Procedure : 2014/2627(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0266/2014

Ingediende teksten :

B7-0266/2014

Debatten :

PV 12/03/2014 - 6
CRE 12/03/2014 - 6

Stemmingen :

PV 13/03/2014 - 14.12
CRE 13/03/2014 - 14.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0248

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 129kWORD 197k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B7-0263/2014
11.3.2014
PE529.668v01-00
 
B7-0266/2014

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement


over de invasie van Oekraïne door Rusland (2014/2627(RSP))


Rebecca Harms, Mark Demesmaeker, Martin Schulz, Tarja Cronberg, Ulrike Lunacek, Nicole Kiil-Nielsen, Raül Romeva i Rueda, Nikos Chrysogelos, Helga Trüpel namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de invasie van Oekraïne door Rusland (2014/2627(RSP))  
B7‑0266/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Oekraïne, en met name de resolutie van 27 februari 2014(1),

–       gezien de conclusies van de buitengewone zitting van de Raad Buitenlandse Zaken over Oekraïne van 3 maart 2014,

–       gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders over Oekraïne tijdens de Europese Raad van 6 maart 2014,

–       gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de Verchovna Rada op 27 februari 2014 de vorming van een nieuwe regeringscoalitie heeft bekendgemaakt; overwegende dat de nieuwe premier is aangetreden nadat 371 leden van het Oekraïense parlement voor hem hebben gestemd, waarbij dit aantal stemmen het totale aantal leden van de partijen die deel uitmaken van de regeringscoalitie ruimschoots overschrijdt,

B.     overwegende dat de Raad van de Russische Federatie president Poetin op 1 maart toestemming heeft verleend voor de inzet van Russische strijdkrachten op Oekraïens grondgebied; overwegende dat dit gebeurde op eigen verzoek van de president, onder het voorwendsel dat de situatie in Oekraïne een bedreiging vormde voor het leven van Russische burgers en het personeel van het op de Krim gestationeerde contingent van de Russische strijdkrachten;

C.     overwegende dat er recentelijk geen melding is gemaakt van aanvallen op of intimidatie van Russen of etnisch Russische burgers op de Krim;

D.     overwegende dat de belangrijkste infrastructuur en overheidsgebouwen van de grote steden in de Autonome Republiek van de Krim sinds 28 februari zijn geblokkeerd en ingenomen door troepen zonder insigne, waaronder eenheden van de in Oekraïne gestationeerde Russische Zwarte Zeevloot en andere eenheden van de strijdkrachten van de Russische Federatie; overwegende dat sinds het begin van de crisis naar verluidt minstens 6000 extra Russische troepen in Oekraïne zijn ingezet;

E.     overwegende dat het parlement van de Autonome Republiek van de Krim op 5 maart heeft gestemd vóór toetreding van de Krim tot de Russische Federatie, en dat op 16 maart in de Krim een referendum over deze kwestie zal worden gehouden;

F.     overwegende dat in andere steden in het oosten en zuiden van Oekraïne pro-Russische protesten en demonstraties hebben plaatsgevonden; overwegende dat de lokale autoriteiten de situatie onder controle hebben weten te houden;

H.     overwegende dat het Russische overheidsbedrijf Gazprom heeft gedreigd gasleveringen aan Oekraïne stop te zetten, tenzij het land zijn achterstallige betalingen voldoet;

I.      overwegende dat op alle niveaus krachtige diplomatieke maatregelen genomen moeten worden om de situatie te de-escaleren en te voorkomen dat de crisis in een neerwaartse spiraal terecht komt en onbeheersbaar wordt; overwegende dat de EU doeltreffend moet reageren, zodat Oekraïne in staat wordt gesteld om vrij van externe druk zijn soevereiniteit ten volle uit te oefenen en te genieten;

1.      veroordeelt de invasie van Oekraïne door Russische troepen ten stelligste en verzoekt Moskou zijn soldaten onmiddellijk en overeenkomstig eerdere bilaterale overeenkomsten terug te trekken op zijn militaire bases op de Krim, en daarmee de soevereiniteit en territoriale integriteit van zijn buurland te eerbiedigen;

2.      herinnert Rusland aan zijn wettelijke verplichtingen als ondertekenaar van het memorandum van Boedapest van 1994, waarin de partijen overeen zijn gekomen om bedreiging van of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van Oekraïne achterwege te laten; betreurt in dit verband het besluit van de Russische Federatie om de door de ondertekenaars van het memorandum bijeengeroepen vergadering van 5 maart in Parijs over de veiligheid van Oekraïne niet bij te wonen;

3.      verzoekt Rusland zijn gemaskerde mannen en soldaten in uniform zonder insigne op de Krim te gelasten de belegering van Oekraïense militaire installaties te staken en de blokkade van Oekraïense schepen op te heffen; benadrukt dat elke wijziging van de status van de Krim moet worden doorgevoerd in volledige overeenstemming met de in de grondwet van Oekraïne vastgelegde procedures en overeenkomstig het internationaal recht;

4.      roept Rusland en Oekraïne op rechtstreekse onderhandelingen te openen teneinde de spanning af te bouwen en verdere escalatie van de confrontatie op de Krim te voorkomen; verzoekt in dit verband om de inzet van een volwaardige monitoringmissie van de OVSE in de Autonome Republiek van de Krim;

5.      betreurt het feit dat onbekende gewapende mannen de speciale gezant van de VN, Robert Serry, hebben bedreigd, waarna hij gedwongen werd de Krim te verlaten, en verlangt dat OVSE-deskundigen, die tot op heden zijn gehinderd door lokale milities, toegang krijgen tot de Krim;

6.      betreurt het feit dat de besluiten van de Raad Buitenlandse Zaken van 3 maart over opschorting van de bilaterale gesprekken met de Russische Federatie over visakwesties en van de nieuwe overeenkomst en de voorbereiding van de G8-top, niet werden gevolgd door stringentere en effectievere politieke, economische en handelsgerelateerde maatregelen;

7.      wijst er in dit verband andermaal op dat de uitvoer van wapens en militaire technologie de stabiliteit en vrede in de hele regio in gevaar kan brengen; betreurt ten zeerste het feit dat EU-lidstaten op grote schaal wapens en militaire technologie naar Rusland hebben uitgevoerd, waaronder strategische conventionele capaciteiten; betreurt het feit dat tussen 2007 en 2011 wapens en technologie ter waarde van meer dan 900 miljoen EUR uit de EU naar Rusland zijn uitgevoerd; is ervan overtuigd dat deze uitvoer in elk geval een schending vormt van de criteria één (eerbiediging van internationale verplichtingen), twee (mensenrechten en eerbiediging van het internationaal recht inzake mensenrechten) drie (het bestaan van spanningen), vijf (nationale veiligheid van EU-lidstaten en bedreigingen van de regionale vrede, veiligheid en stabiliteit), en zes (eerbiediging van het internationaal recht) van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB inzake de uitvoer van wapens; verzoekt Frankrijk, Duitsland en Italië – de grootste uitvoerders van wapens naar Rusland – hun uitvoerbeleid ten aanzien van Rusland grondig te herzien, verantwoordelijkheid te nemen en te handelen in overeenstemming met de EU-regeling inzake wapenbeheersing; betreurt het feit dat de Franse regering heeft besloten ten minste twee ultramoderne Mistral-gevechtsschepen naar Rusland uit te voeren; brengt in herinnering dat het gevechtsschip Mistral een effectief offensief vermogen heeft, aangezien het 16 gevechtshelicopters, 4 landingsvaartuigen, 13 zware tanks en circa 450 soldaten vervoert; roept de Franse regering op de uitvoer te stoppen en het eersteklas gevechtsschip Mistral niet zoals gepland te leveren op 1 november 2014; is tevens bijzonder ontstemd over het feit dat de Duitse regering toestemming heeft gegeven voor de uitvoer van een ultramodern trainingscentrum door Rheinmetall, waarmee Rusland in staat wordt gesteld circa 30.000 infanterie- en gewapende eenheden per jaar op te leiden; roept de Duitse regering op de samenwerking tussen Rheinmetall en de Russische strijdkrachten onmiddellijk te beëindigen;

8.      benadrukt dat het besluit van Rusland om militair te interveniëren op de Krim een schending vormt van de fundamentele beginselen van de Raad van Europa en van de Slotakte van Helsinki; verzoekt de EU-lidstaten in dit verband om alle procedures in werking te stellen om het lidmaatschap van de Russische Federatie van de Raad van Europa op te schorten; verlangt voorts dat Rusland wordt geschorst uit de G8;

9.      wijst erop dat de zwakke reactie van de EU op de invasie van Oekraïne door Rusland tevens voortkomt uit het feit dat de EU voor haar energievoorziening in sterke mate afhankelijk is van de Russische Federatie; is in dit verband van mening dat het van het grootste belang is dat op de middellange termijn de afhankelijkheid van de EU van Moskou en van andere autoritaire regimes wordt teruggebracht en dat de mogelijkheid van een volledige boycot wordt overwogen, waarbij concrete alternatieven worden ontwikkeld ter ondersteuning van de lidstaten die thans geen andere energiebron hebben dan Rusland; verzoekt de Commissie in dit verband te werken aan de volledige tenuitvoerlegging van het derde energiepakket, en de projecten in de zuidelijke corridor te ondersteunen die op doeltreffende wijze een meer diverse energievoorziening tot stand brengen, en roept de lidstaten op hun overheidsbedrijven niet te laten deelnemen aan projecten met Russische bedrijven die de Europese kwetsbaarheid vergroten; verzoekt de Europese Raad tevens om voor 2030 bindende nationale doelen vast te leggen voor duurzame energie en energie-efficiëntie waarmee de Europese afhankelijkheid van de invoer van fossiele brandstoffen wordt verminderd, overeenkomstig de effectbeoordeling van de Commissie bij haar mededeling over het klimaat- en energiepakket voor 2030, die op de agenda staat voor de Europese Raad van 20-21 maart;

10.    verzoekt de Commissie om op zo kort mogelijke termijn de noodzakelijke maatregelen te nemen die Oekraïne in staat stellen een energiecrisis het hoofd te bieden, mocht Rusland de gasleveringen aan Kiev stopzetten;

11.    betreurt voorts dat de Europese Raad heeft besloten geen visumbeperkingen op te leggen aan Russische functionarissen die als bedreigend voor de soevereiniteit van Oekraïne worden beschouwd, zoals de Amerikaanse overheid daarentegen wel heeft gedaan; verlangt dat dergelijke maatregelen worden genomen, en roept tevens op tot bevriezing van tegoeden in de EU van degenen die het doelwit van de sancties zijn en tot het intensiveren van het onderzoek naar witwaspraktijken bij Russische tegoeden in de EU;

12.    is ingenomen met het besluit van de Raad van 3 maart om tegoeden van personen van wie is vastgesteld dat zij verantwoordelijk zijn voor de verduistering van overheidsmiddelen in Oekraïne te bevriezen en te recupereren, en verwacht volledige medewerking van de financiële instellingen van alle lidstaten;

13.    is ingenomen met het uitgebreide hulppakket voor Oekraïne dat de Commissie heeft voorgesteld, en verlangt dat het pakket snel ten uitvoer wordt gelegd; vestigt echter de aandacht op de dramatische sociale situatie in het land, en verlangt dat het pakket hand in hand gaat met maatregelen ter verlichting van de huidige situatie;

14.    herhaalt nogmaals zijn oproep een onafhankelijke commissie in het leven te roepen die snel en volledig operationeel is en die de schendingen van de mensenrechten onderzoekt welke hebben plaatsgevonden sinds het begin van de demonstraties, zulks in nauwe samenwerking met en onder toezicht van het internationale adviespanel van de Raad van Europa;

15.    veroordeelt alle vormen van intimidatie en pesterij en alle bedreigingen van leden en activisten van partijen die de nieuwe regering niet steunen, en verlangt dat deze praktijken onmiddellijk een halt wordt toegeroepen; verlangt dat alle wetshandhavingstaken in Kiev spoedig weer aan de politie worden overgedragen, en roept de volledige Euromajdan ertoe op zich te onthouden van elke bemoeienis met de handhaving van de openbare orde;

16.    is ingenomen met het besluit van de waarnemend president om de wet tot intrekking van de wet op het taalbeleid van 3 juli 2012 niet te ondertekenen, en verzoekt de Verchovna Rada de huidige wetgeving ten langen leste te hervormen en deze in overeenstemming te brengen met de verplichtingen die Oekraïne is aangegaan in het kader van het Europees Handvest voor regionale en minderheidstalen;

17.    wijst erop dat het voorstel om de associatieovereenkomst te ondertekenen nog steeds van kracht is en dat de EU bereid blijft deze overeenkomst te ondertekenen zodra de huidige politieke crisis is opgelost en mits wordt voldaan aan de door de Raad Buitenlandse Zaken in december 2012 vastgestelde criteria en de Oekraïense grondwet ondertekening mogelijk maakt; neemt in dit opzicht kennis van het besluit van de Raad om unilaterale maatregelen te nemen die Oekraïne in staat stellen te profiteren van de voordelen die de diepe en brede vrijhandelszone biedt;

18.    verwacht dat de Raad en de Commissie samen met het IMF, de Wereldbank, de EBWO en de EIB, zo spoedig mogelijk met een langetermijnpakket van concrete financiële steunmaatregelen komen om Oekraïne te helpen de steeds slechter wordende economische en maatschappelijke situatie te verbeteren en de economische steun te verschaffen om de noodzakelijke grondige en grootscheepse economische hervormingen in gang te zetten;

19.    herhaalt zijn standpunt dat de snelle afronding van de overeenkomst inzake visumvrijstelling tussen de EU en Oekraïne het beste antwoord is op de verzoeken van de Oekraïense maatschappelijke organisaties en studenten die de afgelopen dagen op de pleinen van het land hebben betoogd voor de Europese keuze van Oekraïne; wijst erop dat deze overeenkomst de uitwisseling en de intermenselijke contacten tussen de verschillende samenlevingen zal bevorderen en vergemakkelijken, en aldus het wederzijds begrip zal vergroten en de Oekraïense bevolking de gelegenheid zal bieden vertrouwd te raken met Europese normen en optimale praktijken op allerlei gebieden; dringt, in afwachting van de afronding van deze overeenkomst, aan op de onmiddellijke invoering van eenvoudige en goedkope visumprocedures op tijdelijke basis;

20.    verzoekt de Commissie voorts om samen met de Oekraïense autoriteiten te onderzoeken hoe tegenwicht kan worden geboden aan de pressiemaatregelen die door Moskou zijn genomen om te voorkomen dat Oekraïne een associatieovereenkomst met de EU tekent;

21.    meent voorts dat de tijd gekomen is om Oekraïne een echt Europees perspectief te bieden zodra het land concreet bewijst bereid te zijn om hervormingen door te voeren en de waarden van de EU over te nemen en te delen;

22.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van Oekraïne, de Raad van Europa, de OVSE, en de president, regering en het parlement van de Russische Federatie.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0170.

Juridische mededeling - Privacybeleid