Procedure : 2013/2960(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0016/2014

Ingediende teksten :

B7-0016/2014

Debatten :

PV 15/01/2014 - 15
CRE 15/01/2014 - 15

Stemmingen :

PV 16/01/2014 - 8.5
CRE 16/01/2014 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0037

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 117kWORD 53k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0016/2014
13.1.2014
PE527.206v01-00
 
B7-0016/2014

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de eerbiediging van het fundamentele recht van vrij verkeer in de Europese Unie (2013/2960(RSP))


Rebecca Harms, Daniel Cohn-Bendit, Jean Lambert, Elisabeth Schroedter, Judith Sargentini, Franziska Keller, Marije Cornelissen, Hélène Flautre, Malika Benarab-Attou namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de eerbiediging van het fundamentele recht van vrij verkeer in de Europese Unie (2013/2960(RSP))  
B7‑0016/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie(1),

–   gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(2),

–   gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(3), en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(4),

–   gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie van 1 januari 2014 over het opheffen van de beperkingen van het vrije verkeer voor werknemers uit Bulgarije en Roemenië,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 25 november 2013 over handhaving van het vrije verkeer van werknemers,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie van 15 januari 2014 over het fundamentele recht van vrij verkeer in de EU,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het beginsel van vrij personenverkeer, vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, een fundamenteel recht is dat aan alle burgers van de Unie toekomt;

B.  overwegende dat de verkeersvrijheid een centrale plaats inneemt onder de waarden van de EU, aangezien het burgers in staat stelt te kiezen waar zij willen wonen en werken en mobiliteit en ontwikkeling brengt op de arbeidsmarkt, in het onderwijsstelsel en op andere terreinen;

C. overwegende dat de verkeersvrijheid voor burgers van de Unie en hun gezinsleden de mobiliteit bevordert, maar dat hieraan geen andere rechten kunnen worden ontleend dan een recht van verblijf van maximaal drie maanden in een andere lidstaat;

D. overwegende dat aan de vrijheid van werknemersverkeer zowel rechten als plichten zijn verbonden, en dat deze vrijheid niet als onbeperkt kan gelden;

E.  overwegende dat het vrije verkeer binnen de EU van personen die op zoek zijn naar kansen en een nieuw bestaan voor een deel toe te schrijven is aan de armoede die in sommige delen van de Unie heerst;

F.  overwegende dat armoede de mensen ertoe kan bewegen hun land te verlaten en elders in de EU hun kansen te zoeken; overwegende dat de lidstaten zich moeten richten op vermindering van armoede overal in de EU; overwegende dat armoede op zich nooit een reden mag zijn voor repatriëring of gedwongen terugkeer vanuit de ene lidstaat naar de andere;

G. overwegende dat terugdringing van armoede een specifieke doelstelling is van het Europees Sociaal Fonds en de Europa 2020-strategie, en dat het aan de lidstaten is om de daarvoor beschikbaar gestelde middelen dienovereenkomstig te gebruiken;

H. overwegende dat het beginsel van non-discriminatie en gelijke behandeling op de arbeidsmarkt als kernbeginsel geldt dat ten volle moet worden gerespecteerd;

I.   overwegende dat de lidstaten de nodige tijd hebben gekregen hun sociale zekerheidsstelsels aan het vrije werknemersverkeer in de EU aan te passen, met name de landen die van de overgangsperiode gebruik hebben gemaakt;

1.  verklaart dat het beginsel van vrij verkeer een fundamenteel recht is dat aan alle burgers van de Unie toekomt en dat er ten aanzien van dit fundamentele recht geen uitzonderingen op het EU-recht kunnen worden aanvaard;

2.  vindt de zeer negatieve en onterechte fixatie op de zogenaamde overbelasting ten gevolge van het vrije verkeer, die sommige Europese leiders vlak vóór het verstrijken van de overgangstermijn voor Bulgarije en Roemenië hebben laten blijken, zeer te betreuren;

3.  stelt zich krachtig te weer tegen de houding waarmee bedoelde Europese regeringsleiders aandringen op veranderingen en beperkingen op de verkeersvrijheid van burgers; onderstreept dat inperking van de rechten van een bepaalde groep burgers zo'n groep uitsluit en afzondert, als oneerlijke behandeling door de EU wordt ervaren, zo'n groep dreigt uit te leveren aan aanvallen van xenofobische elementen, en in alle lidstaten nog verder doorwerkt in de opkomst van racisme en xenofobie;

4.  noemt de zienswijze van sommige politieke partijen dat migratie een overbelasting van de nationale sociale bijstandsstelsels zou meebrengen en het zogenaamde "sociale toerisme" een onoverkomelijke aanslag zou betekenen op de sociale stelsels van de lidstaten, een misvatting; benadrukt dat geen van de lidstaten die over zulke overbelasting klagen, het door de Commissie gevraagde bewijs hiervan heeft kunnen leveren;

5.  wijst erop dat richtlijn 2004/38/EG reeds een beperking kent, namelijk dat mensen moeten aantonen over voldoende middelen te beschikken om niet ten laste te hoeven komen van de sociale bijstand in de lidstaat van ontvangst;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat aan het arbeidsrecht streng de hand wordt gehouden zodat de gelijke behandeling van alle werknemers uit de EU gewaarborgd blijft; onderstreept dat de lidstaten alles in het werk moeten stellen om een eind te maken aan uitbuiting van kwetsbare werknemers, en dat dit zowel eerlijke concurrentie in het bedrijfsleven als eerlijke arbeidsmarkten veronderstelt;

7.  onderkent dat er inderdaad enkele zogenoemde probleemgebieden bestaan waar groepen zeer arme mensen uit andere lidstaten naar toe zijn gekomen, en dat dit in de betrokken steden spanningen oproept; constateert dat door een aantal plaatselijke overheden en gemeenten constructief wordt gewerkt aan oplossingen voor zulke problemen;

8.  is evenwel van mening dat zulke spanningen kunnen en moeten worden weggenomen door deze mensen te helpen en de betrokken regio's te steunen, via het Europees Sociaal Fonds;

9.  verzoekt de lidstaten om het recht van werknemers op vrij verkeer te blijven verdedigen als een fundamenteel recht dat moet steunen op fatsoenlijke sociale en arbeidsrechten en een strikte toepassing van de arbeidswetgeving;

10. onderstreept dat waar EU-burgers naast elkaar werken of wonen, hun rechten en plichten niet van hun nationaliteit mogen afhangen;

11. vraagt de lidstaten om alles in het werk te stellen om armoedemigratie binnen de EU tegen te gaan zonder afbreuk te doen aan het beginsel van verkeersvrijheid voor werknemers en hun gezinsleden;

12. vraagt de lidstaten dringend erop toe te zien dat buitenlandse werknemers uit de EU en nationale werknemers op gelijke manier worden behandeld;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, en aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

 

(1)

PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1.

(2)

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(3)

PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(4)

PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid