Ontwerpresolutie - B7-0412/2013Ontwerpresolutie
B7-0412/2013

ONTWERPRESOLUTIE over de situatie in Egypte

10.9.2013 - (2013/2820(RSP))

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

Véronique De Keyser, Libor Rouček, Pino Arlacchi, Saïd El Khadraoui, Ana Gomes, Maria Eleni Koppa, María Muñiz De Urquiza, Raimon Obiols, Pier Antonio Panzeri, Joanna Senyszyn, Boris Zala namens de S&D-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0411/2013

Procedure : 2013/2820(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B7-0412/2013
Ingediende teksten :
B7-0412/2013
Debatten :
Aangenomen teksten :

B7‑0412/2013

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Egypte

(2013/2820(RSP))

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, en met name die van 4 juli 2013 over de crisis in Egypte[1],

–   gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over de terugvordering van activa door de landen van de Arabische Lente die in een overgangsfase verkeren[2],

–   gezien de conclusies van de Raad van 21 augustus en 22 juli 2013 inzake Egypte,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van 18 augustus 2013 over Egypte van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, en de voorzitter van de Commissie, José Manuel Barroso,

–   gezien de opmerkingen van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton na de buitengewone vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken over Egypte op 21 augustus 2013, de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger over de situatie en ontwikkelingen in Egypte van 14 en 16 augustus en van 3, 7, 8, 14, 16, 17, 27 en 30 juli 2013, en de gezamenlijke verklaring van 7 augustus 2013 over Egypte van de hoge vertegenwoordiger en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Kerry,

–   gezien de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand werd gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, die in 2001 werd gesloten en in 2004 in werking trad,

–   gezien de conclusies van de covoorzitters van de vergadering van de taskforce EU-Egypte van 14 november 2012,

–   gezien de grondwettelijke verklaring van Egypte van 8 juli 2013,

–   gezien het "programma voor een rechte weg naar de democratie" van de interim-regering van Egypte,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Egypte partij is,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Egypte een belangrijk buurland van de Unie in het zuidelijke Middellandse Zeegebied is; overwegende dat de democratische overgang in het land in de kiem is gesmoord; overwegende dat het land te kampen heeft met wijdverbreid geweld en voor belangrijke uitdagingen staat met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden; overwegende dat de politieke spanningen de interne verdeeldheid in de Egyptische samenleving hebben versterkt;

B.  overwegende dat op 30 juni 2013 miljoenen Egyptenaren in Caïro en in de rest van het land de straat zijn opgegaan in vreedzaam protest en hebben opgeroepen tot het aftreden van de eerste vrijelijk gekozen president van het land, Mohamed Morsi, die geen gehoor had gegeven aan hun democratische aspiraties; overwegende dat er bij het hardhandige optreden tegen deze betogingen vele doden en gewonden zijn gevallen;

C. overwegende dat op 3 juli 2013, tijdens een militaire staatsgreep, generaal Abdul Fatah al-Sisi, het hoofd van de Egyptische krijgsmacht, heeft meegedeeld dat president Morsi was afgezet; overwegende dat op 4 juli het hoofd van het Constitutionele Hooggerechtshof, Adly Mansour, oficieel is beëdigd als interim-president van Egypte; overwegende dat de interim-president het Hogerhuis van het parlement op 5 juli heeft ontbonden, op 8 juli een grondwettelijke verklaring heeft uitgegeven en op 9 juli Mohamed El Baradei als vicepresident en Hazem El Beblawi als fungerend premier heeft benoemd;

D. overwegende dat de politieke spanningen blijven leiden tot gewelddadige botsingen in Egypte, die sinds begin juli 2013 al meer dan 1000 doden en aanzienlijk meer gewonden tot gevolg hebben gehad; overwegende dat op 14 augustus het Egyptische leger en de Egyptische politie twee sit-ins van aanhangers van voormalig president Morsi en de Moslimbroeders op het Rabaaplein en op het Nahdaplein in Caïro hebben ontruimd, hetgeen heeft geleid tot de dood van honderden betogers en van een groot aantal politieagenten, en tot het aftreden van vicepresident El Baradei; overwegende dat de interim-president op dezelfde dag voor een maand de noodtoestand in het gehele land heeft afgekondigd;

