Procedure : 2014/2713(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0052/2014

Ingediende teksten :

B8-0052/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/07/2014 - 10.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 127kWORD 57k
15.7.2014
PE536.953v01-00
 
B8-0052/2014

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over werkgelegenheid voor jongeren (2014/2713(RSP))


Anthea McIntyre, Ulrike Trebesius, Arne Gericke, Jana Žitňanská, Zdzisław Marek Krasnodębski, Ruža Tomašić namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over werkgelegenheid voor jongeren (2014/2713(RSP))  
B8‑0052/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn resolutie 2013/2176(INI) van 15 april 2014(1),

–       gezien de op 2 juni 2014 uitgebrachte landenspecifieke aanbevelingen,

–       gezien het verslag van de taskforce ondernemingen van de Britse regering (oktober 2013),

–       gezien de mededeling van de Commissie (COM(2013)0685),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de bestrijding van jeugdwerkloosheid voor alle lidstaten een prioriteit blijft;

B.     overwegende dat de verantwoordelijkheid voor de invulling van het werkgelegenheidsbeleid, met inbegrip van het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren, in de eerste plaats bij de lidstaten ligt, en dat dergelijke maatregelen het best op nationaal niveau worden getroffen;

C.     overwegende dat de oorzaken van jeugdwerkloosheid in de EU van lidstaat tot lidstaat verschillen en onderliggende structurele problemen op de arbeidsmarkt kunnen omvatten; overwegende dat de situatie en de problemen waarmee jongeren te kampen hebben, niet overal dezelfde zijn en dat bepaalde groepen onevenredig hard getroffen worden en op maat gesneden oplossingen behoeven;

D.     overwegende dat jeugdwerkloosheid ook in verband kan worden gebracht met verscheidene factoren buiten de arbeidsmarkt of het onderwijs, bijvoorbeeld de rol van het gezin;

E.     overwegende dat kmo's en micro-ondernemingen momenteel voor 90 miljoen banen in de Europese privésector zorgen;

F.     overwegende dat 20,7 miljoen kmo's meer dan 67 % van de tewerkstelling in de privésector voor hun rekening nemen en dat 30 % daarvan afkomstig is van micro-ondernemingen;

G.     overwegende dat kmo's en micro-ondernemingen een enorm potentieel voor het scheppen van werkgelegenheid bezitten en verantwoordelijk zijn voor 85 % van alle nieuwe banen;

1.      deelt de bezorgdheid dat hulpbehoevende, gehandicapte en maatschappelijk achtergestelde jongeren niet mogen worden uitgesloten van de arbeidsmarkt, het onderwijs of opleidingsstelsels;

2.      is van mening dat jonge ondernemers en groeigerichte kmo's noodzakelijk zijn als drijvende kracht achter innovatie en werkgelegenheid;

3.      is ervan overtuigd dat EU-financiering, met name uit het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, niet mag worden gebruikt om nationale benaderingen te subsidiëren, maar overeenkomstig het besluit van de lidstaten moet worden aangewend om jongeren extra steun te geven ter aanvulling en versterking van nationale programma's;

4.      wijst op de algemene doelstelling van de aanbeveling van de Raad inzake een Europese jeugdgarantie, die van waarde kan zijn om de aandacht te vestigen op de noodzaak van maatregelen en om de uitwisseling van informatie te bewerkstelligen voor de lidstaten die hieraan behoefte hebben;

5.      betreurt echter dat er een specifiek model is opgenomen om alle jongeren in de hele EU een aanbod te garanderen binnen vier maanden van werkloosheid of na het verlaten van het onderwijs, omdat dit onrealistisch en onuitvoerbaar is;

6.      is verheugd over regelingen zoals Erasmus voor jonge ondernemers, die bedoeld zijn om nieuwe ondernemers te helpen bij het verwerven van de nodige vaardigheden voor het runnen van een bedrijf, en meent dat dergelijke programma's verder bevorderd dienen te worden om meer jonge ondernemers te helpen bij hun ontwikkeling en bij het scheppen van banen;

7.      vindt dat EU-programma's voldoende flexibiliteit moeten bieden om de lidstaten in staat te stellen op de plaatselijke behoeften afgestemde geïndividualiseerde steun te verlenen, teneinde ervoor te zorgen dat de financiering wordt gebruikt in de gebieden waar de jeugdwerkloosheid het hoogst en het geld het meest nodig is, zonder toegevingen te doen op het vlak van toezicht en controle;

8.      is van mening dat bedrijven slechts meer arbeidsplaatsen scheppen en meer mensen tewerkstellen als het economisch klimaat groei stimuleert, als ze kunnen vertrouwen op geschoold personeel, als de arbeidsmarkten voldoende soepel zijn, als de arbeidskosten, met inbegrip van de salarissen, afgestemd zijn op de productiviteit, als de stelsels voor sociale bescherming arbeid aantrekkelijker maken en als de regelgeving evenredig en empirisch onderbouwd is;

9.      meent dat een flexibele arbeidsmarkt mede kansen voor jongeren zal scheppen om ervaring op te doen en zo hun loopbaan uit te bouwen, en vindt dat oneerlijke werkwijzen moeten worden tegengegaan;

10.    meent dat de EU geconfronteerd wordt met ernstige tekorten aan geschoolde werknemers en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden, wat de economische groei en het scheppen van banen belemmert;

11.    merkt op dat er een tendens bestaat naar banen waarvoor meer vaardigheden vereist zijn en dat voor nagenoeg 90 % van de arbeidsplaatsen die naar verwachting tegen 2020 zullen worden gecreëerd of vrijkomen, gemiddelde of hoge diploma's vereist zijn;

12.    vreest dat de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa niet aangepast zijn aan de vaardigheden die ondernemingen nodig hebben, dat het tekort aan gekwalificeerd ICT-personeel in de EU in 2015 naar schatting zal stijgen tot 384 000 à 700 000 arbeidsplaatsen en dat de toevoer van STEM-vaardigheden (wetenschap, technologie, techniek en wiskunde) in de nabije toekomst geen gelijke tred zal houden met de stijgende ondernemingsbehoeften;

13.    wijst op de recente trend dat bedrijven productie- en dienstenactiviteiten naar Europa terughalen, en op de kansen die dit biedt voor nieuwe banen, met name voor jongeren; is van mening dat de economieën in de EU een unieke gelegenheid hebben om dit terughalen van banen te versnellen;

14.    meent dat de lidstaten beter op de behoeften van de arbeidsmarkt moeten inspelen, met name door te zorgen voor sterke koppelingen tussen de onderwijswereld en de bedrijfswereld, door ervoor te zorgen dat jongeren de juiste informatie, het juiste advies en de nodige sturing krijgen om goede keuzes te maken in hun loopbaan, en door werkplekleren en het leerlingstelsel te bevorderen;

15.    acht het noodzakelijk de leidinggevende, bestuurlijke en ondernemersvaardigheden bij jongeren te verbeteren om nieuwe bedrijven en starters in staat te stellen nieuwe markten aan te boren, en hun groeipotentieel te verwezenlijken zodat jongeren werkgevers en niet alleen werknemers worden;

16.    meent dat de lidstaten tegemoet moeten komen aan de specifieke behoeften van jongeren met een handicap door hen de juiste instrumenten en ondersteunende diensten te verstrekken, teneinde een gelijke omgeving tot stand te brengen en de inzetbaarheid van jongeren met een handicap op de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleidingen actief te verbeteren;

17.    erkent dat het gezin als een doeltreffend vangnet kan fungeren voor jongeren die geconfronteerd worden met werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting;

18.    onderstreept hoe belangrijk het is aandacht te schenken aan het stimuleren van ondernemerschap, met name onder jongeren en afgestudeerden, en aan het bevorderen van practica en stages in kleine en micro-ondernemingen om jongeren ervaring met het bedrijfsleven te laten opdoen en ze meer bewust te maken van de kansen en mogelijkheden om hun eigen bedrijf op te zetten;

19.    verzoekt de lidstaten om samen met de Commissie na te denken over gerichte steun, inclusief de mogelijkheid van het opzetten van centrale aanspreekpunten, om bedrijven te helpen profiteren van de kansen die het terughalen van activiteiten biedt;

20.    merkt op dat bankleningen nog steeds de meeste voorkomende bron van financiering zijn in Europa; is evenwel van mening dat nieuwe vormen van financiering met behulp van innovatieve regelingen en niet-bancaire trajecten, zoals peer-to-peer lenen, microleningen en andere instrumenten, echte voordelen kunnen opleveren omdat zij starters de nodige investeringen bezorgen om te kunnen groeien en banen te scheppen;

21.    stipt aan dat jongeren diverse wegen moeten kunnen bewandelen en dat die wegen in Europa van land tot land verschillend gedefinieerd zijn (practica, stages); is ervan overtuigd dat het hanteren van één definitie in alle lidstaten meer verwarring zal veroorzaken;

22.    benadrukt dat de verschillende sociale en economische systemen in de lidstaten erkend en geëerbiedigd moeten worden;

23.    erkent het potentieel en de meerwaarde van de door de Europese Commissie ondersteunde uitwisseling van ervaringen en goede werkwijzen op Europees niveau;

24.    beveelt aan dat de Commissie bij toekomstige beoordelingen van ESF-regelingen op het gebied van werkgelegenheid voor jongeren niet alleen naar de kosten en het aantal deelnemers kijkt maar ook rekening houdt met het daadwerkelijke effect op de arbeidsmarkt voor jongeren gedurende langere tijd, en in de eerste plaats nagaat hoe en waarom maatregelen succesvol zijn;

25.    onderstreept dat bij een dergelijke beoordeling rekening moet worden gehouden met andere factoren die van invloed zijn op werkgelegenheid voor jongeren, met inbegrip van de economische situatie en de arbeidsmarktomstandigheden;

26.    dringt aan op inspanningen om ervoor te zorgen dat de administratieve procedure de lidstaten niet onnodig belast, waardoor de klemtoon vaak verschuift van een resultaatgerichte aanpak naar alleen een inputgeoriënteerde benadering;

27.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

 

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0394.

Juridische mededeling - Privacybeleid