Ontwerpresolutie - B8-0053/2014Ontwerpresolutie
B8-0053/2014

    ONTWERPRESOLUTIE over werkgelegenheid voor jongeren

    15.7.2014 - (2014/2713(RSP))

    naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement

    Jutta Steinruck, Maria João Rodrigues, Agnes Jongerius, Javier López Fernández, Sion Simon, Brando Maria Benifei, Sergio Gutiérrez Prieto, Maria Arena, Marita Ulvskog namens de S&D-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0027/2014

    Procedure : 2014/2713(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B8-0053/2014
    Ingediende teksten :
    B8-0053/2014
    Debatten :
    Aangenomen teksten :

    B8‑0053/2014

    Resolutie van het Europees Parlement over werkgelegenheid voor jongeren

    (2014/2713(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –       gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over de bestrijding van jeugdwerkloosheid: mogelijke uitwegen[1],

    –       gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling[2],

    –       gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over werkgelegenheid en de sociale aspecten van de rol en activiteiten van de trojka (ECB, Commissie en IMF) aangaande de programmalanden van de eurozone[3],

    –       gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 over het Europees Semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2014[4],

    –       gezien de mededeling van de Commissie over de uitvoering van het initiatief "Kansen voor jongeren" (COM(2012)0727),

    –       gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 februari 2013 over een jeugdwerkgelegenheidsinitiatief,

    –       gezien de mededeling van de Commissie van 5 december 2012 getiteld "Een kwaliteitskader voor stages. Tweede fase van de raadpleging van de sociale partners op Europees niveau overeenkomstig artikel 154 VWEU" (COM(2012)0728),

    –       gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad van 5 december 2012 tot invoering van een jongerengarantie (COM(2012)0729),

    –       gezien zijn resolutie van 16 januari 2013 over een jongerengarantie[5],

    –       gezien de op 28 februari 2013 in de Raad bereikte politieke overeenstemming over een aanbeveling van de Raad tot invoering van een jongerengarantie,

    –       gezien de mededeling van de Commissie van 27 april 2009 getiteld "Een EU-strategie voor jongeren - Investeringen en empowerment. Een vernieuwde open coördinatiemethode om op de kansen en uitdagingen voor jongeren in te spelen" (COM(2009)0200),

    –       gezien de verklaring van de leden van de Europese Raad van 30 januari 2012 getiteld "Naar groeivriendelijke consolidatie en banenvriendelijke groei",

    –       gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie inzake handicaps 2010‑2020[6],

    –       gezien het Europees kwaliteitshandvest voor stages van de hand van het Europees Jeugdforum in samenwerking met sociale partners en andere belanghebbenden,

    –       gezien het Eurofound-rapport van 22 oktober 2012 getiteld "NEET's: Young people not in employment, education or training: characteristics, costs and policy responses in Europe",

    –       gezien het Eurofound-rapport van 21 december 2012 getiteld "Effectiveness of policy measures to increase the employment participation of young people",

    –       gezien het Eurofound-rapport van 29 april 2011 getiteld "Helping young workers during the crisis: contributions by social partners and public authorities",

    –       gezien zijn verslag over integratie van migranten, de gevolgen daarvan voor de arbeidsmarkt en de externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid in de EU (2012/2131(INI)),

    –       gezien het Eurofound-verslag van 7 februari 2012 getiteld "Recent policy developments related to those not in employment, education and training (NEET's)",

    –       gezien het Eurofound-verslag van 15 januari 2013 getiteld "Active inclusion of young people with disabilities or health problems",

    –       gezien aanbeveling C(2013) 778 final van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken",

    –       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

    A.     overwegende dat werkloosheid een van de belangrijkste oorzaken van ongelijkheid is en dat de werkloosheid een ongekend hoog niveau heeft bereikt (gemiddeld 23 % in de hele EU), en verder overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU ongelijk verdeeld is, met in sommige lidstaten een jeugdwerkloosheidspercentage (jongeren tussen 16 en 25 jaar) van meer dan 50 %;

    B.     overwegende dat de arbeidsmarktsituatie met name bijzonder moeilijk is voor jongeren, ongeacht hun opleidingsniveau, aangezien zij vaak hetzij werkloos zijn, hetzij alleen in tijd beperkte arbeidsovereenkomsten aangeboden krijgen met lagere lonen en een lager sociaal beschermingsniveau, of gedwongen zijn onzekere arbeidsovereenkomsten of onbetaalde stageplaatsen te accepteren; overwegende dat deze situatie resulteert in gedwongen migratie, die de gevolgen van een continue kennisvlucht verder accentueert en de hardnekkige verschillen vergroot tussen de lidstaten die werkgelegenheid aanbieden enerzijds en de lidstaten die goedkope arbeidskrachten leveren anderzijds;

    C.     overwegende dat jongeren de arbeidsmarkt meestal via atypische, bijzonder flexibele en onzekere arbeidsvormen (marginale deeltijdse of tijdelijke banen, zogenaamde 'zero-hours'-overeenkomsten, enz.) betreden, en dat de kans klein is dat deze betrekkingen als springplank naar een vaste baan dienen;

    D.     overwegende dat er ook een verband kan worden vastgesteld tussen jeugdwerkloosheid en het probleem van het vroegtijdig schoolverlaten, van inadequate onderwijs- en opleidingsstelsels, en het tekort aan technische en gespecialiseerde opleidingen of een gebrekkige aansluiting daarvan op de arbeidsmarkt;

    E.     overwegende dat de jeugdwerkloosheid onder, respectievelijk onzekere werkgelegenheidssituaties bij mannen en vrouwen eigen specifieke kenmerken hebben, waarmee rekening moet worden gehouden;

    F.     overwegende dat de Commissie heeft onderkend dat bezuinigingsmaatregelen een negatieve impact hebben gehad, in concreto geresulteerd hebben in grotere ongelijkheden, meer armoede en een grotere armoede onder mensen met een baan[7], en geleid hebben tot besparingen op onderwijs, sociale diensten, overheidsbanen en actieve arbeidsmarktmaatregelen, en tevens de kansen hebben verkleind voor jongeren om opnieuw een opleiding te volgen;

    G.     overwegende dat 7,5 miljoen Europeanen tussen 15 en 24 jaar geen werk hebben, geen onderwijs volgen en geen opleiding doen (de zogenaamde NEET's), en verder overwegende dat in 2012 in EU-28 29,7 % van de jongeren tussen 15 en 29 jaar tegen de armoedegrens aan zat of bedreigd werd door sociale uitsluiting[8];

    H.     overwegende dat de huidige beperking van de jongerengarantie tot 25 jaar onvoldoende is, aangezien het inhoudt dat de 6,8 miljoen NEET's (werkloos, zonder onderwijs en/of opleiding) tussen 25 en 30 jaar buiten de boot vallen;

    I.      overwegende dat meer dan de helft van de jonge Europeanen van mening is dat jongeren in hun land gemarginaliseerd zijn en uitgesloten van deelname aan het economisch en maatschappelijk leven[9]; overwegende dat dit betekent dat Europa het risico loopt een generatie jongeren te verliezen die, vanwege onvoldoende toegang tot de arbeidsmarkt en het veelal tot onzekere en tijdelijke banen beperkte werkgelegenheidsaanbod, over onvoldoende opleiding beschikt om op de langere termijn een positie op de arbeidsmarkt te veroveren;

    J.      overwegende dat op dit moment slechts 7,5 miljoen mensen, dat wil zeggen 3,1 % van de arbeidskrachten in de EU, een baan in een andere lidstaat hebben, en verder overwegende dat jongeren in de regel het meest mobiel zijn;

    K.     overwegende dat jeugdwerkloosheid niet alleen te maken heeft met de kloof tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden, maar ook met een gebrek aan nieuwe banen ten gevolg van de deïndustrialisering in Europa, outsourcing en speculatie, en een verslechtering van deze situatie door de crisis en bezuinigingen; overwegende dat onderwijs en opleiding alléén het probleem van de jeugdwerkloosheid in Europa niet zullen kunnen oplossen;

    L.     overwegende dat alle maatregelen en programma's gericht op het vergroten van de werkgelegenheid onder jongeren genomen en vastgesteld moeten worden in overleg en samenwerking met de betrokken belanghebbenden op de respectieve niveaus, met name de sociale partners en jongerenorganisaties;

    M.    overwegende dat in 2012 42 % van de jonge werknemers in de EU een tijdelijke of niet‑vaste arbeidsovereenkomst had, in vergelijking met 13 % van de volwassen werknemers[10], en dat één op de vijf jongeren bang is zijn baan te verliezen[11];

    N.     overwegende dat in 2014 51 % van de jongeren aangaf dat het Europees Parlement zich in eerste instantie zou moeten richten op de bescherming van mensenrechten, met inbegrip van economische en sociale rechten[12];

    O.     overwegende dat de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) de kosten van jeugdwerkloosheid raamt op 153 miljard EUR per jaar;

    P.     overwegende dat de (jeugd)werkloosheidssituatie ook beïnvloed wordt door het ontbreken van een gemeenschappelijk Europees beleid voor het creëren van werkgelegenheid; overwegende dat de financiële langetermijnplanning van de EU, vanwege de buitensporige rigiditeit van het meerjarig financieel kader (MFK) en het gebrek aan middelen op de EU-begroting, in onvoldoende mate rekening houdt met de noodzaak van op de toekomst gerichte investeringen in de economie en infrastructuur;

    1.      waarschuwt dat er in de EU geen sprake zal zijn van significante duurzame economische groei als de ongelijkheid niet wordt gereduceerd, en herinnert eraan dat hiervoor in eerste instantie de werkloosheid, en met name de werkloosheid onder jongeren, moet worden verlaagd en de armoede moet worden teruggedrongen;

    2.      constateert met bezorgdheid dat meer dan 20 lidstaten hun onderwijsuitgaven in relatieve termen (als percentage van het bbp) hebben verlaagd, waardoor hun groei, werkgelegenheidspotentieel en concurrentiepositie in gevaar komen; wijst erop dat het verlagen van deze investeringen de EU structureel nog verder zal verzwakken, gezien de discrepantie tussen de toenemende behoefte aan hoogopgeleide werknemers en het feit dat een groot deel van de beroepsbevolking in veel lidstaten momenteel uit laagopgeleiden bestaat;

    3.      neemt nota van de goedkeuring (door de Raad op 20 mei 2014) van een resolutie over het EU-plan voor jongerenwerkgelegenheid, maar betreurt dat hierin niet gesproken wordt over bevordering van sectoroverschrijdende samenwerking met betrekking tot jongerenthema's en dat jongeren niet bij het proces worden betrokken;

    4.      betreurt dat de kernverlangens en de inbreng van jongeren aangaande de noodzaak van kwaliteitsarbeid, betere toegang tot sociale uitkeringen, welzijn en solidariteit, niet terug te vinden zijn in de resolutie van de Raad van 20 mei over een gestructureerde dialoog en de sociale insluiting van jongeren, en dat de resolutie zich niet vastlegt op een concreet beleid voor meer sociale insluiting van jongeren;

    5.      betreurt dat de prioriteiten van de Raad, zoals die door de Europese Raad op 27 juni werden aangekondigd als strategische agenda voor de EU en de nieuwe Europese Commissie, geen gerichte maatregelen en investeringen omvatten waarmee het creëren van hoogwaardige banen voor jongeren ondersteund kan worden;

    6.      onderstreept dat er gezien de consequenties van de crisis voor jongeren regelmatige monitoring en toezeggingen van de lidstaten nodig zijn, om de situatie van jongeren te verbeteren; vraagt de Commissie een speciaal pakket indicatoren vast te stellen voor het monitoren van de vaardigheden van jongeren in het kader van het EU-Semester en daarbij ook te kijken naar de achterliggende oorzaken van de tekortschietende vaardigheden, inclusief verschillende leer- en ontwikkelingstrajecten vanaf de jeugd én 'overgeërfde' factoren die op de vooruitzichten van invloed zijn;

    7.      waarschuwt dat er voor stages, die van nut kunnen zijn voor het opdoen van ervaring, goede regelgeving moet worden ontwikkeld, aangezien er vaak heel weinig of helemaal niets wordt betaald en stagiairs vaak de plek van reguliere werknemers innemen, waarmee een tweeklassenarbeidsmarkt wordt gecreëerd en de positie van jongeren op de arbeidsmarkt wordt ondermijnd;

    8.      wijst erop dat met name vrouwen, personen met een handicap en maatschappelijke achterstandsgroepen, zoals migranten en minderheden, zwaar onder de gevolgen van jeugdwerkloosheid te lijden hebben; wijst erop dat jonge vrouwen in de regel weliswaar beter opgeleid zijn maar tegelijkertijd ook onderbetaald worden, en dat werkloosheid aan het begin van hun loopbaan kan bijdragen tot een patroon van beloningsongelijkheid later in de carrière; onderstreept dat jonge mensen met een migrantenachtergrond of die tot een minderheid behoren ten gevolg van de beperkte toegang tot gelijke onderwijskansen en de veel voorkomende discriminatie door arbeidsbemiddelingsinstanties minder kans hebben op het vinden van werk of het volgen van passend onderwijs c.q. een passende opleiding;

    9.      onderstreept dat de listaten bij het doorvoeren van maatregelen voor het bestrijden van jeugdwerkloosheid rekening moeten houden met de positie van oudere werknemers en steun moeten geven aan programma's in het kader waarvan oudere en jongere werknemers een baan 'delen' of een mentorschapsrelatie aangaan;

    10.    betreurt dat de top van staats- en regeringsleiders op 11 juli 2014 in Turijn niet is doorgegaan; vraagt de lidstaten tijdens de volgende informele bijeenkomst van de EPSCO-Raad, op 17 en 18 juli 2014, prioritair aandacht te besteden aan de trage tenuitvoerlegging van de Jongerengarantie;

    Een op rechten gebaseerde benadering van werkgelegenheid

    11.    dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op een op rechten gebaseerde benadering van jongeren en werkgelegenheid te volgen; onderstreept dat met name in tijden van crisis de kwaliteit van werk voor jongeren niet in het gedrang mag komen en dat de fundamentele arbeidsnormen en andere aan de kwaliteit van werk gerelateerde normen, zoals arbeidstijd, minimumloon, sociale zekerheid, en veiligheid en gezondheid op de werkplek, centraal moeten staan in de geleverde inspanningen;

    12.    verzoekt de lidstaten er zorg voor te dragen dat jongeren toegang hebben tot hoogwaardige banen die hun rechten waarborgen, inclusief het recht op stabiliteit en veiligheid, door middel van een baan die een fatsoenlijk en billijk salaris en sociale bescherming biedt en het leiden van een veilig, waardig en autonoom leven mogelijk maakt; dringt erop aan om, teneinde jongeren te beschermen tegen discriminatie en uitbuiting, een richtlijn vast te stellen over fatsoelijke arbeidsvoorwaarden, met de belangrijkste arbeidsrechten voor alle werknemers en gemeenschappelijke minimumnormen;

    13.    beklemtoont de noodzaak van een actief, alomvattend en integrerend arbeidsmarktbeleid, met bijzondere maatregelen voor jongeren;

    14.    wijst erop dat gezien de aangekondigde snelle veranderingen op de arbeidsmarkt nu meer dan ooit geïnvesteerd moet worden in onderwijs en opleiding; wijst er in het bijzonder op dat op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen niet alleen beschouwd moeten worden als een manier om tegemoet te komen aan de vraag op de arbeidsmarkt, maar ook deel moeten uitmaken van een omvattende benadering van onderwijs die middels niet-formeel onderwijs opgedane vaardigheden erkent en de tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van levenslang leren ondersteunt; dringt erop aan op Europees niveau en voor iedere burger bindende gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor onderwijs, opleiding en levenslang leren vast te stellen;

    15.    verzoekt de Commissie met klem beleid te ontwikkelen voor het aanpakken van onzeker werk, regelgeving uit te werken met betrekking tot arbeidsovereenkomsten, waarbij naar verschillende oplossingen moet worden gekeken voor het verschijnsel van arbeidsmarktpolarisering ten gevolg van de slechte voorwaarden die laagopgeleide werknemers worden geboden, en jonge mensen bescherming te bieden tegen situaties waarin ze wel een baan hebben maar toch geconfronteerd worden met onzekerheid en het risico van armoede;

    16.    onderstreept dat er een einde moet worden gemaakt aan discriminatie op grond van leeftijd bij de toegang tot sociale uitkeringen, waaronder ook voorwaardelijke toegang tot een werkloosheidsuitkering; benadrukt dat het opleggen van een lager minimumloon aan jongeren, ongeacht werkervaring of bekwaamheid, niet alleen een geringschatting van de kwetsbaarste mensen op de arbeidsmarkt vormt, maar ook een duidelijk geval is van discriminatie op grond van leeftijd;

    17.    wijst erop dat, ten gevolg van de crisis en de economische verschillen tussen de lidstaten van de EU, jongeren meer en meer gedwongen worden mobiel te zijn; dringt er bij de lidstaten met klem op aan te waarborgen dat het grondrecht van vrij verkeer niet wordt ingeperkt en dat de toegang van jonge mobiele studenten en werknemers tot overheidsdiensten niet wordt beperkt of geweigerd; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan voorstellen voor te leggen voor het verder faciliteren van de vrijwillige mobiliteit van jongeren in de hele Europese Unie, waaronder als middel voor het voltooien van de interne markt;

    Jongerengarantie, jeugdwerkgelegenheidsinitiatief en kwaliteitskader voor stages

    18.    dringt erop aan de tenuitvoerlegging van de Jongerengarantie goed te controleren; verzoekt de Commissie om nauwkeurige monitoring van de kwesties die aan het licht zijn gekomen in de landenspecifieke aanbevelingen van 2014 en die betrekking hebben op de kwaliteit van het aanbod en het gebrek aan actieve hulp aan jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen, de administratieve capaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en het gebrek aan effectieve inzet van alle relevante partners, en parallel daaraan goede praktijken in kaart te brengen als referentiepunt voor het verbeteren van programma's;

    19.    pleit ervoor om terugdringing van de jeugdwerkloosheid als aparte doelstelling in het Europees Semester op te nemen; vindt daarnaast dat verplichte, op de bestrijding van jeugdwerkloosheid gerichte maatregelen opgenomen moeten worden in de landenspecifieke aanbevelingen en de nationale hervormingsprogramma's; verzoekt de Commissie om de invoering van deze maatregelen nauwgezet te volgen en te toetsen; dringt erop aan het Europees Parlement in het kader van het proces van het Europees Semester hier nauw bij te betrekken;

    20.    is van oordeel dat de 6 miljard EUR die voor het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief is gereserveerd niet volstaat om de jeugdwerkloosheid duurzaam aan te pakken en in dit verband dan ook slechts als een eerste tranche kan worden beschouwd; onderstreept dat de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft berekend dat er alleen al in de eurozone 21 miljard EUR nodig is om een doeltreffend programma ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid ten uitvoer te leggen; acht deze hogere investering noodzakelijk en redelijk, gezien het jaarlijkse economische verlies in de lidstaten van 153 miljard EUR ten gevolg van de jeugdwerkloosheid (hetgeen corrspondeert met 1,2 % van het bbp van de EU[13]); onderstreept daarnaast dat vanaf 2016 op de begroting geen geld meer voor het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief is gereserveerd; verzoekt de Commissie tijdig met een voorstel te komen gericht op voortzetting van de financiering van het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief vanaf de begroting voor 2016, met gebruikmaking van alle instrumenten die ter beschikking staan in het kader van de verordening betreffende het MFK 2014-2020; vraagt de Commissie en de lidstaten daarnaast de Jongerengarantie op het moment van de verplichte post-electorale toetsing van het MFK 2014-2020, die gepland is voor ten laatste eind 2016, een prioriteit te maken en de in totaal ter beschikking staande financiële middelen voor de periode 2014-2020 te verhogen;

    21.    dringt aan op maatregelen die voorkomen dat het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief gemanipuleerd en gebruikt wordt voor nationale loonverlagingsprocessen; waarschuwt dat oneigenlijk gebruik van middelen van het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief, bijvoorbeeld voor het financieren van arbeidskosten zonder voldoende garanties, ertoe kan leiden dat oudere werknemers worden ontslagen omdat zij duurder zouden zijn dan jonge werknemers die in dienst worden genomen in het kader van programma's van het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief;

    22.    verzoekt de Commissie een voorstel voor te leggen voor een Europees wettelijk kader met bindende minimumnormen voor de tenuitvoerlegging van de jongerengaranties, waaronder met betrekking tot de kwaliteit van stages, fatsoenlijke lonen voor jongeren en toegang tot arbeidsbemiddelingsdiensten, en ook geldend voor jongeren tussen 25 en 30 jaar, wanneer de lidstaten de aanbevelingen betreffende de jongerengaranties niet in acht nemen;

    23.    verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat bureaucratische procedures niet verhinderen dat de 6 miljard EUR van het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief efficiënt en snel voor de tenuitvoerlegging van Jongerengarantie kunnen worden ingezet; betreurt de berichten die erop wijzen dat sommige lidstaten niet alle in het kader van het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief beschikbare financiële middelen gebruiken; onderstreept in dit verband nog eens dat het belangrijk is dat deze middelen volledig en doeltreffend worden gebruikt, en is van oordeel dat elke mogelijkheid moet worden aangegrepen om de zeer noodzakelijke actieve arbeidsmarktmaatregelen te financieren, teneinde de jeugdwerkloosheidsniveaus omlaag te brengen; verzoekt de Commissie en de lidstaten via de EIB financiële middelen ter beschikking te stellen voor werkgelegenheids- en werk/opleidingsinitiatieven van de particuliere sector;

    24.    verzoekt de lidstaten met klem meer te doen en verder te gaan dan de aanbevelingen van de Raad van maart 2014 betreffende een kwaliteitskader voor stages, teneinde discriminatie en uitbuiting van jonge werknemers te voorkomen; dringt aan op een richtlijn betreffende fatsoenlijke voorwaarden en minimumnormen voor stages, met duidelijk omlijnde rechten voor stagiairs, met inbegrip van toegang tot sociale bescherming, schriftelijke en bindende overeenkomsten en billijke beloning, en plafonds voor het gebruik van stagiars in bedrijven, teneinde misbruik te voorkomen;

    25.    verzoekt de lidstaten stelsels voor beroepsonderwijs- en opleiding te ontwikkelen en/of de bestaande stelsels te verbeteren; onderstreept dat om de overgang van school naar werk te verbeteren een Europees kader voor duaal onderwijs moet worden ontwikkeld dat stoelt op bestaande goede praktijken op dit gebied in Europa; is daarnaast voorstander van het gebruik in de hele EU van zogenaamde 'ijsbreker'-regelingen, waarbij jonge gediplomeerden en mensen met een afgeronde beroepsopleiding in de praktijk werkervaring kunnen opdoen in ondernemingen die hen voor een half jaar tot een jaar inhuren voor het oplossen van een specifiek op innovatie en ontwikkeling gericht probleem;

    26.    benadrukt de goede ervaringen van landen met beroepsonderwijs- en duale onderwijsstelsels als het gaat om een betere overgang van onderwijs naar werk, waarmee de kloof tussen opleidingsvaardigheden en de vraag op de arbeidsmarkt wordt overbrugd; benadrukt dat de Commissie dergelijke inspanningen actief moet ondersteunen, en roept de Commissie op regelmatig verslag uit te brengen over de inspanningen van de lidstaten met betrekking tot de hervorming van beroepsopleidingsstelsels; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan kwetsbare groepen met een hoog risico op sociale uitsluiting, waaronder NEET's; verzoekt de Commissie jaarlijks een verslag over de hervorming van de beroepsopleidingsstelsels in de lidstaten in te dienen en op die manier een structurele, langdurige bijdrage te leveren tot de verbetering van de inzetbaarheid van jongeren;

    27.    vraagt om vooral op het vlak van de beroepsopleiding en duale onderwijsstelsels alle relevante actoren, met name de sociale partners en de opleidingsinstellingen, hier bij te betrekken; benadrukt in dit verband de verantwoordelijkheid van zowel bedrijven, als onderwijsinstellingen om te waarborgen dat scholieren en studenten praktijkgericht onderwijs wordt geboden;

    28.    onderstreept dat het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief niet betekent dat de lidstaten niet ook een beroep kunnen doen op andere EU-programma's, bijvoorbeeld die in het kader van het Europees Sociaal Fonds of Erasmus+, voor financiering van jongerenprojecten in ruimere zin, met name terzake van armoede en sociale insluiting; onderstreept dat het belangrijk is dat de lidstaten hiervoor voldoende medefinanciering ter beschikking stellen; vraagt de Commissie erop te letten in hoeverre en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van middelen uit het ESF ten behoeve van projecten voor jongeren;

    29.    onderstreept dat jonge ondernemers financieel en administratief moeten worden ondersteund, met name in crisislanden; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook specifieke steunmechanismen in het leven te roepen voor jonge ondernemers tot 30 jaar; wijst erop dat hierbij gedacht zou kunnen worden aan microkredieten voor startende ondernemers, zoals bedoeld in het EaSI-programma;

    30.    benadrukt de belangrijke rol van de sociale partners bij de bestrijding van jeugdwerkloosheid; beschouwt ondersteuning van nationale vakbonden en volledige eerbiediging van nationale praktijken en regelingen voor arbeidsbetrekkingen een absolute voorwaarde voor alle maatregelen gericht op het tot stand brengen en verbeteren van arbeidsvoorwaarden, inclusief lonen en beloning voor jongeren;

    Investeringen en de macro-economische dimensie

    31.    onderstreept dat op de aanbodzijde gerichte maatregelen, zoals de ontwikkeling van vaardigheden en arbeidsmarktregulering, weliswaar een rol kunnen spelen bij de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, maar dat meer rekening gehouden moet worden met macro-economische factoren en de vraagzijde;

    32.    verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen uit te werken voor het reduceren van ongelijkheden en het scheppen van meer werkgelegenheid, het aanzwengelen van de vraag middels beleid gericht op het verhogen van salarissen en het vaststellen van minimumlonen (via wetgeving of op basis van collectieve overeenkomsten, per sector of sectoroverschrijdend), het stimuleren van directe overdrachten door middel van een billijker belastingbeleid en minimumloonregelingen, en het waarborgen van een stevige sociale bescherming en betere publieke diensten en sociale diensten, in het bijzonder op het gebied van gezondheid en onderwijs;

    33.    verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem zo snel mogelijk een actieplan voor het scheppen van nieuwe banen uit te werken, in het bijzonder gericht op regio's met meer dan 25 % jeugdwerkloosheid, op investeringen in duurzame industrieën, met name kmo's, en in diensten, opleiding en onderwijs, onderzoek en ontwikkeling, moderne vervoersinfrastructuur, de herindustrialisering van de EU, doeltreffende particuliere diensten en hoogwaardige publieke diensten, en de groene overgang, teneinde toe te werken naar een innovatieve en op kennis gebaseerde economie, en bij te dragen aan nieuwe werkgelegenheid voor toekomstige generaties; benadrukt dat dit beschouwd moet worden als cruciale investeringen in de toekomst van Europa;

    34.    dringt bij de Commissie aan op speciale oplossingen voor lidstaten met een zeer hoge werkloosheid, die zich gedwongen zullen zien EU-middelen terug te storten vanwege cofinancieringsproblemen; vraagt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is lidstaten in moeilijkheden geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van de medefinancieringsverplichting voor EU-programma's gericht op bestrijding van jeugdwerkloosheid (onder rubriek 1 ('Duurzame groei') van het MFK); vraagt de Commissie en de lidstaten ook te overwegen de medefinancieringsbijdrage van de lidstaten voor maatregelen gericht op bestrijding van jeugdwerkloosheid buiten beschouwing te laten bij de berekening van het buitensporig tekort;

    35.    juicht het toe dat het Italiaanse voorzitterschap het startschot wil geven voor een debat over een in de hele EMU toepasselijke werkloosheidsuitkeringsregeling als een instrument voor het asymmetrisch opvangen van schokken op centraal niveau, en ook in concreto wil nadenken over automatische stabilisatoren in het kader van de discussie over de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie;

    Prioriteit voor jongerenrechten

    36.    vraagt de Raad erop toe te zien dat het EU-werkgelegenheidsplan voor de jeugd daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd en daadwerkelijk resulteert in sectoroverschrijdende samenwerking tussen en participatie van jongeren;

    37.    vraagt de Commissie aan de Raad en het Parlement maatregelen voor te leggen gericht op bevordering van de participatie van jongeren aan het democratisch leven van Europa, zoals bedoeld in artikel 165 VWEU;

    38.    verzoekt de Raad met klem nu eindelijk de richtlijn inzake gelijke behandeling, waarvan het oorspronkelijke voorstel van de Commissie uit 2008 dateert, goed te keuren, waarmee discriminatie op grond van leeftijd en een aantal andere gronden wordt verboden.