E.  overwegende dat de interim-regering zich er in het "programma voor een rechte weg naar de democratie" toe heeft verbonden om "zowel op politiek als op maatschappelijk niveau te werken aan de invoering van een democratisch stelsel, dat de rechten en vrijheden van alle Egyptenaren waarborgt" en "het stappenplan te volgen in overeenstemming met de grondwettelijke verklaring met de volledige deelname van alle politieke spelers", met "een referendum over de nieuwe grondwet, gevolgd door vrije en eerlijke parlements- en presidentsverkiezingen die tijdig zullen worden gehouden overeenkomstig alle wettelijke voorschriften"; overwegende dat de deelname van alle politieke machten en spelers, waaronder de Moslimbroeders, in dit proces van wezenlijk belang is; overwegende dat de Moslimbroeders echter hebben geweigerd aan dit proces deel te nemen en een aantal leiders van de Moslimbroeders in verklaringen hebben opgeroepen tot geweld tegen de openbare autoriteiten en de veiligheidstroepen;

F.  overwegende dat voormalig president Morsi sinds 3 juli 2013 wordt vastgehouden en de openbare klager van Egypte een proces is begonnen tegen hem en 14 anderen, waaronder prominente figuren van de Moslimbroeders, op verdenking van aanzetting tot moord en geweld; overwegende dat op 3 september een militaire rechtbank een aanhanger van voormalig president Morsi tot een levenslange gevangenisstraf heeft veroordeeld wegens geweld tegen het leger en dat drie andere Morsi-aanhangers een gevangenisstraf van 15 jaar opgelegd hebben gekregen en 45 anderen een gevangenisstraf van 5 jaar wegens beschieting van en geweld tegen het leger; overwegende dat vele leden van de Moslimbroeders zijn gearresteerd, waaronder de meeste leiders van de Moslimbroeders, en nu in afwachting van een rechtszaak zijn; overwegende dat de afgezette dictator Hosni Mubarak op 22 augustus uit de gevangenis is vrijgelaten en sindsdien onder huisarrest staat;

G. overwegende dat als gevolg van de instabiele situatie en een gebrek aan veiligheid in het land, terroristische aanvallen door militante groeperingen in Egypte toenemen, in het bijzonder in de Sinaï, wat onder andere heeft geleid tot de moord op 25 politieagenten buiten diensttijd in de Noordelijke Sinaï op 19 augustus 2013;

H. overwegende dat een op echte nationale dialoog gebaseerd politiek proces waaraan alle democratische politieke krachten en spelers op zinvolle wijze kunnen deelnemen, de enige manier is om de huidige politieke en maatschappelijke verdeeldheid en spanningen te overwinnen en in Egypte een diepgewortelde en duurzame democratie tot stand te brengen;

I.   overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, maar ook sociale rechtvaardigheid en een hogere levensstandaard voor de burgers cruciale elementen zijn in de overgang naar een open, vrij, democratisch, stabiel en welvarend Egypte; overwegende dat Egypte met ernstige economische problemen kampt; overwegende dat voor economische welvaart in het land politieke stabiliteit, een gezond economisch beleid, maatregelen voor corruptiebestrijding en internationale steun nodig zijn;

J.   overwegende dat vrouwen zich in de huidige overgangsperiode in Egypte in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden; overwegende dat volgens berichten van Egyptische en internationale mensenrechtenorganisaties, vrouwelijke betogers nog altijd het slachtoffer zijn van geweld, seksueel misbruik en andere vormen van vernederende behandeling door de veiligheidstroepen;

K. overwegende dat onafhankelijke vakbonden en maatschappelijke organisaties een wezenlijke rol spelen in deze kritieke periode van politieke en maatschappelijke overgang in Egypte; overwegende dat een vrije en onafhankelijke pers en vrije en onafhankelijke media in een echte democratie een essentieel onderdeel van de maatschappij vormen; overwegende dat op laste van Egyptische rechtbanken kort geleden een aantal televisiekanalen beheerd door of gelieerd aan de Moslimbroeders zijn gesloten, in strijd met de vrijheid van de media en het recht op informatie;

L.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken in zijn conclusies over Egypte van 22 juli 2013 heeft verklaard dat "de strijdkrachten geen politieke rol mogen vervullen in een democratie" en dat "zij als basisbeginsel van democratisch bestuur het grondwettelijk gezag van de burgerlijke macht moeten aanvaarden en eerbiedigen".

