Procedure : 2013/2664(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0309/2013

Ingediende teksten :

B7-0309/2013

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/06/2013 - 7.6
CRE 13/06/2013 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 126kWORD 54k
11.6.2013
PE509.944v01-00
 
B7-0309/2013

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Turkije (2013/2664(RSP))


Takis Hadjigeorgiou, Willy Meyer, Paul Murphy, Patrick Le Hyaric, Kyriacos Triantaphyllides, Marisa Matias, Alda Sousa, João Ferreira, Inês Cristina Zuber, Marie-Christine Vergiat, Jacky Hénin, Nikolaos Chountis namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Turkije (2013/2664(RSP))  
B7‑0309/2013

Het Europees Parlement,

–   gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van 1950 en de bepalingen daarvan inzake de vrijheid van vereniging en vergadering en het recht van vrije meningsuiting,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake de civiele en politieke rechten, met name artikel 19 daarvan inzake de vrijheid van meningsuiting, en de artikelen 21 en 22 inzake de vrijheid van vereniging en vergadering, welke bepalingen ook het recht waarborgen zich in vakbonden te verenigen, een van de beginselen die aan de Internationale Arbeidsorganisatie ten grondslag liggen,

–   gezien het voortgangsverslag 2012 van de Commissie over Turkije (SWD(2012)0336),

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien de conclusies van de Raad van 14 december 2010, 5 december 2011 en 11 december 2012,

–   gezien zijn eerdere resoluties over de voortgangsverslagen over Turkije,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Turkije zich in het kader van de toetredingsonderhandelingen verplicht heeft tot hervormingen, goede betrekkingen met zijn buurlanden en geleidelijke aanpassing aan de EU en dat deze inspanningen moeten worden beschouwd als een kans voor Turkije zelf tot verdere modernisering en tot consolidering en verdere verbetering van zijn democratische instellingen, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

B.  overwegende dat de Turkse regering in snel tempo de neoliberale economische hervormingen en deregulerende maatregelen doorvoert die aan het toetredingsproces zijn verbonden, maar de politieke en democratische hervormingen daarentegen slechts zeer traag ter hand neemt;

C. overwegende dat stelselmatig geweld tegen demonstranten een regelmatig voorkomend verschijnsel is geworden in Turkije;

D. overwegende dat de massademonstraties die aanvankelijk begonnen als protest tegen een bouwproject in het Gezipark (Istanbul) snel zijn uitgegroeid tot een protestbeweging tegen onderdrukking, in reactie op het harde en gewelddadige optreden van de politie tegen de demonstranten op het Taksim plein;

E.  overwegende dat het geweld van de laatste dagen zich volgens mensenrechtenorganisaties en artsenverenigingen inmiddels over het land heeft verspreid, en dat in Istanbul vier mensen zijn omgekomen en 1500 gewond, en in Ankara meer dan 700 mensen zijn gewond;

F.  overwegende dat de politie op ruime schaal gebruik heeft gemaakt van traangasgranaten tegen de aanvankelijk nog vreedzame betogingen, en ook nog traangasgranaten uit helikopters heeft geworpen op woonwijken waar geen demonstranten te bekennen waren; overwegende dat er zelfs meermaals traangasgranaten in woningen naar binnen zijn geschoten, in strijd met alle beginselen van noodzaak en evenredigheid;

G. overwegende dat de regering van Turkije volgens ernstig te nemen beschuldigingen de sociale media en toegang tot internet zou hebben willen blokkeren, in een poging de informatiestroom vanaf de betogingen tegen de regering tegen te houden; overwegende dat premier Recep Tayyip Erdogan de sociale media als "bedreiging" ziet;

H. overwegende dat de massale betogingen de politieke onstabiliteit in het land onder de aandacht brengen; overwegende dat de protesterende volksmassa weliswaar een breed scala van ideologische richtingen vertegenwoordigt, maar daarom niet minder duidelijk uiting geeft aan de woede onder de Turkse bevolking tegen de regering van Erdogan en zijn regerende AKP-partij;

I.   overwegende dat het nastreven en uitvoeren van een pro-islamitische agenda zorgt voor scheuringen en conflicten tussen verschillende sociale, politieke en economische groepen in Turkije;

J.   overwegende dat de protestdemonstraties en de massale deelname daaraan laten zien welke vele en hardnekkige problemen de mensen ondervinden, doordat de economische groei in Turkije niet gepaard gaat met verbetering in hun levensstandaard, terwijl Turkse burgers en werknemers vanzelfsprekende rechten en vrijheden moeten ontberen en lonen en uitkeringen zeer laag zijn;

