Procedure : 2014/2533(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0151/2014

Ingediende teksten :

B7-0151/2014

Debatten :

PV 05/02/2014 - 18
CRE 05/02/2014 - 18

Stemmingen :

PV 06/02/2014 - 9.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0101

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 132kWORD 63k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0150/2014
4.2.2014
PE527.351v01-00
 
B7-0151/2014

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de top EU-Rusland (2014/2533(RSP))


Charles Tannock, Marek Henryk Migalski, Ryszard Antoni Legutko, Tomasz Piotr Poręba, Ryszard Czarnecki, Adam Bielan, Paweł Robert Kowal namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de top EU-Rusland (2014/2533(RSP))  
B7‑0151/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds,

–  gezien de lopende onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst, die een nieuw algemeen kader moet bieden voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland, en gezien het "partnerschap voor modernisering", dat in 2010 van start is gegaan,

–  gezien zijn eerdere verslagen en resoluties over Rusland en de betrekkingen tussen de EU en Rusland,

–  gezien het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland en de laatste vergadering die op 28 november 2013 plaatsvond,

–  gezien de overeenkomsten die zijn ondertekend en de gezamenlijke verklaringen die zijn afgelegd op de top EU-Rusland te Rostov-aan-de-Don op 31 mei en 1 juni 2010,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en Rusland over de bestrijding van terrorisme die op 28 januari 2014 werd afgegeven na de 32e top EU-Rusland,

–  gezien zijn in oktober 2012 goedgekeurde aanbeveling betreffende gerichte sancties tegen personen die betrokken waren bij de dood van Sergei Magnitsky, en tegen anderen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen en corruptie in Rusland,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de 32e top EU-Rusland die op 28 januari 2014 plaatsvond in Brussel werd ingekort tot slechts een paar uur en eindigde met de aanneming van een gezamenlijke verklaring over de bestrijding van terrorisme;

B.  overwegende dat de EU en Rusland tijdens de top overeen zijn gekomen bilaterale raadplegingen op deskundigenniveau te houden over de associatieovereenkomsten van het Oostelijk Partnerschap en de economische gevolgen voor beide zijden;

C.  overwegende dat de onderhandelingen over een nieuw bilateraal verdrag tussen de EU en Rusland nog lopen, met als doel het bereiken van een omvattende en juridisch bindende nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst;

D.  overwegende dat de grondwet van de Russische Federatie volledige rechten en vrijheden voor haar burgers waarborgt; overwegende dat Rusland lid is van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en partij bij talloze internationale verdragen, waaronder het Europees Verdrag van de rechten van de mens, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;

E.  overwegende dat het institutionele kader voor samenwerking is gebaseerd op vier gemeenschappelijke ruimten, het partnerschap voor modernisering en een halfjaarlijks mensenrechtenoverleg;

F.  overwegende dat het project voor een douane-unie, die Rusland sinds 2010 nastreeft met Belarus en Kazachstan, nog niet is verwezenlijkt en door Moskou wordt gebruikt als een geopolitiek middel om druk uit te oefenen op de landen in Oost-Europa en de zuidelijke Kaukasus;

G.  overwegende dat Rusland druk uitoefent op sommige landen van het Oostelijk Partnerschap door onopgeloste of bevroren conflicten waarin het een actieve veiligheidsrol speelt of kan spelen, te gebruiken;

I.  overwegende dat Rusland de Georgische gebieden Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië nog altijd bezet houdt, in strijd met de fundamentele normen en beginselen van het internationaal recht; overwegende dat het nog steeds niet opgeloste conflict tussen Rusland en Georgië de stabiliteit en ontwikkeling van Georgië belemmert;

J.  overwegende dat de voortgaande plaatsing van hekken met prikkeldraad en andere kunstmatige obstakels op het soevereine grondgebied van Georgië langs de bezettingslinie in de regio's Abchazië en Tskhinvali door de Russische bezettingstroepen, in strijd met de staakt-het-vuren-overeenkomst van 12 augustus 2008, een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid en stabiliteit in deze gebieden, die van grote invloed is op het leven van de lokale bevolking en de uitoefening van hun fundamentele rechten en vrijheden belemmert;

K.  overwegende dat Rusland de bepalingen van de staakt-het-vuren-overeenkomst uit 2008 blijft schenden, onder meer door de aanhoudende militarisering van de bezette Georgische regio´s en belendende gebieden, de weigering de waarnemersmissie van de Europese Unie (EUMM) toe te staan de veiligheidssituatie in de bezette gebieden te monitoren, zoals voorzien in haar mandaat, en door de toegang van internationale organisaties en monitoringmechanismen voor mensenrechten tot de bezette gebieden te blokkeren;

L.  overwegende dat de voorbereidingen voor de Olympische Winterspelen in Sotsji reeds werden verstoord door bomaanslagen in Makhachkala, Pyatigorsk, Volgograd en Stavropol, alsook door andere ernstige veiligheidsdreigingen afkomstig uit de noordelijke Kaukasus;