M. overwegende dat in de financiële periode 2007-2013, de EU meer dan 1 miljard EUR voor Egypte beschikbaar heeft gesteld op grond van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument; overwegende dat de programma's die momenteel worden uitgevoerd ongeveer 892 miljoen EUR vertegenwoordigen, met afnemende uitbetalingen (in 2013 is tot eind augustus slechts 16 miljoen EUR uitbetaald vanwege de voortdurende instabiliteit en gebrekkige naleving van de overeengekomen voorwaarden); overwegende dat sinds 2012 geen nieuwe programma's ter ondersteuning van de Egyptische begroting zijn goedgekeurd vanwege de gebrekkige uitvoering van hervormingen; overwegende dat tijdens de vergadering van november 2012 van de taskforce EU-Egypte , de Unie en de betrokken financiële instellingen (EIB en EBWO) een bedrag van bijna 5 miljard EUR hebben toegezegd als bijkomend algemeen pakket voor de ondersteuning op lange termijn van Egypte;

N. overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken in zijn conclusies over Egypte van 21 augustus 2013 de hoge vertegenwoordiger heeft verzocht om in samenwerking met de Commissie het vraagstuk van EU-bijstand aan Egypte op grond van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en de associatieovereenkomst te herzien, uitgaande van de inspanningen van Egypte om de onderliggende beginselen na te leven; overwegende dat de lidstaten hebben besloten de vergunningen voor de uitvoer naar Egypte van uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, op te schorten, de vergunningen voor de uitvoer van andere militaire uitrusting opnieuw te beoordelen en hun bijstand aan Egypte op veiligheidsgebied opnieuw te bekijken;

O. overwegende dat maatschappelijk partnerschap, een op stimulansen gebaseerde aanpak en het beginsel van "meer voor meer" en eventueel "minder voor minder", hoekstenen van het herziene Europese Nabuurschapsbeleid zijn; overwegende dat in artikel 2 van de associatieovereenkomst EU-Egypte is bepaald dat de betrekkingen tussen de partijen en alle bepalingen van deze overeenkomst gegrondvest zijn op de eerbiediging van de democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens, als vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, hetgeen aan hun binnen- en buitenlands beleid ten grondslag ligt en een essentieel element van deze overeenkomst is;

1.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de politieke ontwikkelingen in Egypte; betreurt de militaire staatsgreep van 3 juli 2013, gevolgd door de machtsoverdracht aan een interim-president en een fungerend premier; is van mening dat uitsluitend door nationale verzoening en een politiek proces waaraan alle democratische politieke krachten en spelers deelnemen, een diepgewortelde en duurzame democratie in Egypte tot stand kan worden gebracht, hetgeen zo spoedig mogelijk moet leiden tot een nieuwe via een referendum aan te nemen grondwet, vrije en eerlijke presidents- en parlementsverkiezingen, een democratisch gekozen burgerregering en de vrijlating van alle politieke gevangenen; roept alle politieke krachten en spelers in Egypte op tot een constructieve deelname aan dit proces;

2.  veroordeelt het buitensporige gebruik van geweld door de veiligheidstroepen tegen betogers, in het bijzonder tijdens de ontruiming van de sit-ins op het Rabaaplein en het Nahdaplein; spreekt zijn medeleven uit met de families van diegenen die zijn omgekomen tijdens de recente onlusten; verzoekt om een onpartijdig en geloofwaardig onderzoek naar deze gebeurtenissen en wenst dat de daders hiervoor aansprakelijk worden gesteld; wijst op de recente aankondiging door fungerend premier El Beblawy van de oprichting van een onafhankelijk comité bestaande uit prominente figuren dat een onderzoek zal instellen naar de ontruiming van de sit-ins op het Rabaaplein en het Nahdaplein;

3.  verzoekt alle politieke spelers en veiligheidstroepen om met uiterste terughoudendheid op te treden en provocaties te vermijden, om verder geweld te voorkomen in de beste belangen van het land; herinnert de interim-president, de interim-regering en het Egyptische leger aan hun verplichting om de veiligheid van alle burgers in het land te waarborgen, ongeacht hun politieke standpunten en overtuiging; veroordeelt alle vormen van terrorisme, opruiing en geweld en alle uitingen van haat; verzoekt de Moslimbroeders met klem bij te dragen aan het verzoeningsproces; roept op tot de onmiddellijke opheffing van de noodtoestand;

