Procedure : 2013/2682(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0343/2013

Ingediende teksten :

B7-0343/2013

Debatten :

PV 03/07/2013 - 14
CRE 03/07/2013 - 14

Stemmingen :

PV 04/07/2013 - 13.3
CRE 04/07/2013 - 13.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0322

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 129kWORD 60k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0336/2013
1.7.2013
PE515.887v01-00
 
B7-0343/2013

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de toezichtprogramma's van de Nationale Veiligheidsinstantie (NSA) van de VS, de toezichtsinstanties in verscheidene lidstaten en de gevolgen voor de privacy van EU-onderdanen (2013/2682(RSP))


Dimitrios Droutsas, Claude Moraes, Juan Fernando López Aguilar, Sylvie Guillaume namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de toezichtprogramma's van de Nationale Veiligheidsinstantie (NSA) van de VS, de toezichtsinstanties in verscheidene lidstaten en de gevolgen voor de privacy van EU-onderdanen (2013/2682(RSP))  
B7‑0343/2013

Het Europees Parlement,

–   gezien de artikelen 2 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–   gezien de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika(1),

–   gezien het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (CETS nr. 185),

–   gezien de "Veilige haven"-overeenkomst tussen de EU en de VS, en met name artikel 3, en de lijst van deelnemers aan de overeenkomst,

–   gezien zijn vorige resoluties over het recht op privacy en gegevensbescherming, met name zijn resolutie van 5 september 2001 over het bestaan van een mondiaal systeem voor het onderscheppen van particuliere en commerciële communicatie-uitingen (interceptiesysteem Echelon) (2),

–   gezien de Patriot Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) van de VS en de wijzigingswetten daarop,

–   gezien het debat met commissaris Reding op 15 februari 2012 over wetgeving van derde landen en EU-wetgeving op het gebied van gegevensbescherming (PV 15/02/2012 – 19),

–   gezien de huidige herziening van de richtlijn gegevensbescherming (Richtlijn 95/46/EG),

–   gezien de lopende onderhandelingen over een kaderakkoord tussen de EU en de VS inzake de bescherming van persoonsgegevens als die worden doorgestuurd en verwerkt met het oog op de samenwerking van politie en justitie (het "parapluakkoord"),

–   gezien de mededeling van de Commissie over het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa (COM(2012)0529),

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de berichtgeving in de internationale pers van begin juni 2013 bewijs onthulde voor de omstandigheid dat de autoriteiten in de VS via programma’s zoals PRISM op grote schaal persoonsgegevens van EU-onderdanen raadplegen en verwerken als ze gebruikmaken van online dienstverlening in de VS;

B.  overwegende dat commissaris Reding een brief heeft geschreven aan de minister van Justitie van de VS, Eric Holder, waarin zij melding maakt van de bezwaren die in Europa leven, en om opheldering en uitleg verzoekt over het PRISM-programma en andere programma’s van dien aard waarmee gegevens worden verzameld en opgespoord, en over de wetten die zulke programma’s toestaan;

C. overwegende dat de Amerikaanse overheid nog steeds geen bevredigend antwoord heeft gegeven, ondanks de besprekingen op de vergadering tussen de ministers van Justitie van de EU en de VS op 14 juni 2013 in Dublin;

D. overwegende dat de internationale pers eind juni 2013 verslag deed van beweringen dat de Amerikaanse autoriteiten de kantoren van EU‑instellingen in Washington DC en New York systematisch in de gaten had gehouden, evenals de werkplekken van de EU‑instellingen in Brussel, via afluisterapparatuur in kantoren, het gebruik van elektronische implantaten en antennes en de infiltratie van e‑mail‑ en telefoonnetwerken;

E.  overwegende dat de berichtgeving in de pers tevens melding maakt van toezicht op EU‑lidstaten;

F.  overwegende dat als deze beweringen waar blijken te zijn, deze vorm van het onderscheppen en vergaren van gegevens niet te rechtvaardigen is in het kader van terrorismebestrijding of nationale veiligheidsmaatregelen;

G. overwegende dat er om formele uitleg en opheldering is verzocht van de Amerikaanse autoriteiten;

H. overwegende dat het trans-Atlantische partnerschap tussen de EU en de VS gebaseerd moet zijn op wederzijds vertrouwen en respect, loyale en wederzijdse samenwerking, en de eerbiediging van de grondrechten en de beginselen van de rechtsstaat;

I.   overwegende dat de lidstaten en de Commissie krachtens de "Veilige haven"‑overeenkomst de plicht hebben de veiligheid en de integriteit van persoonsgegevens te garanderen; overwegende dat de Commissie krachtens artikel 3 de plicht heeft de overeenkomst op te zeggen of op te schorten indien de bepalingen van de overeenkomst niet worden nageleefd;

J.   overwegende dat de bedrijven die volgens de internationale pers bij het PRISM‑programma betrokken zijn, stuk voor stuk partij zijn bij de "Veilige haven"‑overeenkomst;

K. overwegende dat de VS het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, dat in 2007 van kracht werd, hebben ondertekend en geratificeerd, en overwegende dat de bepalingen en beginselen daarvan dus tot onderdeel zijn gemaakt van de binnenlandse wetgeving van de VS;

L.  overwegende dat het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken bepaalt dat alle maatregelen voor het "vergaren van elektronisch bewijs" voor enig strafbaar feit (artikel 14) moeten voorzien in de adequate bescherming van fundamentele mensenrechten, met name de rechten die zijn verankerd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (artikel 8, privacy), naleving van "het proportionaliteitsbeginsel" moeten garanderen, en onderworpen moeten zijn aan waarborgen die onder andere rechterlijk of ander onafhankelijk toezicht, de gronden waarop de bevoegdheid kan worden toegepast en een beperking van de reikwijdte en van de duur van deze bevoegdheid of procedure bevatten (artikel 15);

M. overwegende dat het ongelukkig zou zijn als de inspanningen om een trans-Atlantische handels- en investeringsovereenkomst te sluiten, waarmee de toewijding om het partnerschap tussen de EU en de VS verder te versterken wordt aangetoond, worden aangetast door de onlangs gedane beweringen;

N. overwegende dat de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, die door de EU en het Congres is geratificeerd, bepaalt onder welke voorwaarden gegevens kunnen worden verzameld en uitgewisseld en op welke wijze hulp kan worden gevraagd en verleend bij het verkrijgen van bewijs in het ene land om strafrechtelijke onderzoeken of procedures in een ander land vooruit te helpen;

O. overwegende dat commissaris Malmström op 14 juni 2013 de oprichting van een trans‑Atlantische groep deskundigen heeft aangekondigd;

P.  overwegende dat de internationale pers tevens heeft bericht over de vermeende samenwerking en betrokkenheid van EU‑lidstaten in het PRISM‑programma en andere programma's van dien aard, of over het feit dat zij toegang hadden tot de databases die door zulke programma's gecreëerd waren;

Q. overwegende dat de internationale pers tevens heeft bericht over de vermeende samenwerking van lidstaten bij de overdracht van dergelijke persoonsgegevens van de lidstaten naar de VS;

R.  overwegende dat verscheidene lidstaten toezichtprogramma's hebben of daarover onderhandelen;

S.  overwegende dat dergelijke programma's volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens aantoonbaar proportioneel en noodzakelijk moeten zijn in een democratische samenleving;

T.  overwegende dat er op EU-niveau een hervorming van de gegevensbescherming aan de gang is, waarbij Richtlijn 95/46/EG wordt herzien en vervangen door de voorgestelde algemene verordening inzake gegevensbescherming en de gegevensbeschermingsrichtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens;

U. overwegende dat de lidstaten verplicht zijn de fundamentele waarden in acht te nemen die in artikel 2 TEU en het Handvest van de grondrechten verankerd zijn;

1.  toont zich zeer bezorgd over het PRISM-programma en andere programma’s van dien aard waarmee gegevens verzameld worden, die, als de momenteel beschikbare informatie wordt bevestigd, een ernstige schending zouden betekenen van het grondrecht van de EU-onderdanen op privacy en gegevensbescherming;

2.  drukt zijn diepe bezorgdheid uit over de beweringen dat de Amerikaanse autoriteiten de kantoren van de EU-instellingen bespioneren, zich inzage verschaffen in de e-mails van werknemers en hun telefoongesprekken afluisteren; vindt – als deze beweringen correct blijken te zijn – deze praktijken volkomen onaanvaardbaar en zeer schadelijk voor de trans-Atlantische betrekkingen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat dit bijdraagt aan een ernstige schending van het internationale recht, in het bijzonder van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer;

3.  verzoekt de Amerikaanse autoriteiten zonder nodeloze vertraging volledige informatie aan de EU te verstrekken over het PRISM‑programma’s en andere programma’s van dien aard waarmee gegevens verzameld worden, waarom ook is verzocht door commissaris Reding in haar brief aan de Amerikaanse minister van Justitie, Eric Holder, van 10 juni 2013;

4.  verzoekt de Amerikaanse autoriteiten de EU-instellingen onverwijld volledige opheldering en uitleg te verschaffen over de beweringen dat zij spionageactiviteiten uitvoeren in de kantoren van de EU-instellingen in Washington DC, New York en Brussel;

5.  verzoekt de Amerikaanse autoriteiten de rechtmatigheid van het PRISM‑programma en andere programma’s van dien aard waarmee gegevens verzameld worden te verifiëren, en na te gaan of die programma’s – aantoonbaar – in overeenstemming zijn met de wettelijke verplichtingen die zijn neergelegd in het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, in het bijzonder het vereiste van proportionaliteit en passende waarborgen, zoals onafhankelijk toezicht en een beperking van de reikwijdte en de duur;

6.  verlangt dat de trans-Atlantische groep deskundigen, als aangekondigd door commissaris Malmström, waarin ook het Parlement zitting zal hebben, een passend niveau van veiligheidsmachtiging en toegang tot alle relevante documenten krijgt, om zijn werk adequaat en binnen een gestelde termijn te kunnen uitvoeren; verlangt verder dat deze groep deskundigen conclusies trekt en een aantal aanbevelingen doet;

7.  verzoekt de Commissie en de Amerikaanse autoriteiten zo snel mogelijk de onderhandelingen over het kaderakkoord inzake de bescherming van persoonsgegevens als die worden doorgestuurd en verwerkt met het oog op de samenwerking van politie en justitie, te hervatten;

8.  verzoekt de Commissie een volledige evaluatie uit te voeren van de "Veilige haven"‑overeenkomst, gezien de onlangs openbaargemaakte informatie, krachtens artikel 3 van de overeenkomst;

9.  uit grote bezwaren tegen de onthullingen over de vermeende toezichtprogramma’s die worden beheerd door de lidstaten, hetzij met de hulp van de Nationale Veiligheidsinstantie van de VS, hetzij unilateraal;

10. verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat hun wetten en praktijken volledig in overeenstemming zijn met de beginselen van noodzaak en proportionaliteit, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de daarmee verband houdende rechtspraak, en als dat niet het geval is, ze dienovereenkomstig te herzien;

11. verzoekt de Raad vaart te zetten achter zijn werkzaamheden over het hele gegevensbeschermingspakket, en in het bijzonder de voorgestelde richtlijn gegevensbescherming, om de Europese wetgeving inzake gegevensbescherming zo snel mogelijk te actualiseren, in overeenstemming met de huidige noodzaak om persoonsgegevens en individuele privacy te beschermen;

12. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat, bij de huidige onderhandelingen over het gegevensbeschermingspakket, de EU-normen voor gegevensbescherming niet ondermijnd worden als het resultaat van de trans-Atlantische handels- en investeringsovereenkomst met de VS;

13. benadrukt dat alle bedrijven die diensten in de EU aanbieden zonder uitzondering de EU‑wetgeving moeten naleven en aansprakelijk zijn voor eventuele inbreuken;

14. benadrukt dat bedrijven die onder de jurisdictie van derde landen vallen, gebruikers in de EU duidelijk moeten waarschuwen dat hun persoonsgegevens mogelijk op geheim bevel worden verwerkt door rechtshandhavingsinstanties of inlichtingendiensten;

15. verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een grondig onderzoek in te stellen naar PRISM en andere programma’s van dien aard waarmee gegevens verzameld worden, met inbegrip van de vermeende spionage van EU-kantoren, en zo snel mogelijk verslag uit te brengen aan de plenaire vergadering;

16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Raad van Europa, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president van de Verenigde Staten, de Senaat en het Huis van afgevaardigden van de Verenigde Staten, en de ministers van Binnenlandse Veiligheid en Justitie van de Verenigde Staten.

 

(1)

PB L 181 van 19.7.2003, blz. 34.

(2)

PB C 72 E van 21.3.2002, blz. 221.

Juridische mededeling - Privacybeleid