Procedure : 2013/2711(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0434/2014

Ingediende teksten :

B7-0434/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/04/2014 - 9.15
CRE 17/04/2014 - 9.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 126kWORD 64k
15.4.2014
PE534.911v01-00
 
B7-0434/2014

naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B7‑0118/2014

ingediend overeenkomstig artikel 115, lid 5, van het Reglement


over de follow-up van de Commissie van de "top 10"-raadpleging over EU‑regels voor kleine en middelgrote ondernemingen (2013/2711(RSP))


Reinhard Bütikofer namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de follow-up van de Commissie van de "top 10"-raadpleging over EU-regels voor kleine en middelgrote ondernemingen (2013/2711(RSP))  
B7‑0434/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien het Europees Handvest voor kleine bedrijven, dat de Europese Raad op 19 en 20 juni 2000 in Feira heeft aangenomen,

–       gezien Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(1),

–       gezien het verslag van de Commissie van 23 november 2011 "Regeldruk voor het mkb verminderen – EU-regelgeving aanpassen aan de behoeften van micro-ondernemingen" (COM(2011)0803),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 23 februari 2011 "Evaluatie van de "Small Business Act" voor Europa" (COM(2011)0078),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–       gezien het voorstel van de Commissie van 30 november 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kleine en middelgrote ondernemingen (2014‑2020) (COM(2011)0834),

–       gezien de conclusies van de Europese Raad van 14 en 15 maart 2013 en de conclusies van de Raad Concurrentievermogen van 26 en 27 september 2013,

–       gezien de mededeling van de Commissie van 18 juni 2013 "Follow‑up van de Commissie van de "top 10"-raadpleging over EU-regels voor kleine en middelgrote ondernemingen" (COM(2013)0446),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 7 maart 2013 "Slimme regelgeving – Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen" (COM(2013)0122) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie "Monitoring and Consultation on Smart Regulation for SMEs" (SWD(2013)0060),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 "Gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): resultaten en volgende stappen" (COM(2013)0685),

–       gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 "Midden- en kleinbedrijf (mkb): concurrentievermogen en zakelijke kansen"(2),

–       gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie "Exploiting the employment potential of green growth" van 18 april 2012, begeleidend document bij de mededeling van de Commissie "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)2012 final);

–       gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571),

–       gezien het werkdocument van de Commissie van 10 oktober 2012 "European Competitiveness Report 2012: Reaping the benefits of globalisation" (SWD(2012)0299),

–       gezien de vraag aan de Commissie over de "top 10"-raadpleging en de vermindering van de EU-regeldruk voor kmo's (O‑000049/2014 – B7‑0118/2014),

–       gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat vergroting van de steun voor kmo's, met betrekking tot hun concurrentievermogen, duurzaamheid en werkgelegenheidspotentieel, van essentieel belang is voor het economisch herstel in Europa en deel uitmaakt van horizontale maatregelen die verschillende beleidsterreinen overspannen;

B.     overwegende dat 20,7 miljoen kmo's momenteel ruim 65 % van de werknemers in de particuliere sector in dienst hebben en dat kmo's tot de meest innoverende bedrijven behoren, met de beste prestaties wat betreft het scheppen van nieuwe banen en economische groei;

C.     overwegende dat regelgeving een kader biedt voor een evenwichtige verhouding tussen publieke en particuliere belangen en cruciaal is voor de implementatie van milieu- en sociale normen;

D.     overwegende dat moeten worden gestreefd naar een vereenvoudiging van de EU-regelgeving waarbij de EU-voorschriften inzake de gezondheid en veiligheid op het werk, de EU-rechten of beginselen voor werknemers en de doelstellingen van de EU-milieuwetgeving worden geëerbiedigd;

E.     overwegende dat voor kmo's niet alleen administratieve vereenvoudiging nodig is, maar ook een betere toegang tot financiering, toegang tot informatie, kennis en vaardigheden, en ondersteuning voor hun innovatieve inspanningen;

F.     overwegende dat kmo's vaak een nadelige concurrentiepositie hebben ten opzichte van grote industriële spelers op het gebied van belastingen, standaardisatie, overheidsopdrachten, intellectuele eigendom, onderzoek en innovatiefinanciering;

G.     overwegende dat een aanzienlijk deel van de administratieve lasten die aan de EU-wetgeving worden toegeschreven wordt veroorzaakt door de nationale implementatie of nationale aanvullende voorschriften;

H.     overwegende dat beleidsmaatregelen ter bevordering van de overgang naar een groene economie, zoals efficiënt gebruik van hulpbronnen en energie-efficiëntie, en beleidsmaatregelen met betrekking tot klimaatverandering volgens ramingen van de Commissie tegen 2020 meer dan 9 miljoen banen zouden kunnen scheppen, met name in de kmo-sector;

1.      steunt het proces van slimme regelgeving dat ervoor moet zorgen dat de regels gerechtvaardigd zijn, niet-discriminerend en evenredig, en toegepast op een wijze die niet leidt tot buitensporige administratieve lasten voor kmo's;

2.      is ingenomen met de toepassing van het "think small"-principe en soortgelijke processen om ervoor te zorgen dat de impact voor kmo's beter wordt begrepen in de hele regelgevingscyclus; gelooft dat het de doeltreffendheid van de EU-wetgeving kan verbeteren, de implementatie door de lidstaten kan vereenvoudigen en de constructieve betrokkenheid van kmo's bij toekomstig overleg kan vergemakkelijken;

3.      neemt kennis van het "top 10"-initiatief van de Commissie als onderdeel van de REFIT-maatregelen; is van mening dat de kmo-test, de "fitheidscontroles" en concurrentievermogentests geen geïsoleerde processen moeten zijn, maar onderdeel moeten vormen van een uitgebreide effectbeoordeling die een evenwichtige afweging maakt van alle aspecten (zoals economische, sociale en milieufactoren) en niet alleen de kosten evalueert, maar ook de voordelen voor de samenleving en de mogelijkheden voor nieuwe markten; is van mening dat deze processen niet de effectiviteit van de wetgeving mogen ondermijnen of extra lagen van bureaucratie toevoegen;

4.      wijst er met nadruk op dat de inspanningen ter vereenvoudiging van de regelgeving niet mogen worden gebruikt als een voorwendsel om de ambities te verlagen met betrekking tot zaken die van vitaal belang zijn voor de veiligheid en het welzijn van werknemers of de bescherming van het milieu; waarschuwt tegen de bevordering van een dereguleringsagenda onder het mom van vermindering van de lasten voor kmo's; verzoekt de Commissie haar ambities niet te verlagen, en dringt aan op waarborging van de doelstellingen van openbaar beleid met betrekking tot milieu-, sociale en gezondheids- en veiligheidsnormen;

5.      is ingenomen met de verklaringen van de Raad in zijn conclusies van maart en oktober 2013, dat bij maatregelen om buitensporig belastende regelgeving op EU- en nationaal niveau te beperken altijd recht moet worden gedaan aan de noodzaak burgers, consumenten, kwetsbare groepen en werknemers te beschermen;

6.      van mening dat standaardvrijstellingen voor micro-ondernemingen niet de juiste benadering zijn, en steunt de ontwikkeling van aangepaste oplossingen en lichtere regels voor kmo's waar kan worden aangetoond dat deze niet de effectiviteit van de wetgeving ondermijnen, en dat vrijstellingen of lichtere regelingen niet tot versnippering leiden of de toegang tot de interne markt belemmeren;

7.      moedigt de lidstaten aan op nationaal niveau administratieve vereenvoudiging voor kmo's door te voeren door een adequate omzetting van Europese richtlijnen in nationale wetgeving; onderstreept dat de lidstaten uiteraard het recht hebben om nationale regelgeving in te voeren indien de EU slechts minimumvoorschriften heeft vastgesteld;

8.      geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de mogelijke gevolgen van de agenda inzake vereenvoudiging van de regelgeving voor de rechten van werknemers in de EU, en met name over het risico dat de herziening van de richtlijn inzake informatie en raadpleging van werknemers, de vereenvoudiging van de regels voor cabotage, de herziening van de richtlijnen over deeltijd- en tijdelijk werk en de beslissing om de richtlijn over kankerverwekkende stoffen niet te herzien nadelige gevolgen voor de werknemers kunnen hebben; herinnert aan de plicht van de Commissie om de grondrechten in aanmerking te nemen bij het opstellen van effectbeoordelingen;

9.      is van mening dat bij wetgevingsprocessen, zoals die betreffende de normalisatie, intellectuele eigendom, onderzoek en innovatie of overheidsopdrachten, meer rekening moet worden gehouden met de standpunten van kmo's; betreurt de terughoudendheid van de Raad om meer aandacht te besteden aan de behoeften van kmo's bij de goedkeuring van wetgeving;

10.    verzoekt de Commissie zich harder in te spannen om ervoor te zorgen dat met name innovatiegerichte kmo's beter kunnen gedijen door verlening van gerichte niet-financiële en financiële steun en versoepeling van de toegang tot financiering, markten, vaardigheden en informatie;

11.    meent dat kmo's belastingtechnisch vaak in een nadelige positie verkeren vergeleken met grote ondernemingen, waardoor hun potentiële groei en investeringen geremd worden; is voorstander van een betere coördinatie van de stelsels voor de vennootschapsbelasting in de EU via de invoering van een geharmoniseerde heffingsgrondslag, die vergezeld moet gaan van maatregelen om belastingontduiking en agressieve belastingplanning te bestrijden; is van mening dat de beëindiging van oneerlijke fiscale concurrentie tussen de lidstaten en tussen kleine en grote bedrijven een essentieel onderdeel is van een geïntegreerd Europees industriebeleid;

12.    is verheugd over de maatregelen in de zin van artikel 7 van het COSME-voorstel, die zijn ontworpen ter bevordering van ondernemerschap en een ondernemerscultuur; verwacht dat de maatregelen en acties ter bevordering van ondernemerschap op Europees of nationaal niveau gelden voor alle types van ondernemingsmodellen, met inbegrip van coöperaties, ambachtelijke bedrijven, vrije beroepen en sociale ondernemingen;

13.    wijst op het verslag over het concurrentievermogen van de Europese Commissie van 2012, waarin de positieve effecten van milieu-innovatie en hulpbronnen- en energie-efficiëntie op het concurrentievermogen van de EU worden benadrukt, en wordt aangetoond dat milieu-innovatieve ondernemingen over het algemeen beter presteren dan conventionele innovatoren, met name wanneer het gaat om productiebedrijven; gelooft dat hulpbronnen- en energie-efficiëntie de sleutel vormt tot verbetering van het concurrentievermogen van de Europese industrie en kmo's; dringt er bij de Raad op aan een streefdoel voor hulpbronnenefficiëntie (30 % in 2030 volgens het voorstel van het Europees platform voor efficiënt hulpmiddelengebruik) en ambitieuze en bindende energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030 vast te stellen; dringt er bij de Commissie op aan de doelstellingen van de EU-investeringsfinanciering te schragen met eco-innovatie, met name Horizon 2020 en de innovatie-ondersteuning voor kmo's;

14.    wijst op het werkgelegenheidspotentieel van de groene economie, mits een ambitieus beleid wordt gevoerd op het terrein van klimaatverandering en energie- en hulpbronnenefficiëntie; verzoekt de lidstaten te zorgen voor voldoende investeringen in deze sectoren, in te spelen op in de toekomst vereiste vaardigheden voor werknemers en de kwaliteit van "groene banen" te garanderen; dringt er bij de Commissie op aan de lacunes aan te pakken in kmo's op het gebied van kennis en vaardigheden met betrekking tot groene technologieën, praktijken en bedrijfsmodellen, en de ontwikkeling van voorlichtings- en beroepsopleidingsstrategieën en ‑programma's voor kmo's te ondersteunen;

15.    wijst op het potentieel van de interne markt voor kmo's en vestigt de aandacht op het feit dat slechts 25 % van de kmo's betrokken is bij grensoverschrijdende handel in de EU; verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken om de integratie van de interne markt te verbeteren en, waar mogelijk, de inspanningen te vergroten om harmonisatie van de regelgeving in alle lidstaten te bereiken ter bevordering van de grensoverschrijdende handel door kmo's;

16.    is ingenomen met de oprichting van de door de EU gefinancierde schuld- en vermogensfaciliteiten voor kmo's en de versterking van risicokapitaal en netwerken van business angels en starterscentra in de EU, zodat kmo's bij andere bronnen dan banken investeringen kunnen aanvragen; is van mening dat het Europees Investeringsfonds een cruciale rol heeft als overkoepelend fonds voor de ontwikkeling van markten voor risicokapitaal in focusgebieden van Europees belang, en in het bijzonder voor de invoering van duurzame technologieën; is van mening dat het verschil in belastingheffing op eigen of vreemd vermogen moet worden opgeheven om investeringen in de reële economie te verbeteren;

17.    verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe crowdfunding, op aandelen gebaseerde crowdfunding en peer‑to‑peer-leningen verder gesteund kunnen worden om micro-ondernemingen en kmo's te helpen, ook in de culturele sector en non-profit-sectoren, en een robuust regelgevingskader voor crowdfunding te ontwikkelen;

18.    beschouwt de raadpleging van kmo's als zeer nuttig; is bezorgd over herziening door de Commissie van de "top 10"-wetten die de meeste administratieve belasting geven, en stelt voor een meer constructieve benadering te volgen die meer focust op de behoeften van kmo's dan op een beoordeling van wat als regeldruk kan worden beschouwd; verzoekt de Commissie kmo's op regelmatige basis te raadplegen via de Eurobarometer; wijst echter op de zeer onevenwichtige geografische spreiding van de reacties op het "top 10"-raadplegingsproces; verzoekt de Commissie een evaluatie achteraf uit te voeren van de redenen van die onevenwichtige spreiding om ervoor te zorgen dat de verzamelde informatie niet wordt vertekend door kennisgebrek of andere factoren waardoor de verzamelde feedback mogelijk geen juist beeld geeft van de realiteit;

19.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

(1)

PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(2)

PB C 68 E van 7.3.2004, blz. 40.

Juridische mededeling - Privacybeleid