4.  verzoekt de interim-regering toe te zien op de volledige eerbiediging en bevordering van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, waaronder vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering, vrijheid van meninguiting, vrijheid van de media, vrijheid van godsdienst, geweten en denken, en van vrouwenrechten, en garant te staan voor het recht op een eerlijk proces voor iedereen, de bescherming van minderheden en de strijd tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid; is van mening dat elk verbod, elke uitsluiting of vervolging gericht tegen een democratische politieke kracht of speler in Egypte een herhaling zou vormen van de reeds begane misstappen en het radicalisme uitsluitend zou versterken;

5.  dringt erop aan dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan alle daden van geweld, seksueel misbruik, en andere vernederende behandelingen jegens vrouwelijke betogers en vrouwenrechtenactivisten, dat een serieus en onafhankelijk onderzoek naar al deze zaken wordt ingesteld en dat de verantwoordelijken worden berecht;

6.  benadrukt nogmaals het belang van de deelname van het maatschappelijk middenveld, de vakbonden en de media aan de totstandbrenging van een diepgewortelde en duurzame democratie in Egypte; verzoekt de interim-regering te waarborgen dat binnenlandse en internationale maatschappelijke organisaties, onafhankelijke vakbonden en journalisten vrijelijk hun werk kunnen doen in het land, zonder inmenging van de regering; onderschrijft het besluit van de Raad Buitenlandse Zaken van 21 augustus 2013 om, gezien de negatieve impact van de economische situatie op de meest kwetsbare groepen in de Egyptische samenleving, de EU-steun op sociaaleconomisch gebied en de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld voort te zetten;

7.  veroordeelt het recente geweld tegen de koptische gemeenschap, waaronder de verwoesting van een aantal kerken en gemeenschapscentra op verschillende plekken in het land; roept de Egyptische regering ertoe op ervoor te zorgen dat deze gemeenschap een belangrijk element kan blijven vormen van het Egyptische maatschappelijke bestel en dat zij snel weer vreedzaam met de andere religieuze gemeenschappen kan samenleven;

8.  roept de Unie ertoe op in haar bilaterale betrekkingen met en haar financiële steun aan Egypte rekening te houden met zowel het conditionaliteitsbeginsel ("meer voor meer" en eventueel "minder voor minder") als de grote economische uitdaging waar het land voor staat; is verheugd over het recente besluit van de Raad Buitenlandse Zaken om de uitvoervergunningen voor Egypte op te schorten voor uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt;

9.  is verheugd over en ondersteunt de bemiddelingsinspanningen van de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter Catherine Ashton en speciaal vertegenwoordiger Bernardino León met als doel de verschillende partijen een weg te doen vinden uit de huidige politieke crisis in Egypte, en moedigt hen aan hun proactieve en constructieve inzet voort te zetten en het land zo bij te staan in het nationale verzoeningsproces;

10. neemt kennis van de conclusies van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 18 juni 2013 over "EU-samenwerking met Egypte op het gebied van bestuur" en roept op tot maatregelen om te zorgen voor meer transparantie en democratische controle wat betreft de manier waarop EU-financiering in Egypte wordt ingezet, met bijzondere aandacht voor projecten gericht op het maatschappelijk middenveld en de bescherming van minderheden en vrouwenrechten;

11. herhaalt zijn oproep tot de onmiddellijke invoering van een EU-mechanisme voor juridische en technische bijstand aan de landen van de Arabische Lente bij de terugvordering van activa, zoals vermeld in zijn resolutie van 23 mei 2013 maar uitgesteld vanwege de onrust in Egypte; benadrukt nogmaals dat de EU de morele verplichting heeft de teruggave van activa gestolen door dictators uit het verleden en hun regimes, te ondersteunen; is van mening dat de terugvordering van activa een vraagstuk met een sterk politieke lading is vanwege de symbolische waarde ervan, en een belangrijke bijdrage kan leveren aan het herstel van de verantwoordingsplicht, de stabiliteit van het land en de opbouw van solide instellingen in de geest van de democratie en de rechtsstaat in de betrokken partnerlanden;

12. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter, de parlementen en regeringen van de lidstaten en de interim-president en de interim-regering van Egypte.