Ontwerpresolutie - B7-0423/2013Ontwerpresolutie
B7-0423/2013

    ONTWERPRESOLUTIE over de situatie in Syrië

    10.9.2013 - (2013/2819(RSP))

    naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Ulrike Lunacek, Malika Benarab-Attou, Iñaki Irazabalbeitia Fernández, Rebecca Harms, Barbara Lochbihler, Raül Romeva i Rueda, Judith Sargentini, Bart Staes, Tarja Cronberg namens de Verts/ALE-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0413/2013

    Procedure : 2013/2819(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0423/2013
    Ingediende teksten :
    B7-0423/2013
    Debatten :
    Aangenomen teksten :

    B7‑0423/2013

    Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Syrië

    (2013/2819(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, met name die van 16 februari 2012 over de situatie in Syrië[1], die van 13 september 2012 over Syrië[2], en die van 23 mei 2013 over de situatie van de Syrische vluchtelingen in de buurlanden[3],

    –   gezien zijn resolutie van 17 januari 2013 over de aanbevelingen van de NPV-toetsingsconferentie inzake de realisatie van een Midden-Oosten dat vrij is van massavernietigingswapens[4],

    –   gezien de conclusies over Syrië van de Raad Buitenlandse Zaken en de Europese Raad, sinds het begin van de Syrische crisis begin 2011,

    –   gezien de opmerkingen van Herman Van Rompuy, voorzitter van de Europese Raad, voorafgaand aan de G20-top op 5 september 2013,

    –   gezien de verklaringen die de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, heeft afgelegd op 21 en 23 augustus 2013,

    –   gezien de verklaringen die secretaris-generaal Ban Ki-moon van de VN heeft afgelegd sinds de aanval in de wijk Ghouta op 21 augustus 2013,

    –   gezien de resoluties 2059 van 20 juli 2012, 2043 van 21 april 2012 en 2042 van 14 april 2012 van de VN-Veiligheidsraad,

    –   gezien resolutie 377 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 1950 ("Uniting for Peace") en haar resolutie 67/183 over de situatie van de mensenrechten in Syrië,

    –   gezien de resoluties van de VN-Mensenrechtenraad over Syrië, met name die van 22 maart 2013,

    –   gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen van 3 september 2013,

    –   gezien het rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie van de VN over Syrië van 4 juni 2013,

    –   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en de internationale instrumenten inzake mensenrechten en humanitair recht, waarbij Syrië partij is,

    –   gezien het slotcommuniqué van de actiegroep voor Syrië (het "communiqué van Genève") van 30 juni 2012,

    –   gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij, het protocol van Genève van 1925, en het Verdrag inzake chemische wapens van 1993,

    –   gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof,

    –   gezien de gederubriceerde inlichtingenrapporten die de Franse, Duitse, Britse en Amerikaanse autoriteiten begin september 2013 openbaar gemaakt hebben,

    –   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat op 21 augustus 2013 in de wijk Ghouta, in het oosten van Damascus, honderden Syrische burgers gedood en gewond zijn; overwegende dat een aantal regeringen, waaronder die van de VS, enkele EU-lidstaten, Turkije en andere regionale actoren, het Syrische regime ervan hebben beschuldigd chemische stoffen tegen zijn eigen bevolking in te zetten; overwegende dat deze beschuldigingen door het regime van president al-Assad van de hand zijn gewezen en door verscheidene van zijn bondgenoten, waaronder Rusland en Iran, zijn betwist;

    B.  overwegende dat een team VN-inspecteurs inzake chemische wapens ter plaatse weliswaar stalen en bewijsmateriaal heeft kunnen verzamelen, maar pas verscheidene dagen na de vermeende chemische aanval waarbij het gebied zwaar onder vuur werd genomen door regeringsgezinde troepen; overwegende dat het onderzoeksteam van de VN naar verwachting binnenkort verslag zal uitbrengen aan de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat het mandaat van het onderzoeksteam van de VN erin bestaat vast te stellen of er chemische wapens zijn gebruikt en niet wie daarvoor verantwoordelijk is; overwegende dat secretaris-generaal Ban Ki-moon van de VN herhaaldelijk heeft opgeroepen om eventuele maatregelen te treffen in het kader van het VN-Handvest;

