Procedure : 2014/2533(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0150/2014

Ingediende teksten :

B7-0150/2014

Debatten :

PV 05/02/2014 - 18
CRE 05/02/2014 - 18

Stemmingen :

PV 06/02/2014 - 9.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0101

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 130kWORD 60k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0150/2014
4.2.2014
PE527.350v01-00
 
B7-0150/2014

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de top EU-Rusland (2014/2533(RSP))


Guy Verhofstadt, Kristiina Ojuland, Leonidas Donskis, Graham Watson, Louis Michel, Sophia in ‘t Veld, Marietje Schaake, Johannes Cornelis van Baalen, Ramon Tremosa i Balcells, Sarah Ludford, Alexander Graf Lambsdorff namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de top EU-Rusland (2014/2533(RSP))  
B7‑0150/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, met name die van 17 februari 2011 over de rechtsstaat in Rusland(1), van 13 september 2012 over het gebruik van justitie voor politieke doeleinden in Rusland(2), van 13 december 2012 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden betreffende de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland(3), van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland(4), van 12 september 2013 over de druk die Rusland uitoefent op landen van het Oostelijk Partnerschap (tegen de achtergrond van de komende top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius)(5) en van 12 december 2013 over de Resultaten van de top van Vilnius en de toekomst van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder voor wat betreft Oekraïne(6);

–       gezien de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en de lopende onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland,

–       gezien de doelstellingen en toezeggingen van de EU en Rusland in het kader van het "moderniseringspartnerschap" waartoe op 1 juni 2010 in Rostov aan de Don het startsein werd gegeven;

–       gezien de resultaten van de top EU-Rusland van 28 januari 2014,

–       gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de EU gehecht blijft aan verdere uitdieping en ontwikkeling van haar betrekkingen met Rusland en dat de EU en Rusland al diepgewortelde en omvangrijke betrekkingen onderhouden, met name op het gebied van energie en in de economische en zakensector, en dat zij met elkaar verweven en van elkaar afhankelijk zijn geworden in de wereldwijde economie;

B.     overwegende dat de top EU-Rusland op 28 januari 2014 niet meer inhield dan een drie uur durende vergadering waar slechts een beperkt aantal onderwerpen aan de orde kwam, en dat daaruit blijkt hoezeer de betrekkingen tussen de EU en Rusland verslechterd zijn, vooral als gevolg van de pressie die Rusland op de oostelijke partners uitoefent;

C.     overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten waakzaam moeten blijven in verband met de bescherming van democratische beginselen en de rechtsstaat in de wereld, met name in een belangrijk buurland zoals Rusland, dat zich via zijn lidmaatschap van de Raad van Europa heeft verplicht democratische beginselen, rechtsstaat en eerbiediging van fundamentele waarden te delen en te verdedigen;

D.     overwegende dat het Russische lidmaatschap van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa soortgelijke beloften en verplichtingen met zich meebrengt, en dat de toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is gebaseerd op de veronderstelling dat het land de rechtsstaat eerbiedigt;

E.     overwegende dat de luchtvaartmaatschappijen sinds 1 december 2013 op voorhand af te geven passagiersgegevens (Advance Passenger Information - API) doorgeven aan de Russische autoriteiten en dat deze autoriteiten vanaf 1 juli 2014 volledige passagiers- en bemanningsgegevens eisen voor vluchten over Russisch grondgebied; overwegende dat de Russische autoriteiten een uitgebreid systeem voor het inzamelen van persoonsgegevens van passagiers (Passenger Name Record - PNR) willen opzetten; overwegende dat de API-gegevens door de Russische autoriteiten kunnen worden gebruikt om EU-burgers te identificeren die tijdens de Olympische Spelen in Sotsji kritiek uitoefenen op de Russische autoriteiten;

F.     overwegende dat er ernstige bezorgdheid heerst over de ontwikkelingen in de Russische Federatie op gebieden als de eerbiediging en bescherming van de mensenrechten, de rechtsstaat, de eerbiediging van de fundamentele democratische beginselen, de eerlijkheid van de verkiezingen, de pers- en mediavrijheid en de vrijheid van vergadering;

G.     overwegende dat EU-burgers die als deelnemer of bezoeker aanwezig zijn op de Olympische Spelen worden onderworpen aan algemene surveillance, waarbij alle communicatie wordt onderschept en bijgehouden; overwegende dat de Commissie meent dat elke lidstaat zijn eigen burgers moet informeren over de massale surveillanceprogramma's rond Sotsji, maar dat geen enkele lidstaat dat blijkbaar heeft gedaan;

H.     overwegende dat Rusland voor de top van het Oostelijk Partnerschap in Vilnius in november 2013 een aantal gerichte sancties heeft ingesteld tegen buurlanden met als doel deze landen te ontmoedigen om een associatieovereenkomst of vrijhandelsovereenkomsten met de Europese Unie te sluiten of daar naartoe te werken;

I.      overwegende dat de nieuwe wetten inzake de registratie van politieke partijen en de financiering van ngo's, de discriminerende wetgeving inzake LGBTI's op grond waarvan het propageren van niet-traditionele seksuele relaties verboden is en homoseksualiteit gelijk wordt gesteld met pedofilie, en de wetten inzake het recht van samenkomst, extremisme, smaad en internetcensuur, aanzienlijk hebben bijgedragen tot de verslechtering van het klimaat voor de totstandkoming van een echt maatschappelijk middenveld in Rusland en misbruikt zijn om ngo's, de democratische oppositie en de media het leven zuur te maken;

J.      overwegende dat de Russische autoriteiten hun massale surveillanceactiviteiten met het oog op de Olympische Spelen in Sotsji hebben opgevoerd door het surveillanceprogramma SORM (System of Operative-Investigative Measures) te versterken; overwegende dat er geen doeltreffende democratische of gerechtelijke controle is op de surveillanceactiviteiten van de Russische autoriteiten; overwegende dat het Russische Hooggerechtshof heeft bevestigde dat het SORM-programma kan worden gebruikt om individuele burgers die kritiek op de regering uitoefenen af te luisteren alsof zij deelnemen aan "extremistische acties";

1.      wijst erop dat de beperkte omvang van de top tussen de EU en Rusland de huidige stand van zaken in de betrekkingen goed weerspiegelt, waarbij een pragmatische gedachtewisseling over specifieke thema's mogelijk is, maar tegelijk ook duidelijk wordt voor welke uitdagingen de samenwerking tussen de EU en Rusland momenteel staat; stelt voor de topbijeenkomsten tussen de EU en Rusland eenmaal per jaar te houden in plaats van twee maal zoals dat nu het geval is;

2.      beklemtoont dat politieke en economische stabiliteit en ontwikkeling in Rusland afhankelijk zijn van het uitbouwen van een echte democratie en onderstreept dat de toekomstige ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Rusland zal afhangen van de inspanningen om de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de grondrechten in Rusland op te voeren;

3.      betreurt dat het Russische leiderschap het Oostelijk Partnerschap als een bedreiging van zijn eigen politieke en economische belangen ziet; wijst erop dat Rusland daarentegen baat zal hebben bij de toename van de handel en de economische bedrijvigheid en dat de veiligheid van het land groter zal worden wanneer de buurregio stabiel en voorspelbaar is;

4.      benadrukt dat het stelselmatig verzuimen van Rusland om de democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten te eerbiedigen beter tot uiting moet komen in de politieke standpunten die de Europese Unie inneemt en in alle aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Rusland, met name bij de werkzaamheden met het oog op een nieuwe samenwerkingsovereenkomst; herhaalt zijn steun voor een alomvattende, juridisch bindende overeenkomst betreffende politieke, economische en sociale aspecten, inclusief alle onderwerpen die verband houden met democratie, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, in het bijzonder de grondrechten, op voorwaarde dat Rusland bereid is maatregelen te nemen ter consolidatie van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten; uit zijn bezorgdheid over de inzameling en het gebruik van API-gegevens en het streven van de Russische autoriteiten om in de nabije toekomst PNR-gegevens te verzamelen, zonder dat hiervoor enige rechtsgrond bestaat;

5.      verzoekt de Commissie mogelijke tegenmaatregelen te overwegen die de EU zou kunnen treffen wanneer Rusland de handelsregels van de WTO voor kortzichtige politieke doeleinden overtreedt; benadrukt dat Rusland niet de kans mag krijgen om zijn veto uit te spreken over de politieke keuzen van de landen van het Oostelijk Partnerschap, maar dat de EU bereid moet zijn rekening te houden met de wettige belangen van Rusland, met name commerciële en handelsbelangen; herhaalt echter dat de overeenkomsten over een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap, in tegenstelling tot het door Rusland nagestreefde douane-unieproject, de partnerlanden niet zullen beletten vrij handel te voeren met derde landen; wijst er dan ook op dat de oostelijke partnerlanden na de ondertekening van de associatieovereenkomst en de DCFTA nog steeds vrij handel zullen kunnen voeren overeenkomstig de vrijhandelsovereenkomsten die zij als lid van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) hebben ondertekend; meent dat Rusland daarom het "zij of wij"-discours waarmee het de oostelijke partners wil ontmoedigen de banden met de EU aan te halen, moet laten varen;

