, acht het huidige stelsel van ontvangsten zowel wettig is als in de geest van het Verdrag en spreekt zich opnieuw uit tegen de wetgevingsvoorstellen die de Commissie op 29 juni 2011 heeft gedaan met betrekking tot de hervorming van het stelsel van eigen middelen, inclusief de voorstellen voor een FTT en een nieuwe EU-btw als bron van eigen middelen;

    7.  herhaalt zijn vaste standpunt inzake correctiemechanismen en onderstreept dat voorstellen voor de aanpassing of afschaffing van het huidige stelsel geen steun zullen krijgen; verzoekt alle betrokken partijen naar een pragmatische oplossing te streven en zich te richten op de sectoren binnen het MFK waarover een consensus kan worden bereikt;

    8.  dringt er, gezien het macro-economische klimaat en de uitdagingen die de veranderende wereld stelt, en met het oog op een beter, efficiënter gebruik van de EU-middelen op aan om binnen het MFK een grotere mate van flexibiliteit toe te staan om adequaat te reageren op veranderende omstandigheden en prioriteiten, met inachtneming van de overeengekomen omvang van de betalingskredieten;

    9.  houdt vast aan het eenheidsbeginsel voor de EU-begroting en onderstreept daarbij dat alle beleidsmaatregelen en programma's van de EU met een passende financiering in het MFK moeten worden opgenomen, om er zo toe bij te dragen dat het transparant en voorspelbaar is en verantwoording mogelijk maakt;

    10.  is verheugd over de toezegging van de Raadsvoorzitterschappen[2] dat zij zullen zorgen voor een open en constructieve dialoog en samenwerking met het Parlement in de context van artikel 312 van het VWEU; bekrachtigt zijn bereidheid om in volledige overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag van Lissabon tijdens het onderhandelingsproces nauw met de Raad en de Commissie samen te werken;

    11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten alsmede de overige betrokken instellingen en organen.