Procedure : 2013/2666(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0482/2013

Ingediende teksten :

B7-0482/2013

Debatten :

PV 21/10/2013 - 11
CRE 21/10/2013 - 11

Stemmingen :

PV 23/10/2013 - 11.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0443

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 184kWORD 118k
16.10.2013
PE519.360/revv01-00
 
B7-0482/2013/rev

naar aanleiding van vragen voor mondeling antwoord B7‑0517/2013 en B7‑0518/2013

ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement


over de conferentie over klimaatverandering in Warschau, Polen (COP 19) (2013/2666(RSP))


Matthias Groote namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Karl-Heinz Florenz namens de PPE-Fractie
Dan Jørgensen namens de S&D-Fractie
Corinne Lepage namens de ALDE-Fractie
Bas Eickhout namens de Verts/ALE-Fractie
Anna Rosbach namens de ECR-Fractie
Sabine Wils namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de conferentie over klimaatverandering in Warschau, Polen (COP 19) (2013/2666(RSP))  
B7‑0482/2013/rev

Het Europees Parlement,

–   gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–   gezien de resultaten van de conferentie van de Verenigde Naties over klimaatverandering op Bali in 2007 en het actieplan van Bali (Besluit 1/COP 13),

–   gezien de vijftiende conferentie van de partijen (COP 15) bij het UNFCCC en de vijfde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP5), die van 7 t/m 18 december 2009 in Kopenhagen (Denemarken) hebben plaatsgevonden, alsmede het akkoord van Kopenhagen,

–   gezien de zestiende conferentie van de partijen (COP 16) bij het UNFCCC en de zesde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP6), die van 29 november t/m 10 december 2010 in Cancún (Mexico) hebben plaatsgevonden, alsmede de akkoorden van Cancún,

–   gezien de zeventiende conferentie van de Partijen (COP 17) bij het UNFCCC en de zevende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP7), die van 28 november t/m 9 december 2011 in Durban (Zuid-Afrika) hebben plaatsgevonden en met name de besluiten die het Platform van Durban voor versterkte maatregelen omvatten,

–   gezien de achttiende conferentie van de partijen (COP 18) bij het UNFCCC en de achtste conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP8), die van 26 t/m 8 december 2012 in Doha (Qatar) hebben plaatsgevonden, alsmede de goedkeuring van de "Doha Climate Gateway",

–   gezien de negentiende conferentie van de partijen (COP 19) bij het UNFCCC en de negende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP9), die van 11 t/m 23 november 2013 in Warschau (Polen) plaatsvinden,

–   gezien het klimaat- en energiepakket van de EU van december 2008,

–   gezien Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG ten einde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap(1),

–   gezien zijn resolutie van 4 februari 2009 met de titel "2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor het toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering"(2),

–   gezien zijn resoluties van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de conferentie over klimaatverandering in Kopenhagen (COP 15)(3), van 10 februari 2010 over de resultaten van de conferentie van Kopenhagen over de klimaatverandering (COP 15)(4), van 25 november 2010 over de conferentie over klimaatverandering in Cancún (COP 16)(5), van 16 november 2011 over de conferentie over klimaatverandering in Durban (COP 17)(6), en van 22 november 2012 over de conferentie over klimaatverandering in Doha (COP 18)(7),

–   gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(8),

–   gezien de consultatieve mededeling van de Commissie van 26 maart 2013 met de titel "De internationale overeenkomst inzake klimaatverandering van 2015: het internationale klimaatbeleid na 2020 vorm geven" (SWD(2013)0097),

–   gezien de conclusies van de Raad van 9 maart 2012 over de follow-up van de zeventiende conferentie van de partijen (COP 17) bij het UNFCCC en de zevende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (COP7), die van 28 november t/m 9 december 2011 in Durban (Zuid-Afrika) hebben plaatsgevonden,

–   gezien de conclusies van de Raad van 15 mei 2012 over klimaatfinanciering – snelstartfinanciering,

–   gezien de conclusies van de Raad van 18 juli 2011 en 24 juni 2013 over de klimaatdiplomatie van de EU,

–   gezien het samenvattende rapport van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2012 met de titel "The Emissions Gap Report 2012",

–   gezien het verslag van de Wereldbank met als titel "Turn Down the Heat. Why a 4°C Warmer World Must be Avoided",

–   gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de conferentie over klimaatverandering in Warschau (COP 19) (O-000095 – B7-0517/2013 en O-000096 – B7-0517/2013),

–   gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de klimaatverandering een urgente en mogelijk onomkeerbare bedreiging vormt voor de samenleving, biodiversiteit en de planeet en daarom op internationaal niveau moet worden aangepakt door alle partijen;

B.  overwegende dat de Doha Climate Gateway zich uiterst bezorgd toont over de aanzienlijke kloof tussen enerzijds het cumulatieve effect van de huidige mitigatietoezeggingen van de partijen op het gebied van de jaarlijkse broeikasgasemissies wereldwijd tot 2020 en anderzijds gecombineerde trajecten voor emissiereductie met een reële kans op een stabilisering van de stijging van het jaargemiddelde van de temperatuur aan het aardoppervlak naar 2 °C ("2 °C-doelstelling");

C. overwegende dat volgens wetenschappelijk bewijs dat door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) gepresenteerd werd, de 2 ºC-doelstelling impliceert dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2015 zijn hoogtepunt moet hebben bereikt, uiterlijk in 2050 met ten minste 50% moet zijn verminderd ten opzichte van 1990 en vervolgens verder moet blijven dalen; overwegende dat de EU derhalve moet aandringen op concrete maatregelen en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan op mondiaal niveau vóór 2020;

D. overwegende dat volgens het verslag van de Wereldbank met als titel "Turn Down the Heat" de huidige emissietrajecten binnen 20 tot 30 jaar leiden tot een opwarming met 2° C ten opzichte van de periode vóór het industriële tijdperk en uiterlijk in het jaar 2100 tot een opwarming met 4° C; overwegende dat het traject naar een stijging van 4° C kan resulteren in aanzienlijk grotere temperatuurstijgingen in bijzonder gevoelige tropische gebieden;

E.  overwegende dat recente wetenschappelijke resultaten ook de gevaren aantonen van een opwarming met 2 °C en algemeen wordt aangenomen dat de temperatuurstijging tot nu toe (wereldwijd ongeveer 0,8 °C boven de temperaturen in de periode vóór het industriële tijdperk) een van de factoren is die hebben geleid tot een aantal humanitaire en voedselcrises waarvan we getuige hebben kunnen zijn, in het bijzonder de ernstigste crises in Afrika, met name in de Hoorn van Afrika en de Sahel;

F.  overwegende dat de algemeen erkende risico's en kosten die het huidige tempo waarin de emissies worden teruggebracht, met zich meebrengt voor de wereld, niet alleen toezeggingen vereist maar ook de politieke wil van alle partijen om deze toezeggingen na te komen;

G. overwegende dat voor veel regio's een opwarming met 2° C al zeer gevaarlijk is; overwegende dat 112 landen, met inbegrip van de meest kwetsbare landen, de kleine eilandstaten en de minst ontwikkelde landen, hebben gepleit voor een vermindering van CO2 in de atmosfeer tot minder dan 350 per miljoen deeltjes en voor een stabilisering van de mondiale temperatuursstijging tot minder dan 1,5° C;

H. overwegende dat de conferentie van Warschau (COP 19) cruciaal zal zijn om de nodige vooruitgang te boeken bij de bevordering van het Platform van Durban, dat moet leiden tot toezeggingen en de sluiting van een mondiaal, juridisch bindend akkoord vóór 2015;

I.   overwegende dat een dergelijk mondiaal, juridisch bindend akkoord moet stroken met een met de 2° C-doelstelling verenigbare koolstofbegroting, rechtvaardigheid en het beginsel van "gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden", en dat hierin ook dient te worden erkend dat alle grote vervuilers ambitieuze en toereikende streefcijfers en overeenkomstige beleidsmaatregelen voor de reductie van broeikasgasemissies moeten vastleggen die de voortschrijdende verantwoordelijkheden en mogelijkheden weerspiegelen; herhaalt dat 90 % van de groei van de mondiale emissies plaatsvindt in de ontwikkelingslanden, die krachtens het huidige Protocol van Kyoto geen verplichting tot reductie hebben;

J.   overwegende dat de ontwikkelde landen op de COP 16 in Cancún (2010) 30 miljard dollar hebben toegezegd voor de periode 2010-2012, en voor 2020 jaarlijks 100 miljard dollar "nieuwe en aanvullende" financiering om te voorzien in de behoeften van ontwikkelingslanden op het vlak van klimaatverandering; overwegende dat deze fondsen bedoeld waren om te zorgen voor een evenwichtige verdeling tussen aanpassing en matiging; overwegende dat er tot nu toe geen internationaal overeengekomen definitie is van wat "nieuw en aanvullend" eigenlijk betekent;

K. overwegende dat ondanks de door de partijen in Kopenhagen gedane belofte om in de loop van drie jaar 30 miljard dollar als snelstartfinanciering te verstrekken, er nog steeds geen zekerheid bestaat over hoeveel klimaatfinanciering er beschikbaar zal worden gesteld om de betrouwbaarheid van deze toezegging te verzekeren;

L.  overwegende dat steeds meer wordt erkend dat waakzaam moet worden omgesprongen met pogingen van economische actoren die grote hoeveelheden broeikasgassen uitstoten of voordeel halen uit brandende fossiele brandstoffen, om zo de inspanningen ter bescherming van het klimaat te ondermijnen of aan te tasten;

M. overwegende dat, mochten internationale onderhandelingen vruchteloos blijken, de Unie een mechanisme voor de doorberekening van de CO2-kosten moet invoeren aan haar grenzen;

N. overwegende dat uit een studie van het Potsdam Institute for Climate Impact Research en de Universiteit van Madrid blijkt dat de frequentie van extreme hittegolven zich tot 2020 zal verdubbelen en zich tot 2040 zal verviervoudigen; overwegende dat uit de conclusies van deze studie eveneens blijkt dat deze ontwikkeling in de tweede helft van de eeuw kan worden voorkomen als de mondiale emissies fundamenteel worden verminderd; overwegende dat de gebeurtenissen lijken te bevestigen wat de wetenschappers zeggen, aangezien ook in Europa natuurrampen, zoals overstromingen of extreme stormen, vaker voorkomen;

O. overwegende dat in een studie van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) wordt aangetoond dat een duurzame en energie-efficiënte economie haalbaar is en tegelijkertijd banengroei kan worden verzekerd;

P.  overwegende dat uit een studie van het Potsdam Institute for Climate Impact Research blijkt dat als wereldwijde actie op basis van een alomvattend, internationaal klimaatbeleid wordt uitgesteld tot na 2030, de mondiale economische groei in het eerste decennium na de tenuitvoerlegging van het klimaatbeleid misschien wel met 7 % daalt, terwijl die daling slechts 2 % zou bedragen als er al in 2015 een overeenkomst wordt gesloten;

Q. overwegende dat het initiatief van het Convenant van burgemeesters nog altijd een groot succes is, met bijna 5 000 gemeentes die vast van plan zijn om verder te gaan dan de klimaat- en energiedoelen van de EU tot 2020; overwegende dat dit enthousiasme en deze toewijding van de Europese gemeenten als voorbeeld moet worden gebruikt om ook op internationaal niveau ambitieus klimaat- en energiebeleid op te stellen;

R.  overwegende dat ontwikkelde en ontwikkelingslanden zijn overeengekomen zich te houden aan de beginselen van gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden; overwegende dat de pogingen om de broeikasgasemissies te beperken desondanks ontoereikend zijn, en het zwakke resultaat van vorige COP’s het gevolg is van een gebrek aan politieke wil bij bepaalde landen; overwegende dat deze tekortkoming moet worden aangepakt gezien de extreme natuurrampen die zich recentelijk hebben voorgedaan;

S.  overwegende dat regeringen de collectieve verantwoordelijkheid hebben om op adequate wijze te anticiperen op de klimaatproblemen waarvoor de mensheid en de planeet zich gesteld zien; overwegende dat zij moeten worden ondersteund door alle betrokkenen, waaronder burgers en ondernemingen in hun respectieve landen;

T.  overwegende dat de internationale gemeenschap op zoek is naar een nieuw mondiaal ontwikkelingskader via twee parallelle sporen: de millenniumontwikkelingsdoelstellingen en het proces van duurzameontwikkelingsdoelstellingen dat gelanceerd is door de conferentie Rio+20; overwegende dat er aanzienlijke overlappingen bestaan tussen beide sporen;

U. overwegende dat de klimaatverandering het ontwikkelingsvraagstuk niet verzacht, maar juist verergert; overwegende dat de middelen voor officiële ontwikkelingshulp niet moeten worden ingezet voor klimaatfinanciering, maar dat het beginsel dat klimaatfinanciering een aanvulling moet zijn op de middelen en toezeggingen voor officiële ontwikkelingshulp, voortdurend nageleefd moet worden;

V. overwegende dat de klimaatverandering een enorme bedreiging vormt voor tal van mensenrechten, waaronder het recht op voedsel, het recht op water en sanitaire voorzieningen, en meer in het algemeen, het recht op ontwikkeling;

W. overwegende dat wereldwijd 20 % van de broeikasgasemissies het gevolg zijn van ontbossing en andere vormen van grondgebruik en de verandering in het grondgebruik; overwegende dat agro-bosbouw de emissiebeperkende effecten versterkt door een grotere koolstofopslag, en de armoede vermindert door de inkomsten van lokale gemeenschappen te diversifiëren;

X. overwegende dat de wereldwijde vraag naar energie volgens de International Energy Outlook 2013 van 2010 tot 2040 met 56 % zal stijgen(9) en dat de CO2-uitstoot aanzienlijk zal toenemen om aan deze vraag te kunnen voldoen; overwegende dat het grootste deel van de stijgende vraag en de bijbehorende emissies zich in de opkomende economieën zullen voordoen; overwegende dat wereldwijde subsidies voor fossiele brandstoffen volgens cijfers van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inmiddels 1,9 miljard dollar bedragen, waarbij de hoogste subsidies afkomstig zijn uit de VS, China en Rusland (die samen goed zijn voor ongeveer de helft van deze subsidies(10));

Y. overwegende dat veel landen aan de vergroening van de economie werken in de sectoren industrie en energie, onder meer om redenen van klimaatbescherming, schaarste en efficiënt gebruik van grondstoffen, energiezekerheid, innovatie en concurrentievermogen; overwegende dat de mondiale CO2-uitstoot volgens het Internationaal Energieagentschap in 2012 desondanks tot recordhoogte gestegen is;

Z.  overwegende dat de EU, als voorloper in de groeiende wereldmarkt voor energiegerelateerde goederen en diensten, baat zou hebben bij klimaatgerelateerde innovaties in de energiesector en de industrie;

AA. overwegende dat wereldwijde innovatie in de duurzame-energiesector (zowel op productie- als op afnemerniveau) werkgelegenheid creëert, economische groei stimuleert, meer energieonafhankelijkheid bewerkstelligt en een schonere wereld tot gevolg zal hebben waarin de klimaatverandering wordt afgeremd en een toereikende energievoorziening veiliggesteld is;

Bevordering van het Platform van Durban

1.  is van mening dat in de overeenkomst voor de periode na 2020 de huidige lappendeken van bindende en niet-bindende regelingen krachtens het VN-klimaatverdrag en het Protocol van Kyoto moet worden samengebracht in één enkel alomvattend, coherent en voor alle partijen bindend stelsel; benadrukt dat de overeenkomst voor de periode na 2020 de wereld niet meer moet verdelen in de categorieën "ontwikkelingslanden" of "geïndustrialiseerde landen", maar van elk land moet verwachten dat ze een bijdrage leveren volgens het beginsel van gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden; gelooft in dit verband dat emissiereducties die worden berekend op basis van een aantal indicatoren, zoals het bbp per capita, toegang tot technologie, een index voor de kwaliteit van leven en andere indicatoren, een nuttig instrument kunnen zijn;

2.  onderstreept het vele werk dat moet worden verzet in de Ad-hocwerkgroep inzake het Platform van Durban voor versterkte maatregelen, wat betreft de beginselen en het kader voor de nieuwe wereldwijde klimaatovereenkomst, alsook het traject om deze te verwezenlijken tegen de tijd dat COP 21 zal worden gehouden in Parijs in 2015; merkt verder op dat de activiteiten van deze werkgroep moeten worden geïnspireerd door het vijfde evaluatierapport van de IPCC dat in 2014 moet verschijnen; benadrukt dat met de overeenkomst van 2015 het doel om uiterlijk in 2030 de mondiale uitstoot te verminderen tot onder het niveau van 1990 moet worden bereikt en moet worden beoogd om de mondiale koolstofemissies uiterlijk in 2050 uit te faseren;

3.  merkt op dat het feit dat een rechtvaardige benadering van de verdeling van de mitigatie‑ en aanpassingsinspanningen onder de landen niet kon worden bewerkstelligd, een obstakel vormt voor het bereiken van een gepaste overeenkomst; benadrukt dat rechtvaardigheid, inclusief een dynamische benadering van gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden, centraal moet staan in de nieuwe overeenkomst om een passend antwoord te kunnen bieden op het klimaatprobleem;

4.  is van mening dat het internationaal juridisch bindend protocol waarover nu in het Platform van Durban wordt onderhandeld, moet voortbouwen op de reeds in het UNFCCC en het Protocol van Kyoto overeengekomen regels en deze ontwikkelen en verbeteren; meent dan ook dat hierin een onderzoeksproces van een aantal rechtvaardigheidsbeginselen en -indicatoren, zoals geschiktheid, verantwoordelijkheid, mogelijkheid en ontwikkelings- en aanpassingsbehoeften, moet worden opgenomen;

5.  meent dat de EU een constructieve rol kan spelen om het bereiken van een overeenkomst over de rechtvaardige verdeling van inspanningen te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie een EU-voorstel te doen voor de mondiale verdeling van inspanningen;