M.  overwegende dat de Russische autoriteiten de Russische grenszone met het oog op de Olympische Spelen in Sotsji tijdelijk hebben uitgebreid tot 11 kilometer verder landinwaarts op het grondgebied van Abchazië;

N.  overwegende dat corruptie in Rusland nog steeds een groot probleem is en dat Rusland op de corruptie-index 2013 van Transparency International de 127e plaats inneemt (van 177);

O.  overwegende dat in de door Vladimir Poetin geregeerde Russische Federatie onvoldoende vertrouwen bestaat in de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechtspraak, terwijl rechtszaken duidelijk niet voldoen aan de internationaal erkende normen en vaak worden gebruikt voor politieke doeleinden;

P.  overwegende dat onafhankelijke non-gouvernementele organisaties en activiteiten van het maatschappelijk middenveld de hoekstenen zijn van de democratie en de moderne samenleving; overwegende dat de nieuwe wetgeving van de Doema inzake maatschappelijke activiteiten het functioneren van ngo's met buitenlandse subsidies moeilijker heeft gemaakt en deze ngo's de status geeft van "buitenlands agenten"; overwegende dat met deze wetgeving laster opnieuw strafbaar wordt gesteld en de mogelijkheid wordt ingevoerd websites te blokkeren waarvan de inhoud ongepast lijkt; overwegende dat de nieuwe wet inzake het maatschappelijk middenveld leidt tot een stagnering van de veranderingen in de Russische maatschappij en tot een beperking van de ontwikkeling van de Russische samenleving, terwijl zij oppositieactiviteiten belemmert door de financiële en politieke kosten van deze activiteiten te verhogen;

Q.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting een groot probleem vormt in Rusland en dat Rusland op de index van Verslaggevers zonder Grenzen de 148e plaats inneemt (van 179); overwegende dat het voornemen bestaat in de Doema een voorstel in te dienen om de wet betreffende "buitenlandse agenten" uit te breiden naar de media; overwegende dat een dergelijke wet de overheid in staat zou stellen de media streng te controleren en in de praktijk een beperking van de mediavrijheid zou betekenen;

R.  overwegende dat in de context van de Olympische Winterspelen 2014 in Sotsji talrijke zorgen zijn geuit over mensenrechtenschendingen; overwegende dat melding is gemaakt van pesterijen jegens maatschappelijke activisten die zich hebben ingezet om corruptie, milieuvervuiling en schendingen van de rechten van de inwoners van Sotsji en arbeidsmigranten aan de kaak te stellen; overwegende dat enkele hoogwaardigheidsbekleders van de EU en de lidstaten hebben besloten de Olympische Spelen niet bij te wonen uit protest tegen de mensenrechtenschendingen;

S.  overwegende dat recentelijk een controversiële wet is aangenomen die lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders discrimineert;

T.  overwegende dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van Sergei Magnitsky nog steeds op vrije voeten zijn; overwegende dat het Europees Parlement in oktober 2012 een aanbeveling heeft goedgekeurd betreffende gerichte sancties tegen personen die betrokken waren bij de dood van Sergei Magnitsky, en tegen anderen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen en corruptie in Rusland;

U.  overwegende dat Mikhail Khodorkovsky en Platon Lebedev in respectievelijk december 2013 en januari 2014 werden vrijgelaten na een gevangenisstraf van tien jaar te hebben uitgezeten volgend op twee rechtszaken die alom werden gehekeld vanwege het politieke karakter ervan en waarvan de eerste door het Europees Hof voor de rechten van de mens als oneerlijk werd bestempeld; overwegende dat Maria Alyokhina en Nadezhda Tolokonnikova, leden van de feministische punk band Pussy Riot, in december 2013 werden vrijgelaten in het kader van een amnestieregeling ter gelegenheid van de 20e verjaardag van de afkondiging van de Russische grondwet;

V.  overwegende dat Rusland in december 2013 heeft gedreigd een volledig verbod in te stellen op vleesproducten uit Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland en Polen;

1.  neemt kennis van de uitkomst van de 32e top EU-Rusland, maar vindt het zorgwekkend dat de gesprekken die oorspronkelijk twee dagen hadden moeten duren, uiteindelijk slechts een paar uur in beslag namen;

2.  onderstreept dat de toekomstige ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Rusland zal afhangen van de inspanningen om de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de grondrechten in de Russische Federatie te versterken;

3.  is bezorgd over het idee van bilaterale raadplegingen van de EU en Rusland op deskundigenniveau met betrekking tot de associatieovereenkomsten van het Oostelijk Partnerschap; onderstreept dat het ondertekenen van de associatieovereenkomsten met de oostelijke partners ook voordelig kan zijn voor Rusland; benadrukt evenwel dat Rusland geen onderdeel uitmaakt van het Oostelijk Partnerschap en niet als partij behandeld moet worden bij onderhandelingen tussen de EU en haar oostelijke partners;

4.  veroordeelt krachtig de oneerlijke druk die de Russische Federatie uitoefent op landen van het Oostelijk Partnerschap; beschouwt de door het Kremlin gebruikte middelen als een schending van de gebruikelijke diplomatieke normen en in sommige gevallen mogelijk zelfs van het internationaal recht;

5.  waarschuwt Rusland dat het instrumenteel gebruik van onopgeloste conflicten voor politieke kortetermijndoeleinden kan leiden tot de hervatting van de vijandelijkheden en de destabilisering van de hele regio;

6.  blijft bezorgd over de Russische inmenging in de interne aangelegenheden van Oekraïne en dringt er bij Rusland op aan de autoriteiten niet onder druk te zetten om tegen de wil van de Oekraïense bevolking in te gaan;

7.  dringt er bij de Russische Federatie op aan de bepalingen van de staakt-het-vuren-overeenkomst van 12 augustus 2008 onvoorwaardelijk na te komen, met name de bepaling die stelt dat Rusland de volledige en onbeperkte toegang van de EUMM tot de bezette gebieden in Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië moet waarborgen; onderstreept de noodzaak om in de genoemde Georgische gebieden stabiliteit te bewerkstelligen;

8.  veroordeelt het optreden van Rusland in de bezette gebieden van Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië, met name de totstandbrenging van hekken met prikkeldraad, greppels en andere kunstmatige obstakels die de rechten van de lokale bevolking aanzienlijk beperken; dringt er bij Rusland op dit proces te beëindigen en de voorwaarden te scheppen die de lokale bevolking in staat stellen hun fundamentele rechten en vrijheden volledig uit te oefenen, en daarnaast contacten tussen mensen van de verdeelde gemeenschappen te bevorderen als essentieel onderdeel van de opbouw van vertrouwen;

9.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de verlegging van de Russische grens 11 kilometer landinwaarts op Georgisch grondgebied; spreekt de hoop uit dat de Russische autoriteiten zich zullen houden aan de belofte dat deze verlegging slechts van tijdelijke aard is en op 21 maart 2014 zal worden teruggedraaid; verzoekt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter de situatie nauwlettend te volgen en actie te ondernemen indien de situatie na deze datum niet verandert;

10.  verzoekt Rusland zijn erkenning van de afgescheiden Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië te herzien en de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië volledig te eerbiedigen;

11.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het herhaaldelijke veto van Rusland inzake de oproepen van de internationale gemeenschap om hoofdstuk 7 van het Handvest van de Verenigde Naties in de VN-Veiligheidsraad aan de orde te stellen met betrekking tot de burgeroorlog in Syrië;

12.  merkt op dat het partnerschap voor modernisering niet alleen economische en technologische kwesties en uitdagingen moet omvatten, maar ook gebaseerd moet zijn op brede samenwerking, met name op het gebied van de rechtsstaat, de bescherming van de mensenrechten en de ontwikkeling van een betrouwbaar rechtsstelsel;

13.  is zeer bezorgd over de wijzigingen op de wetgeving betreffende ngo´s in Rusland ingevoerd met de wet van 20 juli 2012 die ngo´s die steun uit het buitenland ontvangen bestempelt als "niet-commerciele organisaties die de taken van een buitenlands agent vervullen", en dringt er bij de Russische autoriteiten op aan deze wet in te trekken;

14.  is ernstig bezorgd over de verslechterende veiligheidsomstandigheden in Tsjetsjenië en Dagestan;

15.  spreekt zijn ontsteltenis uit over het voortdurende uitblijven van voortgang bij de strafrechtelijke vervolging van degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van personen als Sergei Magnitsky, Natalia Estimirova, Anna Politkovskaya en Vasily Alexanian; verzoekt de Raad te kijken naar en te reageren op de aanbeveling van het Parlement van oktober 2012 waarin wordt opgeroepen tot gerichte EU-sancties tegen degenen die verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van Magnitsky en tegen anderen die betrokken zijn bij grove mensenrechtenschendingen;

16.  is verheugd over de in December 2013 aangenomen amnestieregeling in het kader waarvan Maria Alyokhina en Nadezhda Tolokonnikova werden vrijgelaten; is verheugd over de vrijlating van Mikhail Khodorkovsky en Platon Lebedev en neemt kennis van de toezegging van Khodorkovsky om zich in te zetten voor de vrijlating van andere politieke gevangenen in Rusland; spreekt ondanks deze positieve ontwikkelingen zijn zorg uit over de mate en hardnekkigheid van de politieke manipulatie van de rechtspraak in Rusland;

17.  spreekt zich krachtig uit tegen het Russische dreigement om een embargo op vlees uit Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland en Polen in te stellen;

18.  verzoekt de VV/HV en de Commissie steun te verlenen aan ngo´s, instellingen en organisaties die mensenrechtenkwesties en de onafhankelijkheid van de rechtbanken in de Russische Federatie volgen; verzoekt de EU permanent druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten om te voldoen aan de OVSE-normen op het gebied van mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en een onafhankelijke rechtspraak;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede de regering en het parlement van de Russische Federatie.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid