Procedure : 2013/2543(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0125/2013

Ingediende teksten :

B7-0125/2013

Debatten :

PV 12/03/2013 - 6
CRE 12/03/2013 - 6

Stemmingen :

PV 14/03/2013 - 8.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0090

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 157kWORD 75k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0121/2013
6.3.2013
PE507.377v02-00
 
B7-0125/2013/rev.

naar aanleiding van de verklaringen van de Commissie en de Raad

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de versterking van de strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, zigeunerhaat, homofobie, transfobie en alle andere vormen van haatdelicten en haatpropaganda (2013/2543(RSP))


Ulrike Lunacek, Nikos Chrysogelos, Carl Schlyter, Catherine Grèze, Jan Philipp Albrecht, Elisabeth Schroedter, Barbara Lochbihler, Franziska Keller, Raül Romeva i Rueda, Sandrine Bélier, Jean Lambert, Jean-Jacob Bicep, Nicole Kiil-Nielsen namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de versterking van de strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, zigeunerhaat, homofobie, transfobie en alle andere vormen van haatdelicten en haatpropaganda (2013/2543(RSP))  
B7‑0125/2013/rev.

Het Europees Parlement,

–   gezien de internationale mensenrechteninstrumenten die discriminatie verbieden, met name het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (UNCERD),

–   gezien het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en met name artikel 14 daarvan, dat een verbod inhoudt op "enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status", alsook protocol nr. 12 tot wijziging van dat verdrag, inzake het algemene verbod op discriminatie, en de desbetreffende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,

–   gezien artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, dat een verbod inhoudt op "elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid", alsook op grond van nationaliteit,

–   gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin is bepaald dat de Unie "berust [op waarden als] eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen",

–   gezien artikel 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin is bepaald dat "[de Unie] bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid",

–   gezien artikel 19 VWEU, dat de EU een politiek mandaat geeft om passende maatregelen te nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden,

–   gezien artikel 67 VWEU, waarin staat dat "de Unie […] ernaar [streeft] een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van […] racisme en vreemdelingenhaat",

–   gezien artikel 83, lid 2, VWEU, dat de Unie in staat stelt "indien onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, […] bij richtlijnen minimumvoorschriften [vast te stellen] met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied",

–   gezien zijn vorige resoluties over racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, islamofobie, zigeunerhaat, homofobie, transfobie, discriminatie, op vooroordelen gebaseerd geweld, extremisme en een EU-benadering van het strafrecht,

–   gezien het Bureau voor de grondrechten (FRA) en zijn werkzaamheden op het gebied van non-discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, homofobie en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid en op vooroordelen gebaseerd geweld,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, homofobie, transfobie, zigeunerhaat en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid berusten op overtuigingen, vooroordelen en gedragingen die discriminatie, geweld en haat op bepaalde gronden verantwoorden;

B.  overwegende dat discriminatie en haatdelicten – d.w.z. geweld en misdrijven die zijn ingegeven door racisme, vreemdelingenhaat, zigeunerhaat, godsdienstige onverdraagzaamheid, antisemitisme, homofobie, transfobie of onverdraagzaamheid jegens minderheidsgroepen, op grond van de redenen in het Handvest van de grondrechten – in de EU blijven plaatsvinden, hoewel alle lidstaten het verbod op discriminatie in hun rechtsstelsels hebben ingevoerd met het oog op gelijkheid voor iedereen;

C. overwegende dat toespraken, campagnes, publicaties en programma's die aanzetten tot haat en onverdraagzaamheid in verschillende lidstaten worden bevorderd door extremistische en populistische leiders wiens partijen inmiddels zijn vertegenwoordigd in het parlement en zelfs in de regering;

D. overwegende dat de populistische rechtse Oostenrijkse Vrijheidspartij (FPÖ) steeds meer haatdelicten en haatpropaganda toestaat en zelfs bevordert; overwegende dat de Oostenrijkse populistische FPÖ-politicus Heinz-Christian Strache antisemitische spotprenten op zijn Facebookpagina heeft staan; overwegende dat het aantal antisemitische incidenten in Oostenrijk tussen 2011 en 2012 is verdubbeld van 71 tot 135; overwegende dat de Oostenrijkse antiracismeorganisatie ZARA in 2011 706 gevallen van racisme heeft gemeld (waaronder moord, arrestaties op grond van ras, discriminatie en haatpropaganda), met name tegen mensen met een Afrikaanse of islamitische achtergrond; overwegende echter dat recente aanvallen van jonge homoseksuelen hebben aangetoond dat Oostenrijkse homoseksuelen, lesbiennes, biseksuelen en transseksuelen ook het slachtoffer zijn van haatdelicten en haatpropaganda;

E.  overwegende dat de Griekse populistische neonazipartij Chrisi Avgi (Gouden Dageraad) steeds meer aanspoort tot haatdelicten en haatpropaganda, terwijl de Griekse politie straffeloosheid voor haatdelicten toelaat; overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen in Griekenland tussen januari en september 2012 87 racistische misdrijven hebben plaatsgevonden, waarvan 15 verband houden met door de politie veroorzaakt racistisch geweld; overwegende dat er in 2011 en 2012 volgens migrantenverenigingen meer dan 600 racistische misdrijven in Griekenland hebben plaatsgevonden, met name tegen mensen met een Pakistaanse, Afghaanse of islamitische achtergrond; overwegende dat de nieuw opgerichte eenheden voor haatdelicten bij de Griekse politie onvoldoende functioneren, met als gevolg dat er van veel haatdelicten niet als zodanig aangifte wordt gedaan, waarvan de recente moord op een Pakistaanse migrant (op de fiets doodgestoken door twee neonazi's) het meest sprekende voorbeeld is; overwegende dat Griekse homoseksuelen, lesbiennes, biseksuelen en transseksuelen melding maken van een alarmerende stijging van het aantal homofobe en transfobe misdrijven en haatpropaganda; overwegende dat de Griekse politie naar verluidt niet erkent dat transfobe en homofobe misdrijven onder de bevoegdheid van de nieuwe haatdelicteenheden vallen, en weigeren aanklachten te accepteren van slachtoffers van dergelijke misdrijven of van illegale migranten die het slachtoffer zijn van haatdelicten;

F.  overwegende dat Zsolt Bayer, een vooraanstaande conservatieve commentator en oprichter van de Hongaarse Fideszpartij, zowel binnen als buiten Hongarije een schandaal heeft veroorzaakt door Roma te vergelijken met dieren, te zeggen dat "zij niet zouden mogen bestaan", en de volgende uitspraak te doen: "Een aanzienlijk deel van de Roma is niet geschikt om vreedzaam samen te leven. Zij zijn niet geschikt om onder de mensen te wonen. Deze Roma zijn beesten en ze gedragen zich als beesten. Wanneer zij op weerstand stuiten, plegen zij moord. Zij zijn niet in staat tot menselijke communicatie. Met hun dierlijk brein stoten zij onverstaanbare woorden uit [...]"; overwegende, voorts, dat Márton Gyöngyösi, commentator buitenlands beleid voor de Hongaarse ultrarechtse Jobbikpartij, heeft aangedrongen op een "jodenlijst", omdat joden een gevaar voor de veiligheid zouden vormen;

G. overwegende dat in Zweden de statistieken van 2011 over de categorie haatdelicten met antireligieus motief laten zien dat het aantal door islamofobie ingegeven haatdelicten is afgenomen, terwijl het aantal haatdelicten op grond van antisemitisme is toegenomen; overwegende echter dat racistische of door vreemdelingenhaat veroorzaakte misdrijven de grootste categorie vormden; overwegende dat slechts 7% van de haatdelicten in Zweden door de politie wordt opgelost, in vergelijking met 17% van de delicten in het algemeen; overwegende dat er meerdere aangiften zijn gedaan van antisemitisch geweld in Malmö, wat onder meer is opgemerkt door de voorzitter van de VN en de president van de VS; overwegende dat er in september 2012 een bom is ontploft buiten de Mozaïekkerk in Malmö en dat voor dit misdrijf twee jonge verdachten zijn gearresteerd;

H. overwegende dat uit een onderzoek van Human Rights Watch naar de situatie in Duitsland, dat werd gepubliceerd op 9 december 2011, is gebleken dat slachtoffers van haatdelicten vaak incorrect worden behandeld door wetshandhavingsinstanties, bijvoorbeeld doordat de politie nalaat tegen de overtreder op te treden, weigert getuigen op te sporen of hun verklaringen te registreren, en in sommige gevallen het slachtoffer als overtreder behandelt;

I.   overwegende dat de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) in haar verslag van 2011 over Spanje uiting geeft aan haar zorgen over het besluit van het constitutionele hof van 2007, waarin het strafbaarstelling van het ontkennen van de Holocaust als ongrondwettelijk verklaarde; overwegende dat het vonnis luidde dat het eenvoudig, neutraal ontkennen van bepaalde feiten zonder de intentie aan te zetten tot geweld, haat of discriminatie of deze goed te praten, geen strafbaar feit is; overwegende dat vier van de twaalf rechters tegen het vonnis hadden gestemd; overwegende dat de ECRI in kennis is gesteld van het feit dat de plaatselijke leider van de Partido Popular in Badalona, een stad bij Barcelona, al enkele jaren haatpropaganda bevordert en Roemeense en Roma-immigranten ervan beschuldigt de oorzaak van het geweld in de stad te zijn; overwegende dat maatschappelijke organisaties hun zorgen hebben geuit over de "onzichtbaarheid" van racisme en rassendiscriminatie in Spanje, alsook over de passieve houding en de gebrekkige wil op lagere overheidsniveaus om het probleem te erkennen en aan te pakken; overwegende dat het gebrek aan gegevens over racisme of rassendiscriminatie de indruk wekt dat racisme niet bestaat; overwegende dat de dienst haatdelicten en discriminatie van het openbaar ministerie van Barcelona is opgericht in oktober 2009, na twee geruchtmakende rechtszaken van eigenaren van boekhandels in Barcelona die publicaties verkochten waarin genocide werd gerechtvaardigd en gepromoot; overwegende dat er op dit moment volgens de autoriteiten geen plannen zijn om deze dienst ook in andere Spaanse steden op te richten en het te vroeg is om de doeltreffendheid ervan te kunnen beoordelen;

J.   overwegende dat er in het Verenigd Koninkrijk sprake is van een aanzienlijke stijging van het aantal misdrijven tegen mensen met een handicap;

K. overwegende dat het belangrijk is dat de EU en haar lidstaten in zowel de particuliere als de openbare sector actie ondernemen ter bestrijding van dergelijk gedrag, door ervoor te zorgen dat via het onderwijs een cultuur van respect, aanvaarding en tolerantie wordt gecreëerd die zulk gedrag kan voorkomen, en erop toe te zien dat dit soort gedrag wordt gemeld door de slachtoffers, onderzocht door de wetshandhavingsinstanties en bestraft door het gerechtelijk apparaat;

L.  overwegende dat de EU een reeks instrumenten in het leven heeft geroepen om dergelijke daden en discriminatie te bestrijden, met name Richtlijn 2000/43/EG van de Raad houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (de richtlijn rassengelijkheid)(1); Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (de richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid)(2), die discriminatie op de arbeidsmarkt op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid verbiedt; Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat)(3); en het EU-kader voor nationale strategieën inzake de integratie van Roma;

M. overwegende dat Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten(4) de lidstaten verplicht slachtoffers van op vooroordelen gebaseerd geweld zonder onderscheid – ook met betrekking tot hun juridische status – te beschermen en te ondersteunen, en dat in diezelfde richtlijn wordt erkend dat slachtoffers van strafbare feiten die zijn ingegeven door vooroordelen of discriminatie die in het bijzonder verband kunnen houden met hun persoonlijke kenmerken, specifieke bescherming kunnen behoeven vanwege de specifieke aard van het strafbare feit;

N. overwegende dat het voorstel van de Commissie uit 2008 voor een richtlijn van de Raad ter bescherming van gelijke behandeling op andere gebieden dan werkgelegenheid, ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid (de richtlijn gelijke behandeling) na vijf jaar discussie niet door de Raad is goedgekeurd vanwege hevig verzet van een paar lidstaten;

O. overwegende dat uit verslagen van het FRA blijkt dat de meeste officiële gegevens worden geregistreerd voor racistische/door vreemdelingenhaat ingegeven misdrijven (25 lidstaten), gevolgd door antisemitische misdrijven (12), misdrijven op grond van de seksuele gerichtheid van het slachtoffer (8), extremistische misdrijven (7), misdrijven met een religieus motief (6) en islamofobe misdrijven (6); overwegende dat vier lidstaten officiële gegevens registreren over misdrijven die zijn gepleegd op grond van de genderidentiteit of handicap van het slachtoffer of het feit dat deze tot de Romaminderheid behoort;

P.  overwegende dat uit verslagen van het FRA blijkt dat een op de vier mensen uit een minderheidsgroep al het slachtoffer is geworden van een haatdelict, waarbij 90% van deze incidenten niet bij de politie wordt gemeld, dat slechts vier EU-lidstaten gegevens verzamelen of bekendmaken over specifieke misdrijven jegens Roma en dat slechts acht lidstaten een register bijhouden van misdaden op grond van de (vermoede) seksuele gerichtheid van het slachtoffer;

Q. overwegende dat uit verslagen van het FRA blijkt dat een op de vier mensen uit een minderheidsgroep al het slachtoffer is geworden van een misdrijf op grond van ras, en dat tot 90% van alle aanvallen of bedreigingen waarmee migranten of leden van etnische minderheidsgroepen te maken krijgen, niet bij de politie wordt gemeld;

R.  overwegende dat het Parlement de Commissie, de Raad en de lidstaten herhaaldelijk heeft gevraagd om de strijd tegen geweld en discriminatie op basis van vooroordelen, zoals racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, islamofobie, homofobie, transfobie en zigeunerhaat op te voeren;

S.  overwegende dat het Parlement met name heeft verzocht om:

a)  de volledige tenuitvoerlegging van de reeds goedgekeurde antidiscriminatierichtlijnen en van het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat;

b)  de onverwijlde goedkeuring van de richtlijn gelijke behandeling;

c)  de herziening van het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat met als doel het toepassingsgebied ervan uit te breiden en de bepalingen en doeltreffendheid ervan te versterken;

d)  de erkenning van haatdelicten, de vooroordelen die hieraan ten grondslag liggen en het effect dat deze misdrijven hebben op slachtoffers in zowel het recht van de lidstaten als het Europees recht, en de verzameling van gegevens over deze problematiek;

e)  de opstelling van een routekaart voor gelijkheid ongeacht seksuele gerichtheid en genderidentiteit;

f)   maatregelen ter versterking van de strijd tegen zigeunerhaat en ter bescherming van de grondrechten van de Roma in het kader van vervolging, discriminatie en uitwijzingen;

g)  het zich onthouden door prominenten van verklaringen in het openbaar die aanzetten of aanmoedigen tot haat of stigmatisering van bevolkingsgroepen op grond van ras, etnische afkomst, godsdienst, handicap, seksuele gerichtheid of nationaliteit;

T.  overwegende dat het Ierse voorzitterschap tijdens de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 17 en 18 januari 2013 een discussie heeft opgestart inzake EU-maatregelen ter bestrijding van haatdelicten, racisme, antisemitisme, vreemdelingenhaat en homofobie, en daarbij benadrukte dat er behoefte is aan betere bescherming en gegevensverzameling, alsmede aan een grotere inzet van leiders voor de "actieve instandhouding van de Europese waarden en voor de bevordering van een klimaat van wederzijds respect voor en inclusie van personen met een verschillende religieuze of etnische achtergrond of seksuele gerichtheid";

U. overwegende dat de commissaris voor binnenlandse zaken, Cecilia Malmström, onlangs heeft gewaarschuwd voor ultrarechtse politieke debatten waarmee in de hele EU haait wordt gezaaid, aangezien minachtende uitspraken over minderheidsgroepen als Roma, moslims, joden en immigranten steeds gebruikelijker worden; overwegende dat politieke debatten met een racistische, extremistische en populistische inslag tevens "eenzame wolven" kunnen aanzetten tot het plegen van willekeurige moorden, aangezien de dreiging van gewelddadig extremisme toeneemt;

V. overwegende dat de verzameling van collectieve, vergelijkbare, betrouwbare en uitgesplitste gegevens noodzakelijk is om in gerechtelijke procedures bewijs te kunnen leveren voor discriminatie, ongelijkheden en diversiteit te kunnen meten, de doeltreffendheid van de antidiscriminatiewetgeving te kunnen beoordelen en een efficiënt overheidsbeleid te kunnen uitwerken;

W. overwegende dat er in het toekomstige verslag van het FRA over zijn onderzoek naar discriminatie tegenover homoseksuelen, lesbiennes, biseksuelen en transseksuelen en het tot slachtoffer maken van deze mensen, naar verwachting bijzondere aandacht zal worden besteed aan de omvang van het fenomeen van homofobe en transfobe haatdelicten en haatpropaganda in de EU;

X. overwegende dat alle landen die lid zijn van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), waaronder alle EU-lidstaten, hebben erkend dat haatdelicten (dat wil zeggen strafbare feiten die zijn gepleegd op grond van vooroordelen) met behulp van het strafrecht en specifieke, op maat gemaakte beleidsmaatregelen moeten worden bestreden;

1.  vraagt de Commissie, de Raad en de lidstaten om de strijd tegen geweld en discriminatie op basis van vooroordelen en haat in de lidstaten op te voeren door:

a)   een ambitieuze herziening voor te stellen van kaderbesluit 2008/913/JBZ, conform de suggesties van het Parlement, en bepaalde vormen en uitingen van antisemitisme, islamofobie, homofobie, transfobie en zigeunerhaat uitdrukkelijk in dit besluit op te nemen;

b)   erop toe te zien dat alle relevante strafrechtelijke EU-instrumenten – inclusief het kaderbesluit – onder meer op het vlak van de vrijheid van meningsuiting volledig in overeenstemming zijn met de mensenrechtennormen, om duidelijk gedefinieerde en afgebakende han aan te pakken die niet doeltreffend kunnen worden bestreden met minder zware maatregelen, en de waaier van mogelijke graduele sancties uit te breiden, indien toepasselijk onder meer met alternatieve straffen zoals taakstraffen;

c)  een veelomvattende strategie uit te werken voor de bestrijding van haatdelicten, op vooroordelen gebaseerd geweld en discriminatie;

d)  de richtlijn gelijke behandeling onverwijld goed te keuren, aangezien deze richtlijn een van de belangrijkste EU-instrumenten vormt om werkelijk gelijke kansen in de EU te bevorderen en te waarborgen en vooroordelen en meervoudige discriminatie tegen te gaan;

e)  toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van het EU-kader voor nationale strategieën inzake de integratie van Roma en de versterking ervan, onder meer door de strijd tegen zigeunerhaat op lange termijn te steunen en lokale en regionale instanties in staat te stellen om met inachtneming van de mensenrechten en met gebruik van de beschikbare middelen, inclusief EU-middelen, doeltreffende beleidsmaatregelen, programma's en acties voor de integratie van Roma uit te werken en uit te voeren; er nauwlettend op toe te zien dat de grondrechten worden geëerbiedigd en de richtlijn inzake vrij verkeer wordt uitgevoerd;

f)   de deskundigheid die is verworven dankzij de verschillende relevante EU-programma's (Daphne, Grondrechten en Burgerschap 2007-2013, Rechten en Burgerschap 2014-2020 en Justitie 2014-2020) systematisch te beoordelen, evenals de participatie van de verschillende maatschappelijke organisaties;

g)  ervoor te zorgen dat er ruimere, betrouwbare gegevens over haatdelicten worden verzameld, dat wil zeggen waarbij ten minste de volgende informatie wordt vastgelegd: het aantal incidenten waarvan het publiek aangifte heeft gedaan en het aantal misdrijven dat door de autoriteiten is geregistreerd, het aantal veroordelingen van overtreders, de redenen om misdrijven als discriminerend te bestempelen, de opgelegde straf, alsook enquêtes naar misdrijf en slachtoffers over de aard en de omvang van misdrijven waarvan geen aangifte is gedaan, de ervaringen van slachtoffers van misdrijven met wetshandhavingsinstanties, de redenen om geen aangifte te doen en of slachtoffers van haatdelicten zich bewust zijn van hun rechten;

h)  mechanismen op te zetten om ervoor te zorgen dat haatdelicten zichtbaar worden in de EU (door te laten zien dat de autoriteiten haatdelicten serieus nemen), slachtoffers en getuigen van haatdelicten te stimuleren om aangifte te doen van incidenten en ervoor te zorgen dat de mogelijkheid er is om de daders aan te klagen;

i)   gehoor te geven aan het herhaalde verzoek van het Parlement om een routekaart voor gelijkheid ongeacht seksuele gerichtheid en genderidentiteit;

j)   de EU het UNCERD te doen ondertekenen, aangezien alle lidstaten dit verdrag al hebben geratificeerd;

k)  de desbetreffende verbintenissen na te komen die de lidstaten in het kader van andere internationale fora zijn aangegaan, waaronder Besluit nr. 9/09 van de OVSE-ministerraad ter bestrijding van haatdelicten en Aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het comité van ministers van de Raad van Europa betreffende maatregelen voor het bestrijden van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit;

l)   nationale maatregelen en programma's te ondersteunen en aan te vullen, voornamelijk met het doel geweld tegen mensen met een handicap uit te bannen bij het uitvoeren van de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020;

m) kwesties die verband houden met alle vormen van op vooroordelen gebaseerd geweld te verwerken in het werkprogramma van de EU-agentschappen (zoals het FRA, Eurofound, de Europese Politieacademie, Eurojust, Frontex en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken);

2.  verzoekt de lidstaten die bezwaar maken tegen de richtlijn gelijke behandeling en deze tegenhouden, hun redenen daarvoor bekend te maken, zodat er een openbaar en transparant debat over kan worden gevoerd;

3.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat leiders en autoriteiten op alle niveaus en op alle gebieden (nationale, regionale en lokale overheden, wetshandhavingsinstanties, de rechterlijke macht, politieke partijen, politieke en religieuze leiders enz.), en hun optreden en uitingen niet aanzetten tot discriminatie, geweld of haat, noch deze oogluikend toestaan;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(2)

PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(3)

PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

(4)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

Juridische mededeling - Privacybeleid