6.  is verheugd over het voorstel van Ban-Ki Moon om in september 2014 een klimaattop met alle wereldleiders te organiseren, en in 2014 een pre-COP van de burgers in Venezuela; benadrukt het belang van een goed voorbereid evenement met bruikbare resultaten en engagement op het hoogste politieke niveau en met het maatschappelijk middenveld, om het noodzakelijke politieke momentum in de aanloop naar de conferenties van 2014 en 2015 te bewerkstelligen en te handhaven; vindt dat de landen toezeggingen over de reductie van broeikasgassen moeten voorstellen vóór de top van de wereldleiders opdat de overeenkomst van 2015 een succes kan worden; benadrukt dat de EU het goede voorbeeld moet geven en op tijd voor de top ambitieuze doelstellingen voor 2030 moet goedkeuren over de reductie van broeikasgassen, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;

7.  wil graag dat tijdens de COP in Warschau een besluit wordt genomen met daarin een tijdsschema en een procedure voor alle partijen om in 2014 mitigatietoezeggingen te formuleren en deze vervolgens in 2015 te beoordelen en te herzien; is van mening dat in de besluiten van de COP in Warschau eveneens informatievereisten bij de voorgestelde mitigatietoezeggingen moeten worden vastgesteld en criteria voor transparantie, kwantificering, vergelijkbaarheid, verifieerbaarheid en geschiktheid;

8.  is van mening dat het streefcijfer van de EU voor de reductie van broeikasgasemissies ten minste 50 % moet zijn voor 2030 zodat de EU koploper kan blijven in de ontwikkeling van technologieën voor een klimaatvriendelijke economie;

9.  is van mening dat de mitigatietoezeggingen van de partijen moeten worden geschraagd door het beginsel van gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden, meetbaar, rapporteerbaar en verifieerbaar moeten zijn en afdoende moeten zijn om de 2º C-doelstelling te halen (en dus het "mitigatiegat moeten dichten" door limieten voor broeikasgasemissies en reductiedoelstellingen voor 2020 in overeenstemming te brengen met het vereiste om binnen de 2º C-doelstelling te blijven); herhaalt dat de bestaande toezeggingen daarom collectief herzien en uitgebreid moeten worden om de 2 °C‑doelstelling te halen; betreurt het dat de reductiedoelstelling van de EU niet strookt met de 2º C-doelstelling die zij zichzelf heeft gesteld, noch met het kosteneffectieve traject op weg naar de emissiereductiedoelstelling voor 2050; benadrukt dat de EU druk moet uitoefenen op de partijen die niet op de goede weg zijn naar de 2º C-doelstelling;

10. wijst op het belang van op wetenschappelijk bewijs gestoeld beleid en op de dwingende noodzaak om de 2 °C-doelstelling te handhaven en krachtiger na te streven; is van mening dat de inspanningen om de mitigatietoezeggingen te versterken en beter na te leven geen onzekere uitkomst moeten hebben, maar moeten worden verbonden aan sterker geformaliseerde, regelmatige en strenge evaluaties van de gemaakte vorderingen gebaseerd op wetenschappelijk bewijs, om ervoor te zorgen dat de mitigatiekloof wordt gedicht;

11. wijst op het sterke verband tussen de doelstelling van wereldwijde armoedebestrijding die ten grondslag ligt aan de millenniumontwikkelingsdoelstellingen – die momenteel worden herzien – en het proces van duurzameontwikkelingsdoelstellingen dat gelanceerd is tijdens de conferentie Rio+20; ziet graag dat deze twee processen worden geïntegreerd in één enkel, alomvattend en overkoepelend kader, en pleit voor een reeks doelstellingen voor de bestrijding van de armoede en de bevordering van duurzame ontwikkeling na 2015;

12. benadrukt dat een stabiel beleidskader voor de lange termijn, met onder andere ambitieuze langetermijndoelstellingen, de belangrijkste uitdaging vormt, samen met het vergemakkelijken van investeringen;

13. herhaalt dat het huidige systeem van "toezegging en herziening" niet de fundamentele veranderingen tot stand zal brengen die noodzakelijk zijn om de klimaatverandering op de lange termijn tegen te gaan, en verzoekt derhalve alle partijen ook andere benaderingen in overweging te nemen;

Protocol van Kyoto

14. is verheugd over het besluit van de EU, Zwitserland, Noorwegen, Liechtenstein, IJsland en Australië om deel te nemen aan een tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto met ingang van 1 januari 2013, als overgang naar de instelling van een nieuwe, alle partijen omvattende internationale regeling, en roept op tot een snelle ratificering, zoals afgesproken in Doha;

15. verduidelijkt dat hoewel de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto beperkt zal zijn in omvang, deze moet worden beschouwd als een cruciale tussenstap die een brug vormt naar een meer doeltreffende en alomvattende, voor alle partijen bindende internationale overeenkomst voor de periode na 2020;

16. herhaalt dat veel landen nu al het goede voorbeeld geven en laten zien dat het mogelijk is strategieën voor koolstofarme ontwikkeling na te streven, een hoge levensstandaard te verschaffen voor een groter deel van de huidige generatie zonder de mogelijkheid van toekomstige generaties om in hun eigen behoeftes te voorzien in gevaar te brengen, en tegelijkertijd nieuwe banen te scheppen en de afhankelijkheid van energie-invoer te verminderen; verduidelijkt dat niet hoeft te worden gevreesd voor negatieve gevolgen zolang klimaatbescherming deel uitmaakt van een algemene strategie voor duurzame ontwikkeling en industrieel beleid;

 

Mitigatiekloof

17. herinnert eraan dat de geïndustrialiseerde landen volgens de bevindingen in het vierde evaluatierapport van de IPCC hun emissies tegen 2020 met 25 tot 40% onder de niveaus van 1990 moeten verlagen, terwijl de ontwikkelingslanden als groep tegen 2020 een substantiële afwijking in de orde van 15 tot 30% onder het thans geraamde emissiegroeitempo moeten realiseren;

18. herhaalt daarom dat het uiterst noodzakelijk is dat de mondiale ambities tussen nu en 2020 verhoogd worden teneinde binnen de 2 ºC-doelstelling te blijven; wijst er met name op dat er dringend vooruitgang moet worden geboekt bij het dichten van de "gigatonkloof" die gaapt tussen de wetenschappelijke bevingen en de huidige toezeggingen van de partijen; onderstreept de belangrijke rol van andere beleidsmaatregelen, waaronder energie-efficiëntie, aanzienlijke energiebesparingen alsmede hernieuwbare gemeenschapsenergie en de uitfasering van fluorkoolwaterstoffen, bij het dichten van de gigatonkloof;

19. neemt kennis van het feit dat de EU hard op weg is de huidige emissiereductiedoelstelling van 20% voorbij te streven, en benadrukt dat meer ambitie ook noodzakelijk is om schaarste op de koolstofmarkt te creëren; benadrukt dat het streven naar een 30%-doelstelling voor klimaatverandering tegen 2020 in het eigen belang van de EU is, aangezien aldus duurzame groei tot stand komt, extra banen worden gecreëerd en de afhankelijkheid van energie-invoer wordt beperkt; vraagt de EU dringend om haar streefcijfer te verhogen;

20. merkt op dat de mondiale uitfasering van fluorkoolwaterstoffen de uitstoot kan voorkomen van 2,2 Gt CO2-equivalenten tegen 2020 en van bijna 100 Gt CO2-equivalenten tegen 2050; vraagt de EU meer inspanningen te leveren om een mondiale uitfasering van fluorkoolwaterstoffen te regelen via het Protocol van Montreal;

21. is van mening dat het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU moet worden verbonden met andere ETS-systemen die reeds over heel de wereld bestaan; bepleit een terugkeer naar de oorspronkelijke opzet van het flexibele mechanisme, te weten die van marktmechanisme en tevens ontwikkelingsinstrument, met een drastisch vereenvoudigde, maar transparantere procedure;

Klimaatfinanciering

22. benadrukt dat er concrete toezeggingen en acties nodig zijn om de klimaatfinanciering voor 2020 met 100 miljard USD per jaar op te voeren en aldus te komen tot vooruitgang in Warschau en tot de verwezenlijking van de vereiste algemene mitigatietoezeggingen; neemt kennis van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 en verlangt dat er een wezenlijke synergie tot stand gebracht wordt tussen het ontwikkelingsbeleid en het klimaatbeleid, met het oog op gunstige resultaten op beide terreinen; betreurt het dat de meeste lidstaten nog steeds geen toezeggingen hebben gedaan voor de klimaatfinanciering na 2013 en roept de lidstaten op toezeggingen te doen voor nieuwe en bijkomende klimaatfinanciering voor de periode 2013-2015; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan om vóór de start van de CoP 19 met hun aandeel in het Groen Klimaatfonds over de brug te komen;

23. betreurt dat de huidige gemiddelde officiële ontwikkelingshulp (ODA) van 0,29% van het BBP ver verwijderd blijft van de toegezegde 0,7%; herhaalt dat klimaatfinanciering een aanvulling moet vormen op de ODA; benadrukt echter dat ontwikkelingsdoelstellingen en klimaatveranderingsdoelstellingen op elkaar moeten worden afgestemd. benadrukt derhalve dat zorgen voor beleidssamenhang en mainstreaming van milieuaspecten in ontwikkelingsprojecten centraal moeten staan in een EU-strategie die gericht is op effectieve beperking van en aanpassing aan klimaatverandering;

24. dringt er bij alle op de COP aanwezige partijen op aan duidelijkheid te verschaffen over de manier waarop zij hun klimaatfinanciering jaarlijks zo denken op te voeren dat zij hun in 2009 in Kopenhagen gedane toezegging kunnen nakomen om tegen 2020 100 miljard USD per jaar te mobiliseren, in aanvulling op hun toezegging om 0,7% van het BBP als officiële ontwikkelingshulp (ODA) te doneren;

25. merkt met bezorgdheid op dat het in 2009 in Kopenhagen aangekondigde en in 2010 in Cancun opgerichte Groene Klimaatfonds nog steeds niet operationeel is en dringt er bij alle partijen op aan de procedures zo spoedig mogelijk te doorlopen; dringt er bij de EU en de overige industrielanden op aan in de loop van 2014 financiële middelen ter beschikking te stellen voor het Groene Klimaatfonds, alsmede voor het Aanpassingsfonds en overige VN-klimaatfondsen en dit bekend te maken op de COP te Warschau

26. is verheugd over de vooruitgang met betrekking tot de operationalisering van het Technologiemechanisme en benadrukt dat technologieontwikkeling, -gebruik en -overdracht moeten worden bevorderd door het juiste evenwicht te vinden tussen aanpassing en mitigatie en de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;

27. roept de lidstaten op tegen 2020 milieuschadelijke subsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen, uit te faseren en dit geld te gebruiken voor duurzame energieproductie; dringt tevens aan op de spoedige en internationaal gecoördineerde implementatie van de op de G-20-top in Pittsburgh overeengekomen doelstelling om de subsidiëring van inefficiënte fossiele brandstoffen op middellange termijn uit te faseren, hetgeen een belangrijke bijdrage zou leveren tot de klimaatbescherming en tevens gunstig zou zijn in de huidige context van overheidstekorten in tal van landen; herinnert eraan dat de wereldleiders dit streven op de G-20(11) in Los Cabos hebben bekrachtigd en dat de EU in de aanloop naar de G-20 in Sint-Petersburg heeft aangedrongen op vooruitgang op dit punt; betreurt het uitblijven van voorstellen voor concrete maatregelen om deze doelstelling in praktijk te brengen;

28. merkt op dat het Groen Klimaatfonds in de toekomst niet alleen door geïndustrialiseerde landen, maar ook door opkomende economieën met een groeiend bbp per capita zal moeten worden gefinancierd; verklaart in dit verband dat 32 landen die in het verdrag als "ontwikkelingslanden" worden beschouwd, nu reeds een hoger bbp per capita hebben dan de EU-lidstaten met het laagste bbp per capita;

Aanpassing - verlies en schade

29. erkent dat in Doha werd benadrukt dat er een oplossing moet komen voor verlies en schade ten gevolge van de klimaatverandering in ontwikkelingslanden die bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige effecten van klimaatverandering; neemt kennis van het besluit om tijdens de Conferentie van Warschau institutionele regelingen te treffen om dit probleem aan te pakken;

30. herinnert eraan dat hoewel arme landen het minst hebben bijgedragen aan de toename van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer, zij het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen; dringt er bij de EU op aan te streven naar overeenkomsten over klimaatfinanciering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw;

31. roept regeringen op om overeenstemming te bereiken over beginselen voor lastenverdeling en, indien mogelijk, over de formulering van een of meer formules hiervoor; is van mening dat de uitsloot van broeikasgassen in het verleden, de huidige en de mogelijk toekomstige uitstoot, evenals de huidige en mogelijk toekomstige capaciteit in verband met mitigatie, aanpassing en steunverlening, moeten worden weerspiegeld in dergelijke beginselen en formules; is van mening dat eveneens rekening moet worden gehouden met het recht op ontwikkeling;

32. herinnert aan de bereidheid van de EU-lidstaten en andere ontwikkelde landen om landen met weinig veerkracht te steunen, vooral via capaciteitsopbouw en een uitwisseling van beste praktijken, maar ook via financiële hulp;

33. roept op tot meer besef van de mogelijke doorwerking van de klimaatverandering, zoals langer aanhouden van droogten, watertekort in bepaalde gebieden en mindere bereikbaarheid van de waterbronnen die in het dagelijks leven nodig zijn;

34. erkent dat aanpassing een lokale kwestie is, maar dringt aan op samenwerking op een regionaal, nationaal en internationaal niveau om een coherente aanpak te garanderen;

Landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) en reductie van broeikasgasemissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie (REDD+)

35. wijst op de cruciale rol die LULUCF en REDD+ vervullen bij het terugdringen van emissies en vooral bij het dichten van de mitigatiekloof voor 2020; merkt op dat de behoefte aan een meer omvattende boekhouding verder moet worden onderzocht teneinde de milieuvriendelijkheid van de bijdrage van de sector aan emissiereductie te waarborgen;

36. neemt kennis van het feit dat aanzienlijke bedragen van overheidsfinanciën zullen worden benut voor REDD+-projecten; benadrukt dat vroege prestatie-indicatoren dringend moeten worden ontwikkeld voor de doeltreffende monitoring, rapportage en verificatie (MRV) van REDD+-activiteiten; is in dit verband verheugd over de voortdurende inspanningen om prioriteit te geven aan de selectie van REDD+-projecten in wegenloze gebieden;

37. neemt kennis van de positieve bijdrage van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen houtexporterende landen en de EU in het kader van het EU-actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Forest Law Enforcement, Government and Trade, FLEGT) in de strijd tegen mondiale ontbossing; benadrukt dat verdere actie nodig is om de oorzaken van wereldwijde ontbossing aan te pakken via juridisch bindende milieu- en handelsovereenkomsten;

38. herinnert eraan dat de klimaatverandering het vermogen van hele regio's bedreigt om zichzelf te voeden; dringt er bij de EU op aan iets te doen aan de gevolgen van haar landbouwbeleid voor de klimaatverandering; benadrukt eens te meer, zoals Olivier De Schutter, speciaal VN-rapporteur voor het recht op voedsel heeft opgemerkt, dat koolstofarme en milieuvriendelijke methodes, ook wel agro-ecologische methodes genoemd, alternatieven vormen die zowel de klimaatverandering kunnen beperken door de broeikasgasemissies te verlagen en die de middelen van bestaan van arme plattelandsgemeenschappen kunnen verbeteren door de afhankelijkheid van dure fossiele brandstoffen te verminderen en het productiepeil te verhogen; dringt er derhalve bij de EU op aan plattelandsontwikkeling, duurzame ontwikkeling en de productiviteit van landbouwsystemen en voedselzekerheid te bevorderen, met name in ontwikkelingslanden;

Gemeenschapsenergie

39. merkt op dat er belangrijke emissiereducties te realiseren zijn door een grootscheepse overstap op een schoon en veilig energiesysteem, waarbij een hoge acceptatiegraad voor hernieuwbare energie te bereiken is door te investeren in kleinschalige energieproductie, de zogenaamde micro-opwekking; meent dat openbare financiering moet worden omgeleid en gemobiliseerd om een verschuiving naar openbare en gemeenschappelijke/gedecentraliseerde hernieuwbare energie te bewerkstelligen;

40. waarschuwt dat de productie van biobrandstoffen (zoals oliehoudende zaden, palmolie, sojabonen, koolzaad, zonnebloem, suikerriet, suikerbieten, tarwe) tot een enorme vraag naar grond kan leiden, met alle gevolgen van dien voor de mensen in arme landen die voor hun levensonderhoud van grond en natuurlijke hulpbronnen afhankelijk zijn;

Internationaal lucht- en zeevervoer

41. benadrukt dat de EU onlangs weliswaar overeenkwam "de klok stil te zetten" wat de integratie van internationaal luchtvervoer in het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU betreft, maar dat deze afwijking slechts één jaar geldt en slechts werkbaar is indien de internationale onderhandelingen over mondiale, marktgestuurde maatregelen met betrekking tot emissies ten gevolge van internationaal luchtvervoer tastbare besluiten opleveren;

42. benadrukt dat er een prijs moet worden gesteld voor koolstofemissies door de internationale luchtvaart en het scheepsvervoer, die naast emissiereductie ook inkomsten kan opleveren;

43. herhaalt zijn pleidooi voor een internationaal instrument met globale doelstellingen voor emissiereductie om de impact van zeevervoer op het klimaat te beperken;

Industrie en concurrentievermogen

44. is verontrust over de mondiale toename van de CO2-uitstoot in 2012, zoals uit cijfers van het IEA blijkt, ondanks de daling van de emissies in Europa en de Verenigde Staten; stelt daarom voor gedifferentieerde verantwoordelijkheden in overweging te nemen zodat elk land zijn bijdrage levert aan de mondiale inspanningen op het vlak van industrie- en energiebeleid;