6.      is verheugd over de presidentiële amnestie en de vrijlating van Michail Chodorkovski, de twee "Pussy Riot"-activisten en de leden van Greenpeace, maar merkt op dat het hier lijkt te gaan om louter cosmetische gebaren om het imago van Rusland op te poetsen voor de Olympische Spelen van Sotsji; verzoekt de politieke leiders van de EU en de prominenten die de Spelen van Sotsji zullen bijwonen de kwesties in verband met mensenrechten en democratie aan de orde te stellen en niet mee te doen aan publiciteitsstunts met het Russische leiderschap; uit zijn bezorgdheid over het Russische algemene surveillanceprogramma SORM; heeft ernstige twijfels bij het voornemen om alle gegevens die tijdens de Olympische Spelen van Sotsji door de Russische geheime diensten worden verzameld drie jaar lang bij te houden; verzoekt de Russische regering om stopzetting van de vervolging van milieuactivisten Suren Gazoryan, Evgeny Vitishko en Andrei Rudomakha die gewag hadden gemaakt van overheidscorruptie en milieuproblemen in verband met de voorbereidingen voor de Olympische Winterspelen;

7.      wijst op de massale en maandenlang aanhoudende protesten en betogingen na de presidentsverkiezingen in mei 2012; betreurt dat het Russische leiderschap deze volksbeweging, die uiting gaf aan de sterke gehechtheid van de Russische burgers aan de democratie, genegeerd en onderdrukt heeft; verzoekt de Russische autoriteiten de resterende gevangen betogers vrij te laten en in dialoog te treden met het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie;

8.      is verontrust door de recente pogingen van president Poetin om homoseksuele bezoekers aan Sotsji gerust te stellen door te zeggen dat zij niet bang hoeven te zijn voor aanhouding of strafrechtelijke straffen, maar dat ze kinderen met rust moesten laten;

9.      herinnert eraan dat het verbod op protestbijeenkomsten gedurende de Olympische Spelen weliswaar afgezwakt is, maar dat de getroffen maatregelen onevenredig sterk gericht zijn op campagnevoerders voor rechten van homoseksuelen en politieke hervormingen, beperkingen stellen aan het aantal betogers en alleen betogingen toelaten in bepaalde vooraf goedgekeurde gebieden, wat het recht van samenkomst ondermijnt;

10.    is ingenomen met de inspanningen die Rusland zich samen met de Verenigde Staten en de internationale gemeenschap getroost om een resolutie van de VN-Veiligheidsraad over de vernietiging van de chemische wapens van Syrië en de start van de Genève II-besprekingen goedgekeurd te krijgen; verzoekt Rusland niettemin met klem om zich als vast lid van de Veiligheidsraad van zijn verantwoordelijkheid in de Syrische crisis te kwijten en mee te werken aan de goedkeuring van een bindende humanitaire resolutie en de behandeling van de situatie in Syrië door het Internationaal Strafhof;

11.    herinnert aan zijn aanbeveling betreffende gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak van ​​Sergej Magnitsky en verzoekt de Raad en de Commissie een EU-breed visumverbod in te stellen tegen – en de in de EU aangehouden financiële tegoeden te bevriezen van – alle functionarissen die betrokken zijn bij de dood van Magnitsky, die postuum wordt vervolgd, alsook jegens andere ernstige mensenrechtenschenders in Rusland; onderstreept dat deze personen niet mogen profiteren van enigerlei visumfaciliteiten in het kader van de desbetreffende overeenkomst tussen de EU en Rusland; geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de plannen om een groot aantal Russische ambtenaren een zogenaamd dienstpaspoort te verstrekken in het kader van de visumfaciliteringsregeling die momenteel besproken wordt;

12.    wenst dat de EU-beleidsverantwoordelijkheid ten opzichte van Rusland bij de volgende ambtstermijn van de Europese Commissie gecentraliseerd wordt, met een duidelijke en centrale rol voor de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter en de toezegging van de lidstaten dat zij met één stem zullen spreken wanneer het Rusland betreft;

13.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de lidstaten, alsook de regering, het parlement en de president van de Russische Federatie.

(1)

PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 37.

(2)

PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 134.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0505.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0284.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0383.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0595.

Juridische mededeling - Privacybeleid