    C. overwegende dat de leiders van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en Turkije – Barack Obama, David Cameron, François Hollande en Tayyip Erdoğan – het Syrische regime op basis van inlichtingenrapporten ervan hebben beschuldigd in de wijk Ghouta een grootschalige chemische aanval te hebben uitgevoerd, en hebben verklaard vastberaden een aantal beperkte aanvallen te zullen uitvoeren om het regime van al-Assad verantwoordelijk te stellen voor het gebruik van chemische wapens, dergelijk gedrag te ontraden en het vermogen van het regime om verdere aanvallen uit te voeren, te verminderen; overwegende dat deze leiders hebben verklaard bereid te zijn deze aanvallen buiten het kader van de VN uit te voeren; overwegende dat een motie van de Britse premier Cameron om militair optreden toe te staan in het Britse parlement werd afgewezen en dat hij bijgevolg Britse deelname aan een door de VS geleide aanval heeft uitgesloten;

    D. overwegende dat de Arabische Liga op 1 september 2013 de Verenigde Naties en de internationale gemeenschap in haar geheel heeft opgeroepen hun volkenrechtelijke verantwoordelijkheden op te nemen en "de nodige maatregelen te treffen" tegen de Syrische regering;

    E.  overwegende dat het VN-Handvest voorziet in twee uitzonderingen op het verbod op het gebruik van geweld: zelfverdediging en machtiging van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat de doctrine van humanitaire interventie niet is erkend in het internationaal gewoonterecht; overwegende dat de R2P-doctrine ("verantwoordelijkheid om te beschermen") de internationale gemeenschap duidelijk ertoe verplicht op te treden om een bevolking tegen de ergste vormen van misdaad te beschermen; overwegende dat ook krachtdadig optreden in het kader van de "verantwoordelijkheid om te beschermen" door de VN-Veiligheidsraad moet worden toegestaan;

    F.  overwegende dat Syrië geen partij is bij het Verdrag inzake chemische wapens, dat de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden, de overdracht en het gebruik van chemische wapens verbiedt; overwegende dat Syrië is toegetreden tot het Protocol van Genève van 1925 inzake het verbod van het gebruik tijdens oorlogshandelingen van verstikkende, giftige of andere gassen; overwegende dat Syrië in juli 2012 heeft toegegeven dat het een voorraad chemische wapens bezit;

    G. overwegende dat de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sergej Lavrov, op 9 september 2013 heeft voorgesteld het regime van al-Assad ertoe te overhalen zijn chemische arsenaal onder internationaal toezicht te laten vernietigen en toe te treden tot het Verdrag inzake chemische wapens; overwegende dat de Amerikaanse president Barack Obama dit voorstel als een mogelijke doorbraak heeft begroet;

    H. overwegende dat de dramatische mensenrechten-, humanitaire en veiligheidssituatie in Syrië de afgelopen maanden is blijven verslechteren, waarbij het gewapende geweld is toegenomen en zich verder over het land verspreidt; overwegende dat de troepen van de Syrische regering stelselmatig geweld blijven gebruiken tegen dichtbevolkte wijken; overwegende dat de militaire vleugel van Hezbollah, die door de EU als een terroristische organisatie is bestempeld, sinds het voorjaar van 2013 de Syrische regering hulp verleent; overwegende dat er in mindere mate ook aanhoudend melding wordt gemaakt van schendingen van de mensenrechten en van het humanitaire recht door oppositiegroeperingen; overwegende dat de toename van jihadistische troepen onder de militaire oppositie ernstige zorgen baart; overwegende dat de Syrische Koerden steeds meer bij het conflict betrokken geraken door aanvallen van weerszijden, waarbij recentelijk de Koerdische Democratic Union Party (PYD) en islamistische rebellengroepen in Noord-Syrië slaags zijn geraakt; overwegende dat de Koerdische Nationale Raad op 28 augustus 2013 een overeenkomst met de Syrische Nationale Coalitie heeft gesloten waarin de rechten van de Koerdische burgers worden gewaarborgd, wat het pad voor lidmaatschap moet effenen;

    I.   overwegende dat het Syrische Waarnemingscentrum voor de rechten van de mens in september 2013 schatte dat er sinds het begin van het conflict 110 000 mensen zijn vermoord, overwegende dat de meeste van deze slachtoffers niet-strijders zijn;

    J.   overwegende dat het Syrische conflict de stabiliteit van de gehele regio ondermijnt en dat het geweld zich over de buurlanden, met name Libanon, Jordanië, Turkije en Irak, verspreidt; overwegende dat externe actoren steeds meer betrokken zijn bij het ondersteunen van één partij in het conflict;

    K. overwegende dat de buurlanden ook geconfronteerd worden met een spectaculaire toename van het aantal vluchtelingen uit Syrië ‑ momenteel meer dan 2 miljoen ‑, met daarnaast 4,25 miljoen binnenlands ontheemden, aldus het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR); overwegende dat meer dan 97 % van de Syrische vluchtelingen worden opgevangen door landen in de onmiddellijke omgeving, wat hun respectieve infrastructuur, economie en samenleving zwaar belast; overwegende dat cijfers van het UNHCR van 3 september 2013 gewag maken van 716 000 Syrische vluchtelingen in Libanon, 515 000 in Jordanië, 460 000 in Turkije, 168 000 in Irak en 110 000 in Egypte; overwegende dat 525 000 Palestijnse vluchtelingen in Syrië een bijzonder kwetsbare groep vormen die te lijden heeft van het conflict; overwegende dat deze groep zeer weinig opties heeft om buiten Syrië een veilige opvangplaats te vinden; overwegende dat hun vlucht naar buurlanden, met name Jordanië, een extra risico op destabilisatie vormt;

    L.  overwegende dat de EU tot dusver de grootste donor is en Syrië voor meer dan 515 miljoen EUR aan humanitaire hulp verstrekt via ECHO en voor meer dan 493 miljoen EUR via de EU-lidstaten;

    1.  veroordeelt de aanval in de wijk Ghouta in Damascus op 21 augustus 2013, waarbij honderden Syrische burgers gedood en duizenden gewond werden; wijst erop dat dit het recentste voorbeeld is van de wreedheden die sinds 2011 in het aanhoudende bloedbad in Syrië worden begaan;

    2.  is van mening dat dit gebruik van chemische wapens door het regime van al-Assad of een andere oorlogvoerende partij, als het wordt bevestigd, een antwoord vergt dat in verhouding staat tot de ernst van zulk een laaghartige misdaad;

    3.  benadrukt hoe belangrijk het is het wereldwijde verbod op het gebruik van chemische wapens op grond van het internationale recht in stand te houden, en beklemtoont dat verantwoording moet worden afgelegd voor een dergelijke daad, die een ernstige schending van het internationale recht en met name een misdaad tegen de menselijkheid vormt;

    4.  is er stellig van overtuigd dat het voorleggen van onweerlegbaar bewijs van de verantwoordelijkheid voor het bloedbad in de wijk Ghouta cruciaal is om een eenparig en afdoend antwoord van de internationale gemeenschap op een van de ergste beledigingen van de mensheid in tientallen jaren te smeden;

    5.  benadrukt dat het belangrijk is de VN-wapeninspecteurs in staat te stellen hun onderzoek af te ronden en over hun bevindingen verslag uit te brengen aan de VN-Veiligheidsraad; betreurt dat de VN-Veiligheidsraad tot dusver zijn verantwoordelijkheden niet op zich heeft genomen als de ultieme garant voor internationale vrede en veiligheid; dringt er bij Rusland en China op aan zich in dit verband constructief op te stellen om de snelle vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt over Syrië te bevorderen met het oog op de nodige maatregelen om de burgers te beschermen;

    6.  verzoekt de EU en haar lidstaten, met name die welke lid zijn van de VN-Veiligheidsraad, een resolutie van de Veiligheidsraad in te dienen en te steunen teneinde de Syrische situatie voor te leggen aan het Internationaal Strafhof; dringt erop aan dat de Europese Unie en al haar lidstaten de verantwoordingsplicht bevorderen voor alle schendingen van het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechten die zijn begaan door alle bij het Syrische conflict betrokken gouvernementele en niet-gouvernementele actoren, met inbegrip van het gebruik van chemische wapens en het doden van gevangenen;

    7.  benadrukt dat een militaire interventie in Syrië – met of zonder toestemming van de VN – onvermijdelijk zware en bijzonder onvoorspelbare gevolgen zal hebben en dat een verslechtering van de situatie ter plaatse, met name op humanitair gebied, niet uit te sluiten valt;

    8.  is van mening dat een militaire interventie niet gerechtvaardigd is als er geen daadwerkelijke bescherming kan worden bereikt of als de gevolgen van een dergelijke interventie wellicht erger zijn dan als er helemaal niet wordt ingegrepen; beklemtoont dat een militaire interventie met het oog op de beperkte bescherming van burgers niet te rechtvaardigen valt als dit een breder conflict veroorzaakt;

    9.  is ervan overtuigd dat geen enkele militaire reactie op zich, van welke aard ook, het gebruik van chemische wapens in de toekomst daadwerkelijk zal ontraden of het Syrische conflict zal oplossen; meent evenwel dat het spookbeeld van ongebreidelde chemische oorlogvoering in Syrië en daarbuiten opdoemt als een krachtdadige internationale reactie op een bevestigd gebruik van chemische wapens uitblijft; herhaalt dat alleen een strategische, globale aanpak met humanitaire en politieke dimensies een einde kan maken aan het geweld en de massale mensenrechtenschendingen en het pad kan effenen voor een overgang naar democratie in Syrië;

    10. roept alle partijen op de diplomatieke inspanningen in het kader van het zogenaamde Genève II-proces te hervatten om een oplossing te vinden die tegemoetkomt aan het democratische streven van de Syrische bevolking, met actieve sturing van Lakhdar Brahimi, de speciale gezant van de Arabische Liga en de VN; benadrukt dat beide partijen de deelname van alle betrokkenen zonder voorafgaande voorwaarden moeten aanvaarden; beklemtoont dat de EU er vooral voor moet zorgen Rusland en Iran de hand te reiken en een regionaal de-escalatieproces te bevorderen;

    11. benadrukt dat de situatie in Syrië noopt tot een snelle, gezamenlijke en daadkrachtige aanpak door de lidstaten; verzoekt daarom de EU en haar lidstaten een buitengewone vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken te beleggen om de situatie in Syrië te bespreken en te bekijken welke maatregelen de EU kan nemen om de democratische krachten in de Syrische oppositie doeltreffender steun te verlenen, de burgers te beschermen en de dialoog en een gezamenlijke aanpak met andere internationale spelers, zoals Rusland, Iran of de Arabische Liga, te bevorderen;

    12. roept de Raad en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger in dit verband op het initiatief te nemen om een bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de VN over Syrië aan te vragen teneinde de huidige patstelling in de Veiligheidsraad te doorbreken, en alle diplomatieke middelen in te zetten om een politieke oplossing te vinden; is voorzichtig positief over het recente Russische voorstel om de Syrische chemische wapens onder internationaal toezicht te plaatsen en roept het Syrische regime ertoe op positief en ernstig te reageren op dit voorstel, dat een mogelijke uitweg uit de huidige crisis biedt;

    13. betuigt nogmaals zijn vastberaden steun voor het werk van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie over Syrië en verwelkomt haar jongste verslag;

    14. roept de EU en haar lidstaten ertoe op hun humanitaire verantwoordelijkheden op te nemen en meer hulp te verlenen aan de Syrische vluchtelingen; dringt er met name bij alle lidstaten op aan alle belemmeringen weg te nemen die vluchtelingen ervan weerhouden om bescherming te zoeken in de EU; neemt met bezorgdheid kennis van berichten over buitensporige detentieperiodes voor Syrische vluchtelingen in de EU; veroordeelt lidstaten, met name Griekenland, die vluchtelingen uitzetten, in strijd met internationaal en EU-recht; verzoekt de Commissie om zorgvuldig toe te zien op de praktijken van lidstaten en van Frontex, met name aan de EU-Turkse grens; dringt er bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden, te activeren; dringt er bij de Commissie op aan om dringend met een voorstel voor een permanent overbrengingssysteem op vrijwillige basis te komen, zodat de lidstaten hun verantwoordelijkheid meer kunnen delen en meer solidariteit kunnen betrachten; betreurt ten zeerste dat het UNHCR tot dusver minder dan 50 % van de 3,3 miljard EUR die het nodig heeft om de basisbehoeften van de vluchtelingen te financieren, ontvangen heeft; dringt aan op een betere diversificatie van de humanitaire kanalen om de toegang tot internationale hulp en de aanwezigheid ter plaatse in gebieden buiten de controle van het regime te verbeteren; betreurt dat Egypte de visumvrijstelling voor Syrische burgers heeft opgeschort en roept de Egyptische autoriteiten ertoe op de rechten van de vluchtelingen te eerbiedigen;

    15. is de vaste overtuiging toegedaan dat de EU op langere termijn de wereldwijde verontwaardiging over Syrië zou moeten aangrijpen om een hervorming van de VN-Veiligheidsraad ten gunste van de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) door te drukken en krachtdadige diplomatieke initiatieven te nemen om een non-proliferatieagenda te bewerkstelligen, mede via de bevordering van een Midden-Oosten dat vrij is van massavernietigingswapens, met name door de lang uitgestelde internationale conferentie hierover te houden, de bekrachtiging en tenuitvoerlegging van de desbetreffende internationale instrumenten te bevorderen, het verdere gebruik van witte fosfor en verarmd uranium aan te pakken en haar inspanningen op te voeren om chemische voorraden wereldwijd te verminderen;

    16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regeringen en het parlementen van de Volksrepubliek China en de Russische Federatie, de president en het Congres van de Verenigde Staten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Arabische Liga en de regering en het parlement van Syrië.