Ontwerpresolutie - B7-0025/2014Ontwerpresolutie
B7-0025/2014

    ONTWERPRESOLUTIE over de eerbiediging van het fundamentele recht van vrij verkeer in de Europese Unie

    13.1.2014 - (2013/2960(RSP))

    naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement

    Manfred Weber, Marian-Jean Marinescu, Véronique Mathieu Houillon, Csaba Őry, Jacek Protasiewicz, Wim van de Camp, Arkadiusz Tomasz Bratkowski, Jan Kozłowski, Danuta Jazłowiecka, Ivo Belet, Edit Bauer, Traian Ungureanu, Andrey Kovatchev, Elena Băsescu, Marco Scurria, Salvatore Iacolino, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Elmar Brok namens de PPE-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0016/2014

    Procedure : 2013/2960(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B7-0025/2014
    Ingediende teksten :
    B7-0025/2014
    Aangenomen teksten :

    B7‑0025/2014

    Resolutie van het Europees Parlement over de eerbiediging van het fundamentele recht van vrij verkeer in de Europese Unie

    (2013/2960(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien de artikelen 21, 45, 47 en 151 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 15, 21, 29, 34 en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

    –   gezien artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden[1],

    –   gezien Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie[2];

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 25 november 2013 getiteld "Het recht van vrij verkeer van EU-burgers en hun gezinsleden: vijf stappen die een verschil maken" (COM(2013)0837),

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 13 juli 2010 getiteld "Het vrije verkeer van werknemers opnieuw garanderen: rechten en belangrijkste ontwikkelingen" (COM(2010)0373),

    –   gezien de verklaring van vicevoorzitter Reding aan de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 5 december 2013 over vrij verkeer,

    –   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat het recht op vrij verkeer tot de vier fundamentele vrijheden van de EU behoort;

    B.  overwegende dat bewezen is dat in veel lidstaten de nettobijdrage van legale mobiele werknemers uit de EU aan het sociale stelsel van het gastland even groot is als die van de nationale werknemers;

    C. overwegende dat de voordelen die het vrije verkeer van mobiele werknemers uit de EU oplevert voor de ontwikkeling van het gastland, in heel Europa zichtbaar zijn, vooral in de gezondheidszorg, de landbouw en de bouw;

    D. overwegende dat alle lidstaten vrij kunnen bepalen welke sociale uitkeringen zij willen verstrekken en onder welke voorwaarden; overwegende dat op grond van de voorschriften over de coördinatie op het gebied van de sociale zekerheid geen beperkingen bij de uitkeringen zijn toegestaan in het geval van EU-onderdanen die werknemers of rechtstreekse familieleden van werknemers zijn of hun gewoonlijke woonplaats in de lidstaat in kwestie hebben;

    E.  overwegende dat de recente maatschappelijke ontwikkelingen, met name als gevolg van industriële veranderingen, globalisering, nieuwe arbeidspatronen, demografische veranderingen en ontwikkelingen op vervoersgebied, een grotere mate van mobiliteit van werknemers vergen;

    F.  overwegende dat het vrij verkeer van werknemers een positief sociaaleconomisch voorbeeld voor de EU en de lidstaten vormt en een mijlpaal betekent voor de integratie, de economische ontwikkeling en de sociale cohesie in de EU en voor de verbetering van de persoonlijke beroepsvaardigheden, en daarmee een tegenwicht biedt voor de ongunstige effecten van de economische crisis en tot versterking van de economische kracht leidt waarmee de mondiale veranderingen opgevangen kunnen worden;

    G. overwegende dat de overgangsregelingen betreffende het vrije verkeer van werknemers uit Bulgarije en Roemenië op 1 januari 2014 ongeldig zijn geworden;

    H. overwegende dat de Britse premier David Cameron onlangs een aantal populistische uitspraken heeft gedaan waarmee het recht van vrij verkeer wordt ondergraven;

    1.  verzoekt de lidstaten hun verdragsverplichtingen na te komen wat betreft de EU-regels op het gebied van vrijheid van verkeer;

    2.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de gelijkheidsbeginselen en het fundamentele recht van vrijheid van verkeer voor alle lidstaten van de Europese Unie worden geëerbiedigd;

    3.  verzoekt de lidstaten af te zien van handelingen die het recht van vrij verkeer, dat op centrale EU-wetgeving stoelt, zouden kunnen aantasten;

    4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het arbeidsrecht strikt wordt toegepast om te waarborgen dat alle werknemers uit de EU gelijk worden behandeld en dat ondernemingen eerlijk met elkaar concurreren;

    5.  herinnert eraan dat de vrijheid van verkeer voor werknemers alle burgers van de Unie, ongeacht hun woonplaats, het recht geeft om onbelemmerd naar een andere lidstaat te gaan om daar te werken en/of voor werkdoeleinden te wonen; herinnert eraan dat deze vrijheid hen tegen discriminatie op grond van nationaliteit beschermt waar het gaat om de toegang tot werk, de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot opleidingen alsmede sociale en fiscale voordelen;

    6.  verzoekt de lidstaten mobiele werknemers uit de EU niet te discrimineren door het recht van vrij verkeer voor werkdoeleinden ten onrechte in verband te brengen met vermeende onrechtmatige uitkerings- en bijstandsaanvragen en uitkeringsmisbruik;

    7.  verzoekt de Commissie stelselmatig en grondig te controleren of het fundamentele recht van vrij verkeer voor legale werknemers uit de EU wordt geëerbiedigd;

    8.  herinnert de lidstaten aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om misbruik van hun uitkeringsstelsels tegen te gaan, ongeacht of het daarbij om eigen burgers of burgers van andere lidstaten gaat; verzoekt de lidstaten zich aan de bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG te houden en eventueel misbruik aan te pakken;

    9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.