Procedure : 2012/2684(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0304/2012

Ingediende teksten :

B7-0304/2012

Debatten :

PV 13/06/2012 - 18
CRE 13/06/2012 - 18

Stemmingen :

PV 14/06/2012 - 11.9
CRE 14/06/2012 - 11.9

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0261

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 124kWORD 66k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0304/2012
11.6.2012
PE489.334v01-00
 
B7-0304/2012

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over het uitbannen van genitale verminking bij vrouwen (2012/2684(RSP))


Marina Yannakoudakis, Konrad Szymański, Martin Callanan, Daniel Hannan, James Nicholson, Malcolm Harbour, Edvard Kožušník, Valdemar Tomaševski, Julie Girling namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het uitbannen van genitale verminking bij vrouwen (2012/2684(RSP))  
B7‑0304/2012

Het Europees Parlement,

–   gezien de verslagen die zijn opgesteld in het kader van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het Facultatieve Protocol daarbij, en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–   gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over de strijd tegen genitale verminking van vrouwen in de EU(1),

–   gezien het verslag van de Wereldgezondheidsorganisatie van 2010 inzake een algemene strategie om het uitvoeren van genitale verminking van vrouwen door gezondheidswerkers een halt toe te roepen,

–   gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 5 december 2012 over het uitbannen van genitale verminking van vrouwen,

–   gezien de conclusie van de Raad EPSCO van 8 maart 2010 over het uitroeien van geweld tegen vrouwen in de Europese Unie en zijn oproep tot een internationale aanpak voor het bestrijden van genitale verminking van vrouwen,

–   gezien zijn resolutie A7 065/2011 van 5 maart over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat vrouwelijke genitale verminking (VGV) een onherstelbaar en onomkeerbaar misbruik is dat momenteel 140 miljoen vrouwen en meisjes treft, en overwegende dat er elk jaar nog eens 3 miljoen meisjes het risico lopen VGV te ondergaan;

B.  overwegende dat er in Europa 500.000 vrouwen met VGV leven en 180.000 meisjes het risico op VGV lopen, en overwegende dat volgens de deskundigen deze cijfers onderschat zijn en geen rekening houden met de migranten van de tweede generatie en de migranten zonder papieren;

C. overwegende dat elke vorm van VGV een daad is van geweld tegen vrouwen, die door zowel mannen als vrouwen wordt uitgevoerd en die een schending vormt van hun fundamentele rechten, met name het recht op persoonlijke integriteit en fysieke en mentale gezondheid;

D. overwegende dat VGV leidt tot zeer ernstige en onherstelbare letsels op korte en lange termijn aan de fysieke en mentale gezondheid van de vrouwen en meisjes die het ondergaan, en een zware aanval op hun persoon en hun integriteit vormt die in sommige gevallen zelfs fataal kan zijn;

1.  verzoekt de Algemene Vergadering van de VN in haar 67e zitting een resolutie goed te keuren inzake de wereldwijde uitbanning van genitale verminking van vrouwen, waarin de lidstaten ertoe worden aangespoord samen te werken om een eind te maken aan deze schadelijke praktijk;

2.  verzoekt de internationale gemeenschap, de relevante VN-organisaties en het maatschappelijk middenveld door de toewijzing van financiële middelen actief steun te verlenen aan doelgerichte innovatieve programma's en beste praktijken te verspreiden die beantwoorden aan de behoeften en prioriteiten van meisjes in kwetsbare situaties, zoals bij genitale verminking van vrouwen, die moeilijk toegang krijgen tot diensten en programma's;

3.  merkt op dat VGV, aangezien het meestal wordt uitgevoerd op meisjes in hun kindertijd tot de leeftijd van 15 jaar, een schending vormt van de rechten van het kind; herhaalt dat alle 27 EU-lidstaten zich hebben verbonden tot het beschermen van de kinderrechten in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

4.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij bijzondere aandacht besteedt aan de genitale verminking van vrouwen in het kader van een algemene strategie voor het bestrijden van geweld tegen vrouwen en binnen de EU-agenda voor de rechten van het kind; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij krachtdadig optreden om deze illegale praktijk te bestrijden;

5.  dringt er bij de lidstaten die dit nog niet gedaan hebben, op aan de praktijk van VGV op nationaal niveau strafbaar te maken en vervolging in te stellen tegen de personen die deze praktijk uitvoeren of die verantwoordelijk zijn voor het overbrengen van kinderen en jonge meisjes naar derde landen waar vervolgens VGV wordt uitgevoerd;

6.  is ernstig verontrust over bewijsmateriaal waaruit nu blijkt dat de schadelijk en soms fatale VGV wordt uitgevoerd door medisch personeel alsof het om een medische procedure gaat;

7.  verzoekt de secretaris-generaal van de VN ervoor te zorgen dat alle relevante organisaties en organen van het VN-systeem, met name het Kinderfonds van de Verenigde Naties, het Bevolkingsfonds van de VN, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur, het Ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties voor vrouwen, het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties, individueel en collectief, in hun landenprogramma's, waar nodig en overeenkomstig nationale prioriteiten, rekening houden met de bescherming en bevordering van de rechten van meisjes tegen genitale verminking, teneinde hun inspanningen op dit vlak verder te versterken;

8.  benadrukt dat bewustmaking, mobilisering van gemeenschappen, onderwijs en opleiding noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat alle voornaamste actoren, overheidsambtenaren, met inbegrip van rechtshandhavings- en gerechtelijk personeel, gezondheidswerkers, religieuze en gemeenschapsleiders, leraren, werkgevers, mensen die in de media werken en mensen die direct met meisjes werken, alsook ouders, families en gemeenschappen, zich inzetten voor het uitbannen van attitudes en schadelijke praktijken die nadelige gevolgen hebben voor meisjes;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan hun gezondheidsinformatiesystemen te versterken zodat zij kunnen toezien op het aantal meisjes en vrouwen binnen de Europese gezondheidssystemen die VGV hebben ondergaan;

10. benadrukt dat steun moet worden verleend aan de maatschappelijke organisaties, en met name vrouwenorganisaties, die zich binnen hun gemeenschappen inzetten om een einde te maken aan geweld tegen vrouwen en kinderen, onder meer genitale verminking van vrouwen;

11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de VN en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 117E van 6.5.2010, blz. 52.

Juridische mededeling - Privacybeleid