Procedure : 2014/2713(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0027/2014

Ingediende teksten :

B8-0027/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/07/2014 - 10.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0010

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 130kWORD 63k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0027/2014
15.7.2014
PE534.971v01-00
 
B8-0027/2014/rev.

naar aanleiding van een verklaring van Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over werkgelegenheid voor jongeren (2014/2713(RSP))


Terry Reintke, Karima Delli, Monika Vana, Tamás Meszerics, Tatjana Ždanoka, Jean Lambert, Helga Trüpel, Ernest Urtasun, Jill Evans, Ska Keller, Jordi Sebastià, Bas Eickhout, Ernest Maragall namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over werkgelegenheid voor jongeren (2014/2713(RSP))  
B8‑0027/2014/rev.

Het Europees Parlement,

–       gezien de door de Europese Raad van 27 juni 2014 bekendgemaakte prioriteiten van de Raad,

–       gezien de op 28 februari 2013 in de Raad bereikte politieke overeenstemming over een aanbeveling van de Raad over de invoering van een jongerengarantie,

–       gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 februari 2013 over een jongerenwerkgelegenheidsinitiatief,

–       gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(1),

–       gezien zijn resolutie van januari 2013 over een jongerengarantie(2),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013 over het werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (COM(2013)0144),

–       gezien het voorstel van de Commissie van 5 december 2012 voor een tweede fase van de raadpleging van de sociale partners op Europees niveau inzake een kwaliteitskader voor stages (COM(2012)0728),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage in de EU meer dan 22 % bedraagt en in sommige lidstaten meer dan 55 %; overwegende dat 13 % van alle Europeanen onder de 25 jaar niet werkt en geen onderwijs of opleiding volgt, 12 % van alle kinderen de school verlaat zonder het middelbaar onderwijs te hebben afgerond en meer dan 10 % van alle EU-burgers in een huishouden woont waar niemand een baan heeft; overwegende dat deze situatie ernstige sociale gevolgen kan hebben voor de samenleving en het individu en dat deze problemen maar blijven toenemen, waardoor er een verloren generatie dreigt te ontstaan;

B.     overwegende dat in de 28 lidstaten van de EU in 2012 29,7 % van de jongeren (15-29 jaar) het risico liep in armoede te vervallen of in een sociaal isolement terecht te komen;

C.     overwegende dat meer dan de helft van de jonge Europeanen van mening is dat jongeren in hun land gemarginaliseerd zijn en uitgesloten van deelname aan het economisch en maatschappelijk leven;

D.     overwegende dat 42 % van de in de EU werkzame jongeren in 2012 een tijdelijk contract had tegenover 13 % van de volwassen werknemers en dat, met dit in het achterhoofd, 1 op de 5 jongeren vreest zijn baan te verliezen;

E.     overwegende dat dit grote aantal jongeren dat werkloos is en geen onderwijs of opleiding volgt ook een mensenrechtenaspect heeft en gevolgen kan hebben op het gebied van de schending van de mensenrechten; overwegende dat om deze situatie te kunnen aanpakken er moet worden uitgegaan van de rechten van personen;

F.     overwegende dat blijkt dat de huidige crisismaatregelen, namelijk minder overheidsuitgaven in de crisislanden, rechtstreeks een negatieve impact op jongeren hebben als gevolg van besparingen op het gebied van onderwijs, het scheppen van banen en ondersteunende diensten; overwegende dat momenteel beleid voor jongeren wordt ontwikkeld zonder dat de jongeren zelf en andere belanghebbenden daarin gekend worden;

Europese Raad

1.      betreurt dat de door de Europese Raad op 27 juni 2014 bekendgemaakte prioriteiten, die dienen als strategische agenda voor de EU en de nieuwe Europese Commissie, geen gerichte maatregelen bevatten ter ondersteuning van het scheppen van hoogwaardige banen voor jongeren;

2.      betreurt de annulering van de voor 11 juli 2014 geplande top van staatshoofden en regeringsleiders in Turijn, die was bedoeld als vervolg op de top in Berlijn van juli 2013 en de top in Parijs van november 2013; benadrukt dat hier een verkeerd signaal van uitgaat naar jonge Europeanen;

3.      benadrukt in het licht van de gevolgen die de crisis voor jongeren heeft dat meer betrokkenheid van en beter toezicht door de lidstaten noodzakelijk is om de situatie van jongeren te verbeteren; doet in dit verband een oproep aan de lidstaten om het onderwerp jeugdwerkloosheid aan de orde te stellen op de volgende informele EPSCO-raadszitting op 17 en 18 juli in Milaan en maatregelen en beleid te ontwikkelen in plaats van verklaringen af te leggen;

Een op rechten gebaseerde benadering van werkgelegenheid

4.      dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op een op rechten gebaseerde benadering van jongeren en werkgelegenheid; benadrukt dat de kwaliteit van het werk voor jongeren in het bijzonder in tijden van ernstige crisis niet in gevaar mag komen;

5.      verzoekt de lidstaten er zorg voor te dragen dat jongeren toegang hebben tot hoogwaardige banen die hun rechten waarborgen, onder meer het recht op stabiliteit en veiligheid door middel van een baan die een fatsoenlijk en billijk salaris en sociale bescherming biedt en het leiden van een veilig, waardig en autonoom leven mogelijk maakt;

6.      onderstreept dat er een einde moet worden gemaakt aan discriminatie op grond van leeftijd waar het gaat om toegang tot sociale uitkeringen, waaronder ook voorwaardelijke toegang tot een werkloosheidsuitkering; benadrukt dat het opleggen van een lager minimumloon aan jongeren, ongeacht werkervaring of bekwaamheid, niet alleen een geringschatting van de kwetsbaarste mensen op de arbeidsmarkt vormt, maar ook een duidelijk bewijs is van discriminatie op grond van leeftijd;

7.      wijst erop dat op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen niet alleen beschouwd moeten worden als een manier om tegemoet te komen aan de vraag op de arbeidsmarkt, maar ook deel moeten uitmaken van een omvattende benadering die bij niet-formeel en informeel onderwijs opgedane vaardigheden erkent en de tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van levenslang leren ondersteunt;

8.      verzoekt de Commissie de kwestie van onzekere banen aan de orde te stellen en te zorgen voor contractuele regelingen, en zich te buigen over een voorstel voor een EU‑richtlijn waarmee de segmentatie op de arbeidsmarkt wordt tegengegaan en jongeren worden beschermd tegen onzekere dienstverbanden;

9.      verzoekt de Commissie onsamenhangende en soms destructieve crisismaatregelen grondig te beoordelen en vervolgens te beëindigen; benadrukt dat er dringend meer nodig is dan publieke toezeggingen op het gebied van jeugdwerkloosheid; verzoekt de Commissie niet te besparen op investeringen die gericht zijn op werkgelegenheid voor jongeren, zoals het scheppen van banen, onderwijs, opleiding en onderzoek en ontwikkeling, aangezien deze niet alleen van essentieel belang zijn om de crisis op duurzame wijze te boven te komen maar ook om de economie van de EU te verankeren in concurrentievermogen en duurzame productiviteit;

10.    wijst er andermaal op dat het moeilijk vinden van fatsoenlijke huisvesting een zeer groot probleem voor jongeren is omdat huisvesting een voorwaarde kan zijn om werk te vinden en vice versa; herinnert eraan dat toegang tot huisvesting een grondrecht is;

11.    verzoekt de Commissie samen met de lidstaten die in bepaalde regio's een jeugdwerkloosheid van meer dan 25 % kennen, een éénjarig steunplan te ontwikkelen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken door banen te scheppen voor minstens 10 % van de getroffen jongeren; benadrukt dat regionaal en lokaal werkgelegenheidsbeleid een belangrijke rol speelt en verzoekt de lidstaten en de Commissie de uitwisseling van optimale praktijken te vergemakkelijken;

12.    benadrukt dat vrijheid van verkeer een elementair recht is; onderstreept voorts dat jongeren ook in hun eigen gemeenschap kans op het vinden van werk moeten hebben en dat de in Europa geografisch ongelijk verdeelde kansen voor jongeren aangepakt moeten worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat beleidsmaatregelen worden ontwikkeld ter ondersteuning van de terugkeer van jongeren naar hun land van herkomst, teneinde een "brain drain" en verlies van menselijk kapitaal te voorkomen;

13.    herinnert eraan dat het voornamelijk jonge werknemers – met name vrouwen en migranten – zijn die onzekere dienstverbanden, slecht betaalde, tijdelijke en slecht beschermde banen en stages hebben; wijst er nogmaals op dat de economische kosten van steeds onzekerder wordende dienstverbanden en toenemende ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in de EU substantieel zijn, en dat deze situatie de sociale zekerheid en zorgstelsels ondermijnt en het Europees sociaal model in gevaar brengt;

14.    herinnert eraan dat een constructieve sociale dialoog bijdraagt aan het garanderen van banen en werkgelegenheid; wijst erop dat sociale partnerschappen een elementaire verworvenheid van de EU-arbeidsmarkt zijn en dat deze partnerschappen een cruciale rol spelen bij de integratie van jonge werknemers in de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie overeenkomsten tussen de sociale partners te steunen;

Onderwijs

15.    verzoekt de lidstaten niet alleen lippendienst te bewijzen aan hervormingen op het gebied van onderwijs en opleiding, maar ook echt werk te maken van toegankelijkheid, investeringen en kwaliteit en zo een duurzaam langetermijnbeleid uit te stippelen; herinnert eraan dat het cruciaal is zich te richten op de overgang tussen de verschillende onderwijs- en opleidingstrajecten, relevante en aantrekkelijke curricula aan te bieden, een solide en goed ontwikkeld studiebegeleidingssysteem voor alle studenten te realiseren en bij niet-formeel en informeel leren opgedane vaardigheden te erkennen; onderstreept dat een holistische en inclusieve benadering van onderwijs essentieel is om alle kinderen en jongeren te bereiken; benadrukt dat inkomenszekerheid en vertrouwen in de arbeidsmarktvooruitzichten basisvoorwaarden zijn om voor hoger onderwijs te kiezen en dat jongeren met een groter risico op uitsluiting hierdoor nog meer worden getroffen;

16.    dringt er bij de lidstaten op aan krachtige maatregelen te treffen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en uitsluiting, met name door preventief op te treden tegen vroegtijdige schoolverlating of voortijdige uitval uit opleidings- en stageprogramma's (bijvoorbeeld door een duaal onderwijssysteem of andere kaders met een vergelijkbare doeltreffendheid op te zetten);

17.    benadrukt dat sociale investeringen ten behoeve van jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen zal leiden tot een verlaging van het huidige economisch verlies doordat deze jongeren niet in de arbeidsmarkt geïntegreerd zijn, dat door Eurofound wordt geraamd op 153 miljard euro, ofwel 1,2 % van het bbp van de EU;

Jongerengarantie, YEI en QFT:

18.    is ingenomen met het feit dat de jongerengarantie wordt genoemd in het merendeel van de landenspecifieke aanbevelingen; verlangt evenwel dat de tenuitvoerlegging op transparantere wijze wordt gecontroleerd en dat meer ambitie wordt getoond bij het aanspreken van de lidstaten die in dit verband geen vooruitgang boeken;

19.    verlangt dat de controle op de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie efficiënt verloopt en dat regelmatig bekend wordt gemaakt of de lidstaten al dan niet vooruitgang boeken; verzoekt de Commissie om nauwkeurige monitoring van de kwesties die aan het licht zijn gekomen in de landenspecifieke aanbevelingen van 2014 en die betrekking hebben op de kwaliteit van het aanbod en het gebrek aan actieve hulp aan jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen, de administratieve capaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en het gebrek aan effectieve inzet van alle relevante partners; benadrukt dat onder ‘monitoring’ ook het organiseren van onderzoeksmissies wordt verstaan, waarbij regeringen, partijen in nationale parlementen en ngo’s worden gehoord;

20.    onderstreept nogmaals dat het voornemens is nauwlettend toe te zien op de activiteiten van alle lidstaten om de jongerengarantie te verwezenlijken, en vraagt jongerenorganisaties het Parlement op de hoogte te houden van hun beoordelingen van het optreden van de lidstaten; verlangt dat de lidstaten en de Commissie jonge belanghebbenden betrekken bij het ontwikkelen van beleid;

21.    dringt erop aan dat de lidstaten verder gaan dan de aanbeveling van de Raad van maart 2014 over een kwaliteitskader voor stages en stagiairs duidelijk omschreven rechten bieden, waaronder toegang tot sociale bescherming, schriftelijke en bindende contracten en een billijke bezoldiging, zodat de garantie bestaat dat jongeren niet worden gediscrimineerd bij hun betreding van de arbeidsmarkt;

22.    onderstreept dat the werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren moet worden beschouwd als een stimulans voor alle lidstaten om gebruik te maken van het Europees Sociaal Fonds voor financiering van jongerenprojecten in ruimere zin, met name terzake van armoede en sociale insluiting; vraagt de Commissie erop te letten in hoeverre gebruik wordt gemaakt van middelen uit het ESF ten behoeve van projecten voor jongeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten de organen die belast zijn met de tenuitvoerlegging van het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief alle technische bijstand te bieden die vereist is nu de projecten snel vruchten moeten afwerpen;

23.    herinnert eraan dat de twee overkoepelende doelstellingen van de strategie voor jongeren (het creëren van gelijke kansen voor jongeren op de arbeidsmarkt en de bevordering van sociale inclusie) verre van verwezenlijkt zijn en verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem zich te realiseren dat de crisis een enorme impact heeft op de maatschappelijke participatie van jongeren;

Investeringen en de macro-economische dimensie

24.    onderstreept dat op de aanbodzijde gerichte maatregelen, zoals de ontwikkeling van vaardigheden en arbeidsmarktregulering, weliswaar een rol kunnen spelen bij de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, maar dat meer rekening gehouden moet worden met macro-economische factoren en de vraagzijde; herinnert eraan dat meer investeringen in jongeren en in met jongeren verband houdende gebieden beschouwd moeten worden als investeringen in de toekomst van Europa;

25.    dringt erop aan dat de lidstaten investeren in het scheppen van banen, in het bijzonder in sectoren met toekomstgerichte en groene banen, en zich daarbij met name richten op werkgelegenheid voor jongeren; benadrukt dat deze investering moet worden beschouwd als een cruciale investering in de toekomst van Europa;

26.    verzoekt de Commissie aanbevelingen op te stellen over de vraag in hoeverre het mogelijk is in de EU een gemeenschappelijk niveau voor werkloosheidsuitkeringen vast te stellen, gerelateerd aan het voormalige salaris van de werkloze; dringt er voorts bij de Commissie op aan onderzoek te doen naar automatische stabilisatoren op EU-niveau waarmee landenspecifieke economische schokken kunnen worden opgevangen;

27.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.

 

(1)

PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 30.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0016.

Juridische mededeling - Privacybeleid