45. beklemtoont dat Europa in zijn industriebeleid innovatie en de verbreiding van milieuvriendelijke technologieën moet bevorderen, onder meer op het gebied van ICT, hernieuwbare energie, innovatieve en efficiënte technologieën voor fossiele brandstoffen, en in het bijzonder energie-efficiënte technologieën; benadrukt dat kaderovereenkomsten die de snellere internationale verspreiding van nieuwe technologieën helpen aanmoedigen en bevorderen, moeten worden ontwikkeld aangezien onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe technologieën de basis vormen van een duurzame toekomst;

46. wijst er tevens op dat de EU met een ambitieus industrie-, innovatie-, klimaat- en energiebeleid voor 2030 aan zet kan blijven en aldus de internationale onderhandelingen positief kan beïnvloeden en haar internationale partners tot een ambitieuzere aanpak kan aanzetten;

47. staat welwillend tegenover alle positieve ontwikkelingen en wijst er andermaal op dat internationaal gecoördineerde actie de bezorgdheid ten aanzien van koolstoflekkage en concurrentievermogen in de betrokken sectoren, en met name in de energie-intensieve sectoren, kan wegnemen;

Onderzoek en innovatie

48. benadrukt dat de ontwikkeling en toepassing van baanbrekende duurzame technologieën cruciaal is bij het tegengaan van klimaatverandering, maar ook om de partners van de EU wereldwijd ervan te overtuigen dat emissiereducties haalbaar zijn zonder concurrentievermogen en banen kwijt te raken;

49. pleit voor een internationale verbintenis om te zorgen voor meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) ten behoeve van baanbrekende duurzame technologieën in de betreffende sectoren; acht het essentieel dat de EU het goede voorbeeld geeft door haar onderzoeksbudget aan te wenden voor demonstratie van klimaatvriendelijke en energie-efficiënte technologieën en dat de EU op dit gebied nauwe wetenschappelijke samenwerking ontwikkelt met internationale partners zoals de BRIC-landen en de Verenigde Staten;

Energiebeleid

50. is verheugd over recente signalen van de Amerikaanse regering inzake klimaatmaatregelen en haar bereidheid om een grotere rol te spelen in de mondiale aanpak van de klimaatverandering;

51. merkt op dat de prijzen van verschillende energiebronnen een grote rol spelen voor de bepaling van het gedrag van de spelers op de markt, zoals bedrijfsleven en consumenten, en wijst erop dat het onvermogen van het huidige internationale beleidskader om de externe kosten volledig te internaliseren het voortduren van niet-duurzame consumptiepatronen in de hand werkt; dringt er bij de EU en haar partners op aan zo snel mogelijk op zoek te gaan naar de effectiefste manier om de emissiehandelregeling van de EU en de overige emissiehandelsystemen te koppelen met het oog op de totstandbrenging van een mondiale koolstofmarkt, gekoppeld aan meer diverse reductiemogelijkheden, grotere marktomvang en -liquiditeit, meer transparantie en uiteindelijk een efficiëntere allocatie van middelen voor de energiesector en de industrie;

52. dringt aan op nauwere coördinatie tussen de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), zodat de EU met één stem kan spreken binnen internationale organisaties als het IEA, het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (Irena), het Internationaal Partnerschap voor samenwerking inzake energie-efficiëntie (IPEEC) en het Internationaal Agentschap voor atoomenergie (IAEA) en aldus een actievere en invloedrijkere rol kan spelen, in het bijzonder bij het nastreven van een duurzaam energiebeleid en een beleid voor energiezekerheid;

53. betreurt dat het energiebesparingspotentieel internationaal en binnen de EU niet adequaat wordt benut; wijst erop dat energiebesparingen nieuwe mogelijkheden bieden in de sfeer van werkgelegenheid, economische besparingen en energiezekerheid, concurrentievermogen en emissiereducties, en ook de kunnen helpen de stijgende trend van de energieprijzen en –kosten te keren; verlangt dat de EU meer aandacht besteedt aan energiebesparing in het kader van internationale onderhandelingen, of die nu gaan over technologieoverdracht, ontwikkelingsplannen voor ontwikkelingslanden of financiële bijstand; onderstreept dat de EU en haar lidstaten de eigen doelstellingen moeten halen om geloofwaardig te zijn;

54. wijst erop dat naar schatting 1,3 miljard mensen op de wereld niet over elektriciteit beschikken en dat 2,6 miljard mensen nog steeds traditionele biomassamethoden gebruiken om hun voedsel te bereiden(12); onderstreept de noodzaak om het energiearmoedeprobleem aan te pakken in overeenstemming met de doelstellingen van het klimaatbeleid; wijst erop dat er energietechnologieën bestaan die zowel op de bescherming van het mondiaal milieu gericht zijn als op lokale ontwikkelingsbehoeften;

Klimaatdiplomatie

55. benadrukt in dit verband dat het belangrijk is dat de Europese Unie als grote speler – vooral dit jaar, nu een lidstaat als voorzitter en gastheer van COP 19 fungeert – met één stem spreekt op de conferentie en verenigd blijft in het streven naar een internationaal akkoord;

56. benadrukt de vitale positie van het gastland Polen en hoopt dat Polen, een land dat nog steeds zeer afhankelijk is van fossiele energiebronnen, maar ervaring heeft met UNFCCC-onderhandelingen, het proces zal stimuleren, het goede voorbeeld zal geven en nieuwe allianties zal helpen smeden; valt de nieuwe president bij in diens verklaring dat men door creatief te zijn de broeikasgasemissies kan verminderen, en zo tevens banen kan scheppen, economische groei bevorderen en voor betere levensomstandigheden zorgen; hoopt dat Polen op dit vlak concrete voorstellen zal doen;

57. benadrukt dat een nieuw "klimaatpact", dat voor iedereen geldt en waarbij zowel geïndustrialiseerde als ontwikkelingslanden worden betrokken, de voornaamste doelstelling moet zijn; benadrukt ook dat één van de belangrijkste taken van de EU is te zorgen voor een gecoördineerde en stapsgewijze aanpak van klimaatbescherming, waarbij voor actie moet worden gezorgd op alle overheidsniveaus, ook op lokaal en regionaal niveau;

58. onderstreept dat deze tijd van economische crisis duidelijk aan het licht brengt dat alleen een duurzame economie op de lange termijn welvaart kan genereren en dat klimaatbescherming één van de voornaamste pijlers van een duurzame economie is; onderstreept dat het meer dan ooit zaak is de reden voor politieke actie voor klimaatsbescherming duidelijk te laten uitkomen, namelijk meer mensen toegang te bieden tot een hoge levensstandaard, en daarbij de hulpbronnen in stand te houden en ruimte te laten voor de ontwikkeling van volgende generaties;

59. wijst er andermaal op dat de uitdaging van de klimaatverandering niet geïsoleerd kan worden bezien, maar dat deze altijd moet worden aangegaan binnen de context van duurzame ontwikkeling, industrieel beleid en op hulpbronnen gericht beleid; benadrukt in dit verband dat het cruciaal is klimaatbeleid aan de burger uit te leggen en te zorgen voor een mentaliteitswijziging; benadrukt dat een toekomstige overeenkomst ook ruimte moet laten voor initiatieven van onderop, bijvoorbeeld op het vlak van energie-efficiëntie, aangezien deze een belangrijk instrument vormen voor de aanvaarding bij de burger;

60. herhaalt dat voor een juridisch bindende klimaatveranderingovereenkomst een stevig systeem voor naleving en handhaving essentieel is om ervoor te zorgen dat alle aan de klimaatveranderingovereenkomst deelnemende landen hun beloftes nakomen, steun krijgen wanneer nodig en aangesproken worden op eventuele niet-naleving;

61. is van mening dat het UNFCCC-proces doeltreffender en efficiënter moet worden en dat het adequater op veranderende situaties moet inspelen; gelooft in dit verband dat de consensusregel moet worden afgeschaft om te voorkomen dat resultaten steeds op de kleinste gemene deler uitkomen;

62. deelt de visie dat het met het oog op een meer coherente aanpak beter zou zijn als het voorzitterschap van de conferentie een aantal jaren lang door meerdere landen gezamenlijk, dan wel twee jaar lang door één en hetzelfde land zou worden bekleed, en niet meer elk jaar zou rouleren;

63. vestigt de aandacht op de gunstige ontwikkelingen bij de MoP 25-onderhandelingen over het Protocol van Montreal en spoort alle partijen aan van deze succesvolle internationale overeenkomst te willen leren; vraagt partijen in het bijzonder om te bezien of de stemmings- en besluitvormingsprocedures van het Protocol van Montreal, de verschillende benaderingswijze waar het gaat om verantwoordelijkheden, de handhavings- en sanctieregelingen en de financiering als voorbeeld kunnen dienen, dat ook in het kader van het UNFCCC te gebruiken zou kunnen zijn;

64. benadrukt dat de algemene vooruitgang van de internationale klimaatonderhandelingen met een proactieve deelname van de EU ten zeerste zal zijn gediend; merkt op dat de klimaatacties van de EU zelf van invloed zijn op haar vermogen een leiderschapsrol te vervullen en op de vooruitzichten voor het verwezenlijken van algemene vooruitgang; wijst op de noodzaak de klimaatacties van de EU te versterken, o.a. door een ambitieus klimaat- en energiekader voor 2030 vast te stellen en om de twijfels weg te nemen die zijn ontstaan door de geringe doeltreffendheid van het emissiehandelssysteem van de EU (ETS) als stimulans voor de verlaging van de uitstoot van broeikasgassen en door de uitgestelde deelname van de luchtvaartsector aan het ETS.

65. benadrukt evenzeer de rol die industrielanden moeten spelen om ontwikkelingslanden te helpen hun emissies te beperken; merkt op dat er in veel ontwikkelingslanden een groot potentieel bestaat voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; moedigt de industrielanden en de opkomende economieën aan hernieuwbare-energieprojecten in ontwikkelingslanden te bevorderen en te implementeren, en op dit terrein hun technologie, expertise en investeringen ter beschikking te stellen;

Delegatie van het Europees Parlement

66. is van mening dat de EU-delegatie bij de onderhandelingen over klimaatverandering een cruciale rol vervult, en acht het dan ook onaanvaardbaar dat leden van het Europees Parlement de EU-coördinatievergaderingen tijdens de vorige conferenties van de partijen bij de overeenkomst niet konden bijwonen; verwacht dat ten minste de voorzitter van de delegatie van het Europees Parlement de EU-coördinatievergaderingen in Warschau zal kunnen bijwonen;

67. merkt op dat de Commissie volgens de in november 2010 tussen de Commissie en het Parlement gesloten raamovereenkomst eraan moet meewerken dat leden van het Parlement als waarnemers zitting nemen in delegaties van de Unie bij onderhandelingen over multilaterale overeenkomsten; herinnert eraan dat ingevolge het Verdrag van Lissabon (artikel 218 VWEU) de goedkeuring van het Europees Parlement vereist is voor overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties;

°

° °

68. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle verdragsluitende partijen die geen lid zijn van de EU.

 

 

(1)

PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3.

(2)

PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 44.

(3)

PB C 285 E van 21.10.10, blz. 1.

(4)

PB C 341 E van 16.12.10, blz. 25.

(5)

PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 77.

(6)

PB C 153 E van 31.05.13, blz. 83.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0452.

(8)

PB C 251 E van 31.08.13, blz. 75.

(9)

http://www.eia.gov/forecasts/ieo/?src=Analysis-b2

(10)

http://www.imf.org/external/pubs/ft/survey/so/2013/int032713a.htm

(11)

http://europa.eu/rapid/press-release_MEMO-13-717_en.html

 

(12)

           IEA World Energy Outlook Special Report, ‘Redrawing the Energy Climate Map’.

Juridische mededeling - Privacybeleid