K. overwegende dat een andere belangrijke oorzaak van de onvrede gelegen is in het buitenlandse beleid van Erdogan jegens Syrië, omdat zijn interveniërende houding in de burgeroorlog in dit land, door samenwerking met de rebellen, ook binnen de grenzen van dat land, de oorlogssfeer vanuit het buurland in Turkije heeft binnengehaald;

L.  overwegende dat de Turkse oproerpolitie ook politieke partijen in het vizier neemt, en dat er meldingen zijn van een aanval op de kantoren van de TKP-partij en het Nazim Hikmet Cultureel Centrum;

M. overwegende dat de oproerpolitie in de ochtend van 11 juni 2013 weer op het Taksimplein is verschenen met traangas en waterkanonnen;

N. overwegende dat Turkije al drie maal door het Europese mensenrechtenhof is veroordeeld wegens schending van de rechten van demonstratiedeelnemers en mishandeling van arrestanten;

O. overwegende dat Turkije als kandidaat-land voor toetreding tot de EU verplicht is de democratie te eerbiedigen en te bevorderen en de democratische rechten en vrijheden en de mensenrechten te versterken; overwegende dat in het voortgangsverslag 2012 van de Commissie inzake Turkije melding wordt gemaakt van de toewijzing van 810 miljoen euro uit het pre-toetredingsinstrument ten behoeve van justitiële en politiële hervormingen;

P.  overwegende dat het democratische recht om te demonstreren steeds meer onder druk komt te staan naarmate de woede van de mensen over de gehele wereld tegen allerlei vormen van neoliberaal en antisociaal beleid toeneemt;

1.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over het staatsgeweld door de Turkse regering tegen de demonstranten en de bevolking in Turkije;

2.  veroordeelt ten stelligste dat politieke partijen door de Turkse oproerpolitie in het vizier worden genomen;

3.  roept de Turkse regering op het geweld tegen de demonstranten onmiddellijk te staken en alle vreedzame demonstranten die op dit moment worden vastgehouden, vrij te laten;

4.  betuigt zijn solidariteit met de demonstranten die de eerbiediging van de democratische rechten en vrijheden en de mensenrechten eisen; stelt dat burgerrechten, vrouwenrechten en sociaal-economische rechten niet op grond van enige religie mogen worden beknot;

5.  veroordeelt de pogingen van de belangrijkste Turkse elektronische massamedia om de gebeurtenissen stil te zwijgen;

6.  onderstreept dat geen enkele tolerantie mag worden geduld waar het gaat om geweld tegen vreedzame betogers, en pleit voor instelling van een onafhankelijke en onpartijdige commissie die met medewerking van mensenrechtenorganisaties, demonstrantencomités en alle andere betrokkenen onderzoek moet instellen naar de klachten over foltering, mishandeling en geweldpleging door wethandhavingsambtenaren;

7.  roept de Turkse regering op van haar autoritaire stijl van regeren af te stappen en gesprekken aan te gaan met de demonstrantenorganisaties, om verdere geweldescalatie, met nog meer slachtoffers als gevolg, te vermijden;

8.  dringt aan op onmiddellijke vrijlating van de 10 000 politieke gevangenen waaronder veel linkse of Koerdische activisten, alsmede journalisten, die worden vastgehouden in omstandigheden die tegen de rechtsstaat indruisen;

9.  roept de Turkse regering op tot herziening van haar sociale, politieke, culturele en economische beleid, waarin de voornaamste oorzaak voor de beroering onder de bevolking gelegen is, want het incident rond het Gezipark bood alleen de aanleiding om de situatie te laten exploderen;

10. veroordeelt de uitlatingen van sommige Turkse functionarissen die de situatie verder blijven opdrijven in plaats van te helpen normaliseren, en nog meer onrust in het land brengen;

11. is bevreesd dat maatschappelijke organisaties in Turkije geconfronteerd blijven worden met boetes, gedwongen sluitingen, en administratieve hindernissen, en dat vakbonden en werknemersrechten niet volledig worden gerespecteerd; roept de Turkse regering op onmiddellijk uitvoering te geven aan de nieuwe wetgeving op gebied van arbeids- en vakbondsrechten om te zorgen dat deze in overeenstemming is met het EU-acquis en de IAO-Verdragen, met name op het punt van stakingsrecht en het recht van collectieve onderhandeling;

12. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de Grote Nationale Assemblee van de Republiek Turkije.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid