Procedure : 2013/2945(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0241/2014

Ingediende teksten :

B7-0241/2014

Debatten :

PV 11/03/2014 - 16
CRE 11/03/2014 - 16

Stemmingen :

PV 12/03/2014 - 8.28
CRE 12/03/2014 - 8.28
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0235

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 170kWORD 89k
7.3.2014
PE529.640v01-00
 
B7-0241/2014

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over het voortgangsverslag over Turkije 2013 (2013/2945(RSP))


Ria Oomen-Ruijten namens de Commissie buitenlandse zaken

Resolutie van het Europees Parlement over het voortgangsverslag over Turkije 2013 (2013/2945(RSP))  
B7‑0241/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie met als titel "Turkije: voortgangsverslag 2013" (SWD(2013)0417),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 16 oktober 2013 met als titel "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2013-2014" (COM(2013)0700),

–       gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 10 februari 2010 over het voortgangsverslag 2009 betreffende Turkije(1), van 9 maart 2011 over het voortgangsverslag 2010 betreffende Turkije(2), van 29 maart 2012 over het voortgangsverslag 2011 betreffende Turkije(3), van 18 april 2013 over het voortgangsverslag 2012 betreffende Turkije(4) en van 13 juni 2014 over de situatie in Turkije(5),

–       gezien het kader voor de onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,

–       gezien Besluit 2008/35/EG van de Raad van 18 februari 2008 betreffende de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die worden opgenomen in het toetredingspartnerschap met Turkije(6) ("het Toetredingspartnerschap") en de eerdere besluiten van de Raad van 2001, 2003 en 2006 betreffende het Toetredingspartnerschap,

–       gezien de conclusies van de Raad van 14 december 2010, 5 december 2011, 11 december 2012 en 25 juni 2013,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–       gezien de conclusies van het verslag van 26 november 2013 van de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, dat de aandacht vestigde op het excessieve optreden van de wetshandhavingsinstanties tijdens de protesten van Gezi in het licht stellen,

–       gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije op 3 oktober 2005 werden geopend, en dat het openen van dergelijke onderhandelingen het beginpunt van een langdurig proces vormt waarvan het eindresultaat niet vaststaat en dat is gebaseerd op eerlijke en strikte voorwaarden en hervormingsbereidheid;

B.     overwegende dat Turkije zich heeft verplicht tot de naleving van de criteria van Kopenhagen, adequate en doeltreffende hervormingen, goede nabuurschapsbetrekkingen en geleidelijke aanpassing aan de EU; overwegende dat deze inspanningen moeten worden beschouwd als een kans voor Turkije om zijn moderniseringsproces voort te zetten;

C.     overwegende dat de EU de referentie voor de hervormingen in Turkije moet blijven;

D.     overwegende dat de volledige naleving van alle criteria van Kopenhagen en de integratiecapaciteit van de Unie, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van december 2006, de basis blijven voor toetreding tot de EU;

E.     overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 11 december 2012 zijn steun heeft uitgesproken voor de nieuwe benadering van de Commissie betreffende de onderhandelingskaders van nieuwe kandidaat-lidstaten, waarbij de rechtsstaat centraal komt te staan in het uitbreidingsbeleid, en heeft bevestigd dat hoofdstuk 23 (rechterlijke macht en grondrechten) en hoofdstuk 24 (recht, vrijheid en veiligheid) een centrale plaats innemen in het onderhandelingsproces en in een vroeg stadium van de onderhandelingen aan bod moeten komen, teneinde te zorgen voor duidelijke criteria en toereikende termijnen voor het doorvoeren van de vereiste wetgevingswijzigingen en institutionele hervormingen, en bijgevolg het boeken van gedegen resultaten met de uitvoering;

F.     overwegende dat de Commissie in haar mededeling met als titel "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2013-2014" concludeerde dat Turkije, wegens de economie, strategische ligging en belangrijke regionale rol van het land, een strategische partner van de EU is en een waardevolle component vormt van de economische concurrentiekracht van de EU, en dat in de voorgaande twaalf maanden aanzienlijke vooruitgang is geboekt met de hervormingen; overwegende dat de Commissie heeft aangedrongen op verdere hervormingen en op de bevordering van een dialoog waarbij het gehele politieke spectrum in Turkije en de Turkse samenleving in brede zin worden betrokken;

G.     overwegende dat Turkije voor het achtste opeenvolgende jaar nog steeds niet de bepalingen ten uitvoer heeft gelegd die voortvloeien uit de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije en het aanvullend protocol daarbij;

H.     overwegende dat Turkije zich, in zijn eigen belang en met het oog op meer stabiliteit en de bevordering van goede betrekkingen met zijn buurlanden, meer moet inspannen om een oplossing te vinden voor nog openstaande bilaterale vraagstukken, waaronder niet nagekomen wettelijke verplichtingen en conflicten over land- en zeegrenzen en geschillen over het luchtruim met zijn naaste buren, overeenkomstig de bepalingen van het VN-handvest en het internationale recht;

I.      overwegende dat Turkije een centrale rol zou kunnen spelen bij de diversifiëring van energiebronnen en -routes voor olie-, gas en elektriciteitsdoorvoer vanuit naburige landen naar de EU, en overwegende dat zowel Turkije als de EU de rijkdom van Turkije aan hernieuwbare energiebronnen zouden kunnen benutten om een duurzame koolstofarme economie tot stand te brengen;

J.      overwegende dat corruptiebestrijding op alle niveaus een belangrijk onderdeel van een goed werkend rechtsstelsel is,

K.     overwegende dat Turkije actief betrokken blijft in de ruimere regio en een belangrijke regionale speler is;

Geloofwaardige inzet en sterke democratische grondslagen

1.      is ingenomen met het voortgangsverslag 2013 betreffende Turkije en deelt de conclusie van de Commissie dat Turkije een strategische partner van de EU is en dat in de afgelopen twaalf maanden aanzienlijke vooruitgang is geboekt met de hervormingen; onderstreept het belang en de dringende noodzaak van verdere hervormingen met het oog op meer verantwoordingsplicht en transparantie in de Turkse administratie en de bevordering van een dialoog waarbij het gehele politieke spectrum en de samenleving in brede zin worden betrokken, in het bijzonder door het maatschappelijk middenveld echt te betrekken en mondiger te maken, alsook de volledige eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat in de praktijk; herinnert eraan dat in elke democratie het beginsel van de scheiding der machten, de rechtsstaat en de grondrechten centraal staan, en benadrukt het belang van een onpartijdige of onafhankelijke rechterlijke macht voor een echt democratische staat;

 

2.      wijst op de transformerende kracht die uitgaat van de onderhandelingen tussen de Unie en Turkije, en benadrukt het belang van nauw overleg en samenwerking tussen Turkije en de EU tijdens het hervormingsproces, zodat de onderhandelingen Turkije een duidelijke referentie en duidelijke benchmarks kunnen blijven aanreiken; benadrukt in dit verband het belang van geloofwaardige, te goeder trouw gevoerde onderhandelingen op basis van een wederzijdse afspraak tussen Turkije en de Unie om doeltreffende hervormingen door te voeren die de democratische grondbeginselen van de Turkse samenleving en de fundamentele waarden bevorderen en die een positieve verandering in de hand werken in de Turkse instellingen en wetgeving en in de mentaliteit van de Turkse samenleving; is bijgevolg verheugd over de opening van hoofdstuk 22;

3.      is verheugd over de ondertekening van de overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije en over het begin van de dialoog over visumliberalisering op 16 december 2013; benadrukt hoe belangrijk het is dat Turkije en de EU het met elkaar eens zijn dat de overnameovereenkomst en het stappenplan voor visumliberalisering voor beide partijen van belang zijn; vraagt de EU in dit verband Turkije volledige technische en financiële bijstand te verlenen bij de uitvoering van de overnameovereenkomst, en vraagt Turkije passende beleidsmaatregelen te nemen om asielzoekers effectieve internationale bescherming te bieden en te garanderen dat de mensenrechten van migranten worden geëerbiedigd; is van mening dat de oprichting van het Directoraat-generaal migratiebeheer en de toepassing van de wet inzake buitenlanders en internationale bescherming een eerste positieve stap in die richting zijn; herinnert eraan dat Turkije een van de belangrijkste transitlanden voor irreguliere migratie naar de EU is, en benadrukt het belang van een spoedige ratificatie van de overnameovereenkomst en de effectieve toepassing ervan ten aanzien van alle lidstaten; vraagt Turkije de bestaande bilaterale overnameovereenkomsten volledig en effectief toe te passen; benadrukt dat versoepeling van de toegang tot de EU voor zakenlieden, academici, studenten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, duidelijke voordelen biedt, en vraagt Turkije en de Commissie de dialoog verder te zetten teneinde aanzienlijke vooruitgang te boeken met de visumliberalisering;

Naleving van de criteria van Kopenhagen

4.      is zeer bezorgd over de recente ontwikkelingen in Turkije met betrekking tot beschuldigingen van corruptie op hoog niveau; betreurt dat de openbare aanklagers en de politiemensen die het oorspronkelijke onderzoek voerden, van de zaak zijn gehaald, aangezien dit ingaat tegen het fundamentele beginsel van een onafhankelijke rechterlijke macht en weinig vooruitzichten biedt op een geloofwaardig onderzoek; betreurt de ernstige vertrouwensbreuk tussen de overheid, de rechterlijke macht, de politie en de media; vraagt de Turkse regering daarom met klem zich volledig achter de democratische beginselen te scharen en zich niet verder te mengen in het onderzoek naar en het proces wegens corruptie;

5.      herinnert de Turkse regering eraan dat zij zich ertoe heeft verbonden corruptie uit te roeien, met name door gevolg te geven aan het merendeel van de aanbevelingen die in de evaluatieverslagen van de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO) van 2005 zijn gedaan; vraagt de Turkse regering toe te zien op de goede werking van de Rekenkamer overeenkomstig de toepasselijke internationale normen en het publiek en de betrokken instellingen, met name de Grote Nationale Vergadering van Turkije, volledige inzage te geven in de verslagen van de Rekenkamer, ook die over de veiligheidsdiensten; vraagt Turkije ervoor te zorgen dat alle ministeries samenwerking verlenen aan de Rekenkamer; benadrukt nogmaals dat er een gerechtelijke politie moet worden ingesteld die onder het gezag van een rechter werkt;

6.      wijst erop dat in een moderne democratische staat een systeem van wederzijdse controle ("checks and balances") een cruciale rol vervult, en benadrukt dat de Grote Nationale Vergadering van Turkije een fundamentele rol moet spelen in het hart van het Turkse politieke systeem door een kader te bieden voor dialoog en de bewerkstelliging van consensus in het gehele politieke spectrum; uit zijn bezorgdheid over de politieke polarisatie en het gebrek aan bereidheid bij de regering en de oppositie om consensus te bereiken over cruciale hervormingen en het opstellen van een nieuwe grondwet; dringt er bij alle politieke actoren, de regering en de oppositie op aan samen te werken om een pluralistische visie in overheidsinstellingen te bewerkstelligen en de modernisering en democratisering van de staat en de samenleving te bevorderen; benadrukt de essentiële rol van maatschappelijke organisaties en de noodzaak van voldoende communicatie met de burgers over het hervormingsproces; vraagt de politieke meerderheid andere politieke krachten en maatschappelijke organisaties actief bij het overleg over relevante hervormingen te betrekken en op inclusieve wijze rekening te houden met hun belangen en gezichtspunten; benadrukt dat de grondwetshervorming de belangrijkste prioriteit moet blijven voor de modernisering en democratisering van Turkije;

7.      is bezorgd over de aantijgingen dat de autoriteiten ambtenaren, politiemensen en militairen systematisch profileren op basis van hun godsdienst, etnische afkomst en politieke overtuiging;

8.      benadrukt dat er dringend verdere voortgang moet worden geboekt bij de tenuitvoerlegging van de grondwetswijzigingen van 2010, met name wat betreft de aanneming van wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en het militair strafrecht en van wetgeving tot invoering van positieve discriminatie ter bevordering van gendergelijkheid; beklemtoont het belang van de nauwgezette tenuitvoerlegging van deze wetswijzigingen van zodra deze zijn goedgekeurd;

9.      looft het feit dat het Bemiddelingscomité consensus heeft bereikt over zestig grondwetswijzigingen, maar uit zijn bezorgdheid over de opschorting van de werkzaamheden van het comité en het huidige gebrek aan vooruitgang; is ervan overtuigd dat de werkzaamheden inzake een nieuwe grondwet voor Turkije voortgezet moet worden, aangezien dit noodzakelijk is voor het hervormingsproces in Turkije; benadrukt dat het van belang is om in het kader van het constitutionele hervormingsproces consensus te bereiken over een doeltreffende scheiding van machten en een inclusieve definitie van burgerschap teneinde een volledig democratische grondwet te bereiken die gelijke rechten waarborgt voor iedereen in Turkije; onderstreept dat Turkije, als lid van de Raad van Europa, zou kunnen profiteren van een actieve dialoog met de commissie van Venetië over het proces van de grondwetsherziening; benadrukt dat het proces van grondwetswijzigingen op transparante en inclusieve wijze moet verlopen, met volledige inspraak van het maatschappelijk middenveld in alle fasen;

10.    uit zijn diepe bezorgdheid over de nieuwe wet op de Hoge Raad van rechters en openbare aanklagers en wijst op de sterke, centrale rol die de minister van Justitie wordt toebedeeld, hetgeen niet strookt met het beginsel van een onafhankelijke rechterlijke macht als voorwaarde voor een volledig functionerend democratisch systeem van scheiding der machten; benadrukt dat de regels betreffende de benoeming, samenstelling en werking van de Hoge Raad van rechters en openbare aanklagers volledig in overeenstemming moeten zijn met de Europese normen, en vraagt de Turkse regering nauw overleg te plegen met de Europese Commissie en de Commissie van Venetië en de nieuwe wet op de Hoge Raad van rechters en openbare aanklagers overeenkomstig hun aanbevelingen te wijzigen;

11.    is ingenomen met het democratiseringspakket dat de regering op 30 september 2013 heeft gepresenteerd en vraagt de regering het snel en volledig ten uitvoer te leggen, bij de voorbereiding van de uitvoeringsbepalingen naar behoren overleg te plegen met de oppositie en relevante maatschappelijke organisaties, en door te gaan met zijn inspanningen met het oog op de hervorming van het kiesstelsel (onder meer de verlaging van de kiesdrempel van 10%) en de adequate inclusie van alle onderdelen van de Turkse samenleving om de democratie te versterken en het bestaande pluralisme in het land beter te weerspiegelen; benadrukt de dringende noodzaak van een alomvattende antidiscriminatiewetgeving en de instelling van een Raad voor discriminatiebestrijding en gelijkheid; vraagt de regering ervoor te zorgen dat de wetgeving betreffende haatmisdrijven bescherming biedt aan alle burgers en gemeenschappen, met inbegrip van LGTBI; moedigt de overheid ertoe aan onverwijld maatregelen te nemen om de alevitische gemeenschap meer rechten te geven; vraagt om verdere inspanningen om de discriminatie van de Roma-minderheid aan te pakken, hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten en schooluitval terug te dringen;

12.    is verheugd over de oprichting van nieuwe instellingen, met name de Ombudsman en het Turks Nationaal Instituut voor de Mensenrechten, die sinds 2013 operationeel zijn en die bijkomende mechanismen creëren waarmee personen de bescherming van hun grondrechten en vrijheden kunnen afdwingen;

13.    betreurt ten zeerste dat er onder betogers en politiemensen doden zijn gevallen, dat de politie excessief geweld heeft gebruikt en dat een aantal marginale groepen gewelddaden heeft gepleegd; is van mening dat de protesten in het Gezipark zowel getuigen van het bestaan van een krachtig maatschappelijk middenveld als van de dringende noodzaak van verdere dialoog en hervormingen met het oog op de bevordering van fundamentele waarden; betreurt dat de rechtbanken er blijkbaar niet zijn geslaagd alle staatsambtenaren en politiemensen te straffen die verantwoordelijk waren voor het buitensporige geweld en de doden en zwaargewonden die onder de betogers in het Gezipark zijn gevallen, en is dan ook verheugd over het lopende administratieve onderzoek (dat door het Ministerie van Binnenlandse Zaken is ingesteld), het gerechtelijke onderzoek en het onderzoek van de Ombudsman over klachten over de gebeurtenissen in het Gezipark, als een nieuwe kans om blijk te geven van het engagement om de rechtsstaat te handhaven en de verantwoordelijken voor de rechter te brengen; verwacht dat de onderzoeken de punten van zorg volledig en onverwijld zullen aanpakken; dringt er bij Turkije op aan adequate interne beoordelingsprocedures vast te stellen en een onafhankelijke toezichtsinstantie voor overtredingen door de politie op te richten; is van mening dat de gebeurtenissen in het Gezipark de noodzaak blootleggen om verstrekkende hervormingen door te voeren, teneinde de eerbiediging van de vrijheid van vergadering te waarborgen; moedigt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de politie ertoe aan werkwijzen te ontwikkelen om op een meer beheerste wijze met straatprotest om te gaan en vraagt hun met name medisch personeel, advocaten en andere beroepsgroepen die de grondrechten van betogers verdedigen, niet te arresteren en hun werkzaamheden niet te belemmeren;

14.    merkt op dat deze ongekende protestgolf tevens blijk geeft van het legitieme verlangen van een groot aantal Turkse burgers naar meer democratie; herhaalt dat regeringen in een democratische bestuursvorm tolerantie moeten bevorderen en de vrijheid van godsdienst en overtuiging voor alle burgers moeten waarborgen; roept de regering op de pluraliteit en rijkdom van de Turkse samenleving te eerbiedigen;

15.    is zeer bezorgd over de zeer beperkte berichtgeving over de gebeurtenissen in het Gezipark door de Turkse media en het ontslag van journalisten die kritiek uitten op de reactie van de regering op die gebeurtenissen; herinnert eraan dat vrijheid van meningsuiting en pluralisme in de media, ook de digitale en sociale media, centrale Europese waarden zijn, en dat een onafhankelijke pers essentieel is voor een democratische samenleving, aangezien zij burgers in staat stelt geïnformeerd deel te nemen aan de collectieve besluitvorming en daardoor de democratie versterkt; is uiterst bezorgd over de nieuwe internetwet die buitensporige controle over en toezicht op internettoegang invoert, en mogelijk grote gevolgen kan hebben voor de vrijheid van meningsuiting, onderzoeksjournalistiek, democratisch toezicht en toegang tot politiek diverse informatie op het internet; wijst op de ernstige bezorgdheid die de EU en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa hebben geuit en vraagt de Turkse regering de wet te herzien in overeenstemming met de Europese normen inzake vrijheid van de media en vrijheid van meningsuiting; uit eens te meer zijn bezorgdheid over het feit dat de meeste media in het bezit zijn van en geconcentreerd zijn bij grote ondernemingen met een brede reeks zakelijke belangen, en wijst op het verontrustende en wijdverspreide fenomeen van zelfcensuur door media-eigenaren en journalisten; is bezorgd over het feit dat journalisten uit posities in de media ontslagen zijn wegens kritiek op de regering; is uiterst bezorgd over de procedures die gebruikt worden om eigenaars van kritische media te bestraffen; stelt zich vragen bij de gevolgen van overheidsaccreditatie die voornamelijk op de oppositiemedia gericht is; uit grote bezorgdheid over het buitengewoon grote aantal journalisten dat momenteel in voorlopige hechtenis zit, daar dit de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media belemmert, en dringt er bij de gerechtelijke autoriteiten van Turkije op aan deze zaken zo spoedig mogelijk te beoordelen en te behandelen; benadrukt de bijzondere rol van openbare media bij het versterken van de democratie en vraagt de Turkse regering te garanderen dat deze onafhankelijk en duurzaam zijn en voldoen aan de Europese normen;

16.    uit zijn grote bezorgdheid en ontevredenheid over het gebrek aan echte dialoog en raadpleging over het ontwerp van mediawet en het wetsontwerp inzake de Hoge Raad van rechters en openbare aanklagers, en merkt op dat daarmee sterk wordt afgeweken van eerdere gevallen van goede samenwerking; vreest ten zeerste dat Turkije met de internetwet en de wet inzake de Hoge Raad van rechters en openbare aanklagers afwijkt van zijn pad in de richting van de naleving van de criteria van Kopenhagen, en vraagt de Turkse regering een echte, constructieve dialoog aan te gaan over deze twee wetten en toekomstige wetgeving, met name inzake de media en de rechterlijke macht, en er alles aan te doen om het onderhandelingsproces nieuw leven in te blazen en te tonen dat zij haar Europese perspectief echt ter harte neemt, onder meer door een hervorming van de internetwet en de wet inzake de Hoge Raad van rechters en openbare aanklagers;

17.    merkt op dat de ad-hocdelegatie van het Parlement voor de waarneming van processen tegen journalisten in Turkije die in 2011 werd opgericht, en die wordt vermeld in zijn resoluties over de voortgangsverslagen betreffende Turkije van 2011 en 2012, het activiteitenverslag in 2013 heeft voorgelegd, op basis van feitelijke observaties, en op 1 april 2014 het definitieve activiteitenverslag zal voorleggen;

18.    wijst op de zorgen in de Turkse samenleving over de buitensporig grote reikwijdte van het Ergenekon-proces, de tekortkomingen wat betreft de eerlijke procesgang, en de beschuldigingen van het gebruik van tegenstrijdig bewijs tegen de beklaagden, als gevolg waarvan het draagvlak voor de uitspraak in deze zaak, net als in het Sledgehammer-proces, wordt ondermijnd; benadrukt in het licht van bovenstaande eens te meer dat het KCK-proces het bewijs moet vormen van de kracht en het correct, onafhankelijk, onpartijdig en transparant functioneren van de democratische instituties en van de rechterlijke macht in Turkije, alsook van de krachtige en onvoorwaardelijke inzet voor de eerbiediging van de grondrechten; roept de EU-delegatie in Ankara op om de verdere ontwikkelingen in deze processen op de voet te volgen, met inbegrip van een eventuele beroepsprocedure en de detentieomstandigheden, en om verslag uit te brengen aan de Commissie en het Parlement;

19.    vestigt bijzondere aandacht op de rechtszaken tegen Füsun Erdoğan en Pinar Selek; is van mening dat deze rechtszaken een illustratie vormen van de tekortkomingen van het Turkse rechtsstelsel en uit bezorgdheid over het feit dat het proces tegen Pinar Selek 16 jaar geduurd heeft; benadrukt dat rechtszaken op transparante wijze moeten verlopen, en dat in dit verband de rechtsstaat moet worden eerbiedig en gepaste omstandigheden moeten worden gewaarborgd;

20.    wijst erop dat de tenuitvoerlegging van het derde pakket justitiële hervormingen heeft geleid tot de vrijlating van een aanzienlijk aantal gedetineerden, en verwelkomt het vierde pakket justitiële hervormingen als een volgende belangrijke stap in de richting van een Turkse rechterlijke macht die in overeenstemming is met de normen en waarden van de EU; wijst in het bijzonder op i) het nieuwe, belangrijke onderscheid tussen de vrijheid van meningsuiting, van pers en van vergadering en het aanzetten tot geweld of tot terreurdaden, ii) de beperking van de strafbaarstelling van het ophemelen van een misdaad of een misdadiger tot gevallen waarbij er sprake is van een duidelijke en acute dreiging voor de openbare orde, en iii) de inperking van de strafbaarstelling van het plegen van een misdaad in naam van een organisatie, zonder lid van deze organisatie te zijn, tot uitsluitend gewapende organisaties;

21.    is ingenomen met de initiatieven van de hoge raad van rechters en openbare aanklagers om een groot aantal rechters en openbare aanklagers op te leiden op het gebied van mensenrechten en om een grondige, operationele interpretatie van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te bevorderen; spoort de regering aan een actieplan voor de mensenrechten vast te stellen op basis van de jurisprudentie van het EHRM, dat erop gericht is de kwesties aan te pakken die aan de orde komen in arresten van het EHRM waarin werd bepaald dat Turkije de bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft geschonden; spoort de regering aan de ambitieuze justitiële hervormingen voort te zetten, die zijn gebaseerd op de noodzaak om de bescherming en bevordering van grondrechten te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat de hervorming van de antiterreurwet prioriteit dient te krijgen;

22.    roept Turkije op zich te committeren aan de strijd tegen straffeloosheid en de inspanningen ten aanzien van de toetreding tot het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) tot een goed einde te brengen;

23.    wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is om hoofdstuk 23 (rechterlijke macht en fundamentele rechten) en hoofdstuk 24 (justitie en binnenlandse zaken) in een vroeg stadium van het onderhandelingsproces te openen en als laatste af te ronden; benadrukt dat dit in overeenstemming zou zijn met de nieuwe benadering van de Commissie voor nieuwe kandidaat-lidstaten; herinnert eraan dat de opening van deze hoofdstukken afhankelijk is van de vervulling van de voorwaarden vastgesteld in het kader de officiële referentiecriteria en benadrukt dan ook dat de vaststelling, ten opzichte van Turkije, van officiële criteria voor de opening van deze hoofdstukken tot een duidelijk stappenplan zou leiden voor en een nieuwe impuls zou geven aan het hervormingsproces, en in het bijzonder het hervormingsproces een duidelijk richtsnoer zou geven, op basis van de Europese normen, met bijzondere nadruk op de rechtsspraak; verzoekt de Raad dan ook hernieuwde inspanningen voor de vaststelling van de officiële referentiecriteria en uiteindelijk, wanneer aan de criteria is voldaan, voor de opening van de hoofdstukken 23 en 24; dringt er bij Turkije op aan zoveel mogelijk samen te werken om dit te bereiken; verzoekt de Commissie om onverwijld dialoog en samenwerking met Turkije te bevorderen op het gebied van de rechtsspraak en de grondrechten en op het gebied van justitie en binnenlandse zaken in het kader van de "positieve agenda";

24.    prijst het besluit van de vereniging van stichtingen om de grond van het historische Mor Gabriël-klooster terug te geven aan de Syrische gemeenschap in Turkije, overeenkomstig de belofte van de regering in het democratiseringspakket; benadrukt dat een passend rechtskader moet blijven bestaan voor het herstel van de eigendomsrechten van alle religieuze gemeenschappen; benadrukt dat het van belang is het hervormingsproces op het gebied van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst voort te zetten door religieuze gemeenschappen in staat te stellen rechtspersoonlijkheid te verwerven, door alle restricties ten aanzien van de opleiding, benoeming en opvolging van geestelijken weg te nemen, door te voldoen aan de desbetreffende arresten van het EHRM en de aanbevelingen van de commissie van Venetië, en door alle vormen van op godsdienst gebaseerde discriminatie of belemmeringen uit te bannen; vraagt de regering van Turkije zich te buigen over het verzoek van de alevitische gemeenschap om erkenning van de cemevis als volwaardige gebedshuizen onderstreept dat alle obstakels voor een spoedige heropening van het Halki-seminarie en het publiek gebruik van de kerkelijke titel van oecumenisch patriarch moeten worden weggenomen

25.    spreekt zijn steun uit voor de databank inzake geweld tegen vrouwen die op dit moment door het ministerie van Gezinszaken en Sociaal Beleid wordt opgezet; dringt erop aan de bestaande wetgeving inzake de opzet van opvanghuizen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld aan te vullen met adequate follow-upinstrumenten, indien gemeenten verzuimen om dergelijke opvanghuizen op te zetten; ondersteunt de inspanningen van het ministerie van Gezinszaken en Sociaal Beleid om de straffen te verhogen voor gedwongen huwelijken op jonge leeftijd, een fenomeen dat moet worden uitgebannen, en moedigt het aan op deze weg verder te gaan; roept op tot meer inspanningen om zogeheten "eerwraak" uit te bannen; spreekt nogmaals zijn zorg uit over de geringe maatschappelijke en economische inclusie van vrouwen en over de geringe participatie van vrouwen in het arbeidsproces, in de politiek en op hoog niveau in het openbaar bestuur, en spoort de regering aan om adequate maatregelen te nemen om een centralere rol van vrouwen in het economische en politieke stelsel van Turkije te bevorderen; verzoekt de politieke partijen om specifieke maatregelen te treffen om de positie van vrouwen verder te versterken en zo hun actieve deelname aan het politieke leven te bevorderen; benadrukt de sleutelrol van onderwijs en beroepsopleiding bij de bevordering van de maatschappelijke en economische inclusie van vrouwen, en de noodzaak om gendergelijkheid een plaats te geven in het wetgevingsproces en bij de tenuitvoerlegging van wetten;

26.    geeft volledige steun aan het initiatief van de regering om een oplossing te vinden voor het Koerdische vraagstuk op basis van onderhandelingen met de PKK, met als doel de terroristische acties van de PKK definitief te doen ophouden; moedigt de regering aan om de noodzakelijke hervormingen in gang te zetten om de sociale, culturele en economische rechten van de Koerdische gemeenschap te bevorderen, onder meer door middel van onderwijs in het Koerdisch in openbare scholen, na toereikende raadpleging van de relevante belanghebbenden en van de oppositie, met als uiteindelijk doel bij te dragen aan een daadwerkelijke bereidheid rekening te houden met de eisen wat betreft grondrechten voor alle burgers van Turkije; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het grote aantal processen tegen schrijvers en journalisten die over het Koerdische vraagstuk schrijven en over de arrestatie van diverse Koerdische politici, burgemeesters, gemeenteraadsleden, vakbondsleden, advocaten, manifestanten en mensenrechtenactivisten in verband met het zogenaamde KCK-proces; dringt er bij de oppositie op aan de onderhandelingen en hervormingen actief te ondersteunen als een belangrijke stap in het belang van de Turkse samenleving als geheel; dringt er bij de Turkse autoriteiten en de Commissie op aan om nauw samen te werken om te beoordelen welke uit hoofde van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) uitgevoerde programma's kunnen worden gebruikt om duurzame ontwikkeling in het zuidoosten te bevorderen, in het kader van de onderhandelingen over hoofdstuk 22;

27.    is verheugd over de, naar verwachting, spoedige tenuitvoerlegging van de aankondiging van de regering van Turkije dat er opnieuw een Griekse minderheidsschool zal worden geopend op het eiland Gökçeada (Imbros), hetgeen een positieve stap is in de richting van het behoud van het biculturele karakter van de eilanden Gökçeada (Imbros) en Bozcaada (Tenedos), overeenkomstig resolutie 1625 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa uit 2008; merkt evenwel op dat verdere stappen nodig zijn om de problemen aan te pakken waarmee leden van de Griekse minderheid worden geconfronteerd, met name wat hun eigendomsrechten betreft; verzoekt de Turkse overheid in dit verband om, gezien het dalende aantal leden van de minderheid, expatgezinnen die tot de minderheid behoren en wensen terug te keren naar het eiland, aan te moedigen en te helpen;

28.    is van mening dat een maatschappelijke dialoog en de betrokkenheid van de sociale partners van wezenlijk belang zijn voor de ontwikkeling van een welvarende en pluralistische samenleving, en ter bevordering van maatschappelijke en economische inclusie in de samenleving in het algemeen; onderstreept dat verdere vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheid, in het bijzonder met als doel alle obstakels voor het effectief en ongehinderd functioneren van vakbonden weg te nemen, een nationale werkgelegenheidsstrategie vast te stellen, zwartwerk aan te pakken, de dekking van socialebeschermingsmechanismen te verbreden, en de arbeidsparticipatie onder vrouwen en personen met een handicap te vergroten; wijst op de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving inzake vakbondsrechten in zowel de publieke als de particuliere sector, in het bijzonder bij kleine en middelgrote ondernemingen, en verzoekt Turkije om er alles aan te doen om de wetgeving volledig in overeenstemming met de IAO-normen te brengen; benadrukt het belang om hoofdstuk 19 over sociaal beleid en werkgelegenheid te openen;

Werken aan goede nabuurschapsbetrekkingen

29.    neemt kennis van de voortdurende inspanningen van Turkije en Griekenland om hun bilaterale betrekkingen te verbeteren, onder meer door middel van bilaterale vergaderingen; vindt het evenwel betreurenswaardig dat de casus belli-dreiging van de Turkse Grote Nationale Vergadering jegens Griekenland niet is ingetrokken; dringt er bij de Turkse regering op aan om een einde te maken aan de herhaaldelijke schendingen van het Griekse luchtruim en de territoriale wateren en aan de Turkse militaire vluchten over Griekse eilanden;

30.    dringt er bij de regering van Turkije op aan het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), dat deel uitmaakt van het acquis communautaire, zonder verdere vertraging te tekenen en te ratificeren, en herinnert eraan dat de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus volledig legitiem is; verzoekt Turkije om de soevereine rechten van alle lidstaten te eerbiedigen, met inbegrip van de rechten in verband met het onderzoek naar en de exploitatie van bodemschatten in de grondgebieden of wateren onder hun soevereiniteit;

31.    herhaalt zijn sterke steun voor de hereniging van Cyprus, op basis van een eerlijke en duurzame oplossing voor beide gemeenschappen, en is dit verband verheugd over de gemeenschappelijke verklaring van de leiders van de twee gemeenschappen over het opnieuw opstarten van de gesprekken over de hereniging van Cyprus en de inzet van beide partijen voor een oplossing op basis van een federatie van twee gemeenschappen en twee zones met politieke gelijkheid, en het feit dat het herenigde Cyprus, als lid van de VN en van de EU, een enkele internationale rechtspersoonlijkheid, een enkel zelfbestuur en een enkel staatsburgerschap, zal krijgen; is verheugd over de inspanningen van beide partijen om een positieve sfeer te creëren om de gesprekken tot een goed einde te kunnen brengen, en om maatregelen te treffen om het vertrouwen te herstellen ter ondersteuning van het onderhandelingsproces; verzoekt Turkije actieve steun te verlenen aan de onderhandelingen die gericht zijn op een eerlijke, alomvattende en duurzame oplossing, onder auspiciën van de secretaris-generaal van de VN en overeenkomstig de desbetreffende resolutie van de VN-Veiligheidsraad; dringt er bij Turkije op aan te beginnen met de terugtrekking van zijn troepen uit Cyprus en het afgegrendelde gebied rond Famagusta over te dragen aan de VN, overeenkomstig Resolutie 550 (1984) van de VN-Veiligheidsraad; dringt er bij de Republiek Cyprus op aan de haven van Famagusta onder het toezicht van de EU-douane open te stellen, teneinde een positief klimaat te scheppen voor een succesvolle afronding van de lopende onderhandelingen over hereniging, en de Turks-Cyprioten toe te staan rechtstreeks handel te drijven op een legale wijze die voor alle partijen aanvaardbaar is; neemt kennis van de voorstellen van de regering van Cyprus om bovenstaande kwesties aan te pakken;

32.    is ingenomen met de gezamenlijke verklaring van burgemeester Alexis Galanos en burgemeester Oktay Kayalp van 10 december 2013 waarin zij hun duidelijke steun hebben uitgesproken voor een herenigd Famagusta;

33.    is ingenomen met het besluit van Turkije om het Comité vermiste personen toegang te verschaffen tot een afgegrendeld militair gebied in het noordelijke deel van Cyprus en spoort Turkije aan het comité voor onderzoekdoeleinden toegang te verlenen tot relevante archieven en militaire zones; vraagt bijzondere aandacht voor het werk dat wordt verricht door het Comité vermiste personen;

34.    benadrukt het belang van een coherente en alomvattende veiligheidsbenadering in het oostelijke gedeelte van de Middellandse Zee en dringt er bij Turkije op aan een politieke dialoog tussen de EU en de NAVO mogelijk te maken door zijn veto op samenwerking tussen de EU en de NAVO, met inbegrip van Cyprus, op te heffen; roept tegelijkertijd de Republiek Cyprus op zijn veto op de deelname van Turkije aan het Europees defensieagentschap op te heffen;

35.    dringt er bij Turkije en Armenië op aan over te gaan tot een normalisering van hun betrekkingen door de protocollen over de instelling van diplomatieke betrekkingen onvoorwaardelijk te ratificeren, de grens open te stellen en hun betrekkingen actief te verbeteren, in het bijzonder wat grensoverschrijdende samenwerking en economische integratie betreft;

Bevordering van de samenwerking tussen de EU en Turkije

36.    betreurt de weigering van Turkije te voldoen aan zijn verplichting van een volledige, niet-discriminatoire uitvoering van het aanvullend protocol bij de associatieovereenkomst EG-Turkije ten opzichte van alle lidstaten; herinnert eraan dat deze weigering grote gevolgen blijft hebben voor het onderhandelingsproces;

37.    wijst erop dat Turkije nog altijd de op vijf na grootste handelspartner van de EU is, terwijl de EU voor Turkije de grootste handelspartner vormt, waarbij 38 % van de totale Turkse handel naar de EU gaat en 71 % van de directe buitenlandse investeringen in Turkije uit de EU afkomstig zijn; is verheugd dat de Commissie de douane-unie tussen de EU en Turkije voortdurend evalueert teneinde de gevolgen ervan voor beide partijen en eventuele aanpassingen ervan te beoordelen en dringt er bij Turkije op aan om de resterende belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen weg te nemen;

38.    is van mening dat, gezien de strategische rol van Turkije als energieknooppunt en gezien het feit dat het land over grote hoeveelheden hernieuwbare energiebronnen beschikt, moet worden overwogen om nauwe samenwerking op energiegebied tot stand te brengen tussen de EU en Turkije en om de onderhandelingen over hoofdstuk 15 betreffende energie te openen met het oog op een passend regelgevingskader; wijst er verder op dat het belangrijk is om Turkije te betrekken bij de uitwerking van het Europese energiebeleid; benadrukt het feit dat prioriteiten op het gebied van klimaatverandering, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie moeten worden aangepakt, en benadrukt in dit verband de mogelijkheden voor samenwerking tussen de EU en Turkije op het gebied van groene energie; verzoekt de Commissie prioriteit te verlenen aan de financiering van projecten voor duurzame energie, het energienetwerk en interconnectie in Turkije; verzoekt Turkije om wetgeving inzake milieueffectbeoordeling volledig ten uitvoer te leggen, zonder uitzondering te maken voor grote projecten;

39.    neemt nota van de sterkere inmenging van Turkije in Zuidoost-Europa, met name in Bosnië en Herzegovina, en spoort de Turkse overheid ertoe aan haar standpunt in lijn te brengen met dat van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, om diplomatieke activiteiten te coördineren met de HR/VP en om de samenwerking met de lidstaten verder te versterken;

40.    is ingenomen met de Turkse inzet bij de verstrekking van humanitaire bijstand aan bijna één miljoen Syrische vluchtelingen; verzoekt Turkije om zijn grenzen grondig te bewaken om de binnenkomst van strijders en wapens te voorkomen ten gunste van groeperingen waarvan het waarschijnlijk wordt geacht dat zij betrokken zijn bij systematische mensenrechtenschendingen of die niet bijdragen aan de democratische overgang in Syrië; is van oordeel dat de EU, Turkije en andere internationale belanghebbenden er actief naar moeten streven een gemeenschappelijke strategische visie te ontwikkelen om onverwijld een politieke oplossing voor Syrië te bevorderen en politieke en economische stabiliteit in de regio te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor Jordanië, Libanon, Iran en Irak; wijst in het bijzonder op de moeilijke omstandigheden van de Syrische alevitische vluchtelingengemeenschap, die haar toevlucht heeft gezocht tot de randen van de grote steden, en verzoekt Turkije ervoor te zorgen dat steun hen daadwerkelijk kan bereiken; benadrukt dat toegang moet worden gewaarborgd tot onderwijs en banen voor vluchtelingen, en uit tegelijkertijd bezorgdheid over de sociaal-economische impact van vluchtelingengemeenschappen op steden en dorpen in de buurt van vluchtelingenkampen; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de internationale gemeenschap om nauw samen te werken met Turkije bij het verlenen van steun aan vluchtelingen;

°

°       °

41.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

 

(1)

PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 59.

(2)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 98.

(3)

PB C 257 E van 6.9.2013, blz. 38.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0184.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0277.

(6)

PB L 51 van 26.2.2008, blz. 4.

Juridische mededeling - Privacybeleid