ONTWERPRESOLUTIE over werkgelegenheid voor jongeren
15.7.2014 - (2014/2713(RSP))
ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement
Inês Cristina Zuber, Thomas Händel, Patrick Le Hyaric, Neoklis Sylikiotis, Paloma López, Lynn Boylan, Rina Ronja Kari, Marie-Christine Vergiat, Lola Sánchez Caldentey, Younous Omarjee, Kateřina Konečná, Miloslav Ransdorf, Jiří Maštálka, Sofia Sakorafa, Dimitrios Papadimoulis, Kostas Chrysogonos, Emmanouil Glezos, Kostadinka Kuneva, Georgios Katrougkalos, Pablo Iglesias, Pablo Echenique Robba, Carlos Jiménez Villarejo namens de GUE/NGL-Fractie
Het Europees Parlement,
– gezien de resolutie van de Raad van 20 mei 2014 over de gestructureerde dialoog en de sociale insluiting van jongeren,
– gezien de Europese Raad van 26 en 27 juni 2014,
‑– gezien de op 17 juni 2011 in Luxemburg goedgekeurde conclusies van de Raad over de bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren met het oog op de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen,
– gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012 inzake een pact voor groei en werkgelegenheid, waarin de noodzaak om de jeugdwerkloosheid te bestrijden wordt benadrukt,
– gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 februari 2013 over een jongerenwerkgelegenheidsinitiatief,
– gezien de op 28 februari 2013 in de Raad bereikte politieke overeenstemming over een aanbeveling van de Raad over de invoering van een jongerengarantie,
– gezien de gezamenlijke bijdrage van de regeringen van Frankrijk en Duitsland in de aanloop naar de vergadering van de Europese Raad van 27 en 28 juni 2013, getiteld "Frankrijk en Duitsland - samen werken aan een sterker Europa van stabiliteit en groei", van 30 mei 2013,
– gezien de mededeling van de Commissie van 29 mei 2013 "2013 Europees Semester: landenspecifieke aanbevelingen - Europa uit de crisis tillen" (COM (2013) 350) en de voorgestelde aanbevelingen,
– gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat in de EU 25,1 miljoen mensen, waaronder 22,8 % van de jongeren, werkloos zijn, dat in sommige lidstaten de jeugdwerkloosheid boven het Europese gemiddelde ligt, zoals in Griekenland (57,7 %), Spanje (54 %), Italië (43 %), Cyprus (36 %) en Portugal (34,8 %), dat 8,3 miljoen jongeren onder de 25 jaar inactief zijn, 19 % van de kinderen wordt bedreigd door armoede, 8 % van de bevolking zich in een situatie van ernstige materiële deprivatie bevindt, 15 % van de kinderen al vóór de middelbare school het onderwijs verlaat, 24,2 % van de bevolking op de armoedegrens leeft, de arme werkenden goed zijn voor een derde van de volwassenen in de arbeidsactieve leeftijd die het risico lopen op armoede, en dat 410 000 mensen in de EU 's nachts geen dak boven hun hoofd hebben;
B. overwegende dat in 2013 13 % van de jongeren tussen 15 en 24 jaar en 21 % van de jongeren tussen 25 en 29 jaar geen onderwijs of opleiding volgden en geen werk hadden (de zgn. "NEET"-groep); overwegende dat de economische verliezen als gevolg van dit hoge aantal NEET's werd geschat op 153 miljard euro, wat overeenkomt met 1,2 % van het bbp van de EU[1];
C. overwegende dat de jeugdwerkloosheidscijfers variëren van minder dan 5 % in sommige regio's tot meer dan 60 % in andere regio's, en daarmee een grote discrepantie tussen de Europese regio's laten zien; overwegende dat het vooral de ultra-perifere gebieden zijn die gebukt gaan onder jeugdwerkloosheid, omdat daar de situatie wordt verergerd door afgelegenheid en isolement;
D. wijst erop dat de crisis en de rampzalige EU-beleidsmix van bezuinigingen met neoliberale structurele hervormingen hebben geleid tot een historisch laag niveau van particuliere investeringen in de economie, doordat de koopkracht van de bevolking in haar totaliteit is verminderd, de interne vraag is ingezakt, en de inkomensongelijkheid en de armoede zijn toegenomen, zoals het meest schrijnend naar voren komt in de landen die onder Trojka-curatele staan;
E. overwegende dat de deregulering van de arbeidsmarkten van de afgelopen decennia tot gevolg heeft gehad dat de meeste jongeren alleen nog toegang tot de arbeidsmarkt hebben via tijdelijke contracten, deeltijdbanen, onbezoldigde arbeidsregelingen en over het algemeen onbestendige vormen van werkgelegenheid, ondanks alle eerdere verwachtingen dat de "vergrijzing" het voor hen gemakkelijker zou maken om toegang te krijgen tot een vast voltijds dienstverband met een behoorlijk salaris en met normale rechten en sociale bescherming;
F. overwegende dat de "hervormingen" van de onderwijsstelsels, bijvoorbeeld middels het Bologna-proces, en het bezuinigingsbeleid dat in verschillende lidstaten is doorgevoerd de vooruitgang in de richting van een toegankelijker onderwijssysteem voor een groot deel ongedaan hebben gemaakt; overwegende dat de behoefte aan een openbaar onderwijsstelsel dat democratisch wordt bestuurd en voor iedereen in de praktijk gratis toegankelijk is, nu nog urgenter is geworden om jongeren – en in het bijzonder de meest kwetsbare onder hen – toegang te kunnen verschaffen tot onderwijs van goede kwaliteit;
G. overwegende dat de jeugdwerkloosheid een belangrijke rol speelt bij de forse toename van de emigratie van jongeren uit een aantal lidstaten, met name uit de zogenaamde "programma"-landen en andere landen, zoals Spanje en Italië, naar de rijkere lidstaten; verwijst op dit punt naar een onderzoek van de Ierse nationale jeugdraad (NYCI) [2] waaruit blijkt dat 70 % van de ondervraagde jongeren zichzelf binnen twaalf maanden ziet emigreren; overwegende dat deze massale emigratie – waarbij het vaak jongeren betreft met een hogere opleiding – een belangrijke bevolkingslaag met de meest dynamische mensen uit deze landen wegzuigt, en daarmee een desastreuze uitwerking heeft op de lokale gemeenschappen en hun toekomstperspectieven voor een duurzame economische en sociale ontwikkeling;
H. overwegende dat bezuinigingen, strakkere begrotingen en neoliberale "structurele hervormingen", zoals sinds 2010 in het kader van het Europees Semester voorgestaan door de Commissie en de Raad en zoals nagestreefd door de meeste lidstaten (met name de zogenaamde "programmalanden", die onder toezicht staan van de trojka Commissie, Europese Centrale Bank en Internationaal Monetair Fonds), hebben geleid tot een groter risico op deflatie in een nog altijd fragiele en stagnerende economie, tot een verlaging van de lonen, interne vraag en belastinginkomsten, en tot een ontmanteling van de "automatische stabilisatoren" zoals socialebeschermingsstelsels en overheidsinvesteringen, en er aldus voor hebben gezorgd dat de EU-economie grotendeels in een aanhoudende stagnatie en crisis is beland; overwegende dat daarmee tegelijkertijd het tegendeel is bewezen van alle eerdere beweringen dat via deze aanpak niet alleen de huidige begrotingstekorten, maar vooral ook de verhouding van de overheidsschuld tot het bbp, aanzienlijk zouden kunnen worden verlaagd en de begroting zou kunnen worden geconsolideerd; onderstreept dat alle verfoeilijke en onhoudbare schuld moet worden afgekeurd;
I. benadrukt dat de versterking van de EMU zal leiden tot een verscherping van de huidige beleidsmaatregelen, die verantwoordelijk zijn voor de enorme werkloosheid in de lidstaten van de eurozone, met name in die waarmee zogenaamde "memoranda van overeenstemming" zijn gesloten;
J. overwegende dat dit neoliberale beleid in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de stijging van de werkloosheid in het algemeen en de jeugdwerkloosheid in het bijzonder, aan het genereren van meer sociale uitsluiting en armoede, en aldus heeft geleid tot ernstige sociale achteruitgang, een nog verder verzwakte economie en de destabilisering van de Europese integratie en democratie;
K. overwegende dat de lidstaten tijdens een top in juni 2013 hebben afgesproken om ongeveer 8 miljard euro uit te trekken – dus meer dan de oorspronkelijk in februari gereserveerde 6 miljard euro – voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid, waarvan de hoofdmoot beschikbaar zou komen gespreid over een tweejarige periode vanaf 2014, en de rest over de volle zeven jaar van de volgende EU-begroting; overwegende dat de staatshoofden bij de top van de Europese Raad hebben toegegeven dat het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (JWI), dat een jaar geleden van start is gegaan, tot dusver geen succes is geweest;
L. overwegende dat de door het voorzitterschap geplande conferentie over jeugd en werkgelegenheid tot het einde van het jaar is uitgesteld, waardoor alle actieve invulling van de aangekondigde prioritaire doelstellingen van het lopende voorzitterschap wordt vertraagd;
1. acht het onterecht dat de kernverlangens en inbreng van jongeren aangaande kwaliteitsarbeid, betere toegang tot sociale uitkeringen, sociale rechten en solidariteit, niet terug te vinden zijn in de resolutie van de Raad van 20 mei over gestructureerde dialoog over de sociale insluiting van jongeren, en dat de resolutie zich niet vastlegt op een concreet beleid voor meer sociale insluiting van jongeren;
2. noemt het een groot bezwaar dat de door de Europese Raad op 27 juni 2014 bekendgemaakte prioriteiten, die als strategische agenda voor de EU en de nieuwe Europese Commissie dienen, geen gerichte maatregelen bevatten ter ondersteuning van het scheppen van hoogwaardige banen voor jongeren;
3. onderstreept dat er gezien de consequenties van de crisis voor jongeren regelmatige monitoring en toezeggingen van de lidstaten nodig zijn, om de situatie van jongeren te verbeteren; doet in dit verband een oproep aan de lidstaten om het onderwerp jeugdwerkloosheid aan de orde te stellen op de volgende informele EPSCO-raadszitting op 17 en 18 juli in Milaan;
4. benadrukt dat de EU en haar lidstaten moeten streven naar een radicale ommezwaai in het macro-economische beleid, waarbij de overheidssector de drijvende kracht wordt achter het economisch herstel door te zorgen voor hoogwaardige banen, met gewaarborgde werknemersrechten en een behoorlijke sociale bescherming, zodat de economie weer op gang kan worden gebracht; pleit voor het stopzetten van bezuinigingsmaatregelen in alle lidstaten;
5. benadrukt dat de versterking van de EMU zal leiden tot een verscherping van de huidige beleidsmaatregelen, die verantwoordelijk zijn voor de enorme werkloosheid in de lidstaten van de eurozone, met name in die waarmee zogenaamde "memoranda van overeenstemming" zijn gesloten;
6. uit scherpe kritiek op de algemene strategie in de mededeling van de Commissie over de landenspecifieke aanbevelingen voor 2014 met betrekking tot "de bestrijding van de werkloosheid", die er onder andere in bestaat de flexibiliteit van de arbeidsmarkten nog verder op te voeren en "de relatief hoge arbeidskosten" terug te dringen; wijst erop dat juist deze door de lidstaten doorgevoerde neoliberale "structuurhervormingen" van de arbeidsmarkten debet waren – en nog zijn – aan de drastische toename van onbestendige arbeidsverhoudingen, de verlaagde niveaus van sociale bescherming en de uitbreiding van de lagelonensectoren waarover in de verslagen van de Commissie over de werkgelegenheidssituatie zo wordt geklaagd, ontwikkelingen die met name de jongeren en hun kansen op de arbeidsmarkt bijzonder zwaar raken;
7. onderstreept dat de EU werkgelegenheid en gedeelde banen voor jongeren moet stimuleren met maatregelen als vervroegde pensionering, vermindering van de werktijden zonder korting op salarissen, pensioenen en sociale rechten;
8. benadrukt dat het Europees Jeugdgarantie-initiatief had moeten worden opengesteld voor jongeren onder de leeftijd van 30 jaar, vanaf het moment dat zij werkloos raken; wijst erop dat de voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (JWI) toegewezen middelen ver beneden het niveau blijven dat voor een werkelijk effect op de jeugdwerkloosheid nodig zou zijn; verwijst in dit verband naar het onderzoek van de ILO "Euro Zone job crisis: trends and policy responses", waarin wordt aangegeven dat er EUR 21 miljard nodig is om de jeugdwerkloosheid echt aan te pakken;
9. onderstreept dat the werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren de lidstaten niet hoeft te beletten om van het Europees Sociaal Fonds gebruik te maken voor financiering van jongerenprojecten in ruimere zin, met name op gebied van armoede en sociale insluiting; vraagt de Commissie erop te letten in hoeverre gebruik wordt gemaakt van middelen uit het ESF ten behoeve van projecten voor jongeren;
10. onderstreept dat dit programma moet strekken tot behoud van banen in de ondernemingen die ervan gebruik maken en dat de stageplaatsen in vaste contracten moeten worden omgezet; herinnert eraan dat de steun aan ondernemingen tijdelijk moet blijven, met duidelijk vastgelegde tegenprestaties, met name waar het gaat om behoud van de baan, met inachtneming van de geldende wettelijke bepalingen en collectieve arbeidsovereenkomsten, en voldoening van de verschuldigde belasting en sociale premies;
11. raadt alle lidstaten aan te zorgen voor verplichte training inzake arbeidsrechten en arbeidsgeneeskunde, ook in het onderwijs;
12. dringt bij de lidstaten aan op aanpak van het probleem van onbestendige arbeid en op regulering van contractuele verhoudingen door verschillende opties te verkennen, waarbij polarisatie van de arbeidsmarkt moet worden tegengegaan, jongeren moeten worden beschermd tegen een onzekere positie op het werk, en vaste contracten moeten worden bevorderd;
13. onderstreept dat er een einde moet worden gemaakt aan discriminatie op grond van leeftijd waar het gaat om toegang tot sociale uitkeringen, waaronder ook voorwaardelijke toegang tot een werkloosheidsuitkering;
14. benadrukt dat de crisis en de bezuinigingsmaatregelen in steeds grotere mate gedwongen migratie van jonge mensen in de hand werken;
15. verzoekt de lidstaten te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige stageregelingen waarmee wordt gewaarborgd dat de stages niet alleen zijn afgestemd op de behoeften van jongeren, maar ook voorzien in een fatsoenlijke beloning, sociale bescherming, met een adequate bijdrage voor toekomstige pensionering, arbeids- en vakbondsrechten en arbeidsomstandigheden die geen afbreuk doen aan de werkgelegenheid, de lonen en arbeidsvoorwaarden van bestaand personeel, een en ander onderbouwd met financiële steun en verplicht toezicht, alsook met gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor stages; dringt erop aan dat door de arbeidsinspecties meer naspeuring wordt verricht om vervanging van reguliere arbeidskrachten door stagiaires tegen te gaan, en de gemeenschappelijke veiligheidsnormen voor de bescherming op het werk te waarborgen;
16. dringt er bij de EU en de lidstaten op aan, maatregelen te bedenken om tewerkstelling van schijnzelfstandigen tegen te gaan, bijvoorbeeld door sancties op te leggen aan ondernemingen die arbeid laten verrichten door zelfstandigen die eerder als werknemers bij hen in dienst waren, of ondernemingen zonder eigen personeel die zich toeleggen op inhuren van uitzendbureaus;
17. vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle werklozen die steun ontvangen worden bijgestaan zodat voor elke werknemer kan worden bepaald wat zijn of haar concrete behoeften zijn met betrekking tot opleiding, kwalificaties en een eventuele omscholing, en dit zowel tijdens het evalueren van werkaanbiedingen als in de periode na aanvaarding van een baan om na te gaan of aan de vooropgestelde voorwaarden wordt voldaan en in welke mate de werknemer zich aan de omstandigheden heeft aangepast;
18. vraagt de Commissie en agentschappen als Eurofound en Cedefob om bestaande systemen van tweeledig beroepsonderwijs te analyseren en deze informatie door te geven aan andere lidstaten die geïnteresseerd zijn in invoering van zo'n systeem op vrijwillige basis, zonder de reeds bestaande onderwijsnormen te verlagen;
19. vraagt de lidstaten en de Commissie hun steun te geven aan de creatie van arbeidsplaatsen met behulp van uitgebreide overheidsinvesteringen in duurzame groei, met name in de sociale en de gezondheidszorgsector, alsook in infrastructuur en openbaar onderwijs;
20. vraagt de Commissie en de lidstaten te werken aan de versterking van de wetgeving tegen discriminatie van vrouwen; vraagt de lidstaten om de gelijke toegang tot een eerste baan bij wet te garanderen en te zorgen voor gelijke voorwaarden in de beroepsopleiding voor jonge vrouwen, door discriminerende voorwaarden, zoals