Ontwerpresolutie - B7-0311/2013Ontwerpresolutie
B7-0311/2013

ONTWERPRESOLUTIE over de situatie in Turkije

11.6.2013 - (2013/2664(RSP))

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

Ria Oomen-Ruijten, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Mairead McGuinness, Elmar Brok, Cristian Dan Preda, Arnaud Danjean, Roberta Angelilli, Eleni Theocharous, Bernd Posselt, Eija-Riitta Korhola namens de PPE-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0305/2013

Procedure : 2013/2664(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B7-0311/2013
Ingediende teksten :
B7-0311/2013
Debatten :
Aangenomen teksten :

B7‑0311/2013

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Turkije

(2013/2664(RSP))

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties, en met name die van 18 april 2013 over het voortgangsverslag 2012 over Turkije[1],

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien het kader voor de onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,

–   gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 betreffende de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het toetredingspartnerschap met de Republiek Turkije[2] ("het Toetredingspartnerschap"), alsmede de eerdere besluiten van de Raad betreffende het Toetredingspartnerschap van 2001, 2003 en 2006,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Turkse politie in de vroege ochtend van vrijdag 31 mei 2013 heeft geprobeerd een groep demonstranten te verjagen, die de afgelopen weken protesteerden tegen de geplande kap van bomen in het kader van een nieuw bouwproject in het Gezipark op het Taksimplein in Istanbul;

B.  overwegende dat het hardhandige politieoptreden heeft geleid tot gevechten met de betogers, die zich snel hebben uitgebreid naar andere steden in Turkije, en overwegende dat deze gevechten slachtoffers hebben gemaakt, dat een groot aantal personen erbij gewond is geraakt, dat massale arrestaties zijn verricht en dat ernstige schade is veroorzaakt aan particuliere en publieke eigendom; overwegende dat de demonstraties werden gesteund vanuit verschillende lagen van de Turkse samenleving;

C. overwegende dat de aanvankelijke scherpe veroordeling door de Turkse regering contraproductief lijkt te zijn geweest;

D. overwegende dat artikel 34 van de Turkse grondwet het recht garandeert om zonder toestemming vreedzame vergaderingen en demonstraties zonder wapens te organiseren;

E.  overwegende dat de protesten verband houden met de bezorgdheid in bepaalde groepen binnen de Turkse maatschappij als gevolg van een reeks recente besluiten en wetshandelingen met betrekking tot kwesties als beperkingen op de verkoop van alcohol en hervormingen van het onderwijs;

F.  overwegende dat de Turkse mainstreammedia slechts met vertraging op adequate wijze over de demonstraties is gaan berichten;

G. overwegende dat commissaris Füle en HV/VV Catherine Ashton op de gebeurtenissen hebben gereageerd;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het buitensporige gebruik van geweld door de Turkse politie bij haar reactie op de vreedzame, legitieme protesten in het Gezipark in Istanbul en verzoekt de Turkse autoriteiten het politiegeweld grondig te onderzoeken en de aansprakelijke personen voor het gerecht te brengen;

2.  verzoekt de Turkse autoriteiten de vrijheid van meningsuiting, vreedzame vergadering en vreedzaam protest voor alle burgers te garanderen en te eerbiedigen; vraagt de onmiddellijke vrijlating van alle vreedzame betogers die in hechtenis zijn genomen;

3.  is tevreden met de gematigde reactie van president Gül en de verontschuldigingen aan de gewonde betogers van vicepremier Arinc; onderstreept het feit dat het belangrijk is dat tussen de Turkse regering en de vreedzame betogers een dialoog wordt gevoerd;

4.  herinnert Turkije eraan dat in een inclusieve, pluralistische democratie alle burgers zich vertegenwoordigd moeten voelen en het een taak is voor de meerderheid om de oppositie en het maatschappelijk middenveld bij het besluitvormingsproces te betrekken; herinnert ook de oppositiepartijen aan het feit dat het hun taak is hun bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van een democratische politieke cultuur met eerbiediging van andere meningen en standpunten;

5.  maakt zich zorgen over de voortdurende confrontatie tussen de politieke partijen en het gebrek aan bereidheid van de regering en de oppositie om te streven naar consensus over belangrijke hervormingen; dringt er bij alle politieke actoren, de regering en de oppositie op aan samen te werken om de politieke pluraliteit in overheidsinstellingen te vergroten en de modernisering en democratisering van de staat en de samenleving te bevorderen;

6.  wijst op de essentiële rol van een systeem van "checks and balances" (wederzijdse controle) in het bestuur van een moderne, democratische staat, die gebaseerd moet zijn op het beginsel van de scheiding der machten en het evenwicht tussen de uitvoerende, wetgevende en de rechterlijke macht, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden – met name de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid – en een participerende politieke cultuur die een daadwerkelijke afspiegeling biedt van een pluralistische, democratische samenleving;

7.  herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en de pluriformiteit van de media Europese kernwaarden zijn en dat echte vrijheid van meningsuiting een voorwaarde is voor een daadwerkelijk democratische, vrije en pluriforme samenleving; brengt in herinnering dat de vrijheid van meningsuiting niet alleen geldt voor informatie of ideeën die gunstig worden onthaald of die als ongevaarlijk worden beschouwd, maar ook, overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, voor informatie en ideeën die de staat of een bepaald deel van de bevolking beledigen, schokken of storen;

8.  maakt zich zorgen over de achteruitgang van de persvrijheid, bepaalde gevallen van censuur en de groeiende zelfcensuur in de Turkse media, ook op het internet; verzoekt de Turkse regering het beginsel van persvrijheid hoog te houden; benadrukt dat een onafhankelijke pers van essentieel belang is voor een democratische samenleving, en wijst in dit verband op de cruciale rol van het gerechtelijk apparaat bij de bescherming en versterking van de persvrijheid, om aldus een publieke ruimte te waarborgen voor vrij debat;

9.  herhaalt zijn zorg over het feit dat de meeste media in handen zijn van en geconcentreerd zijn in grote conglomeraten met een breed scala aan zakelijke belangen; dringt andermaal aan op de aanneming van een nieuwe mediawet die onder meer de kwesties van onafhankelijkheid, eigendom en bestuurlijke controle aanpakt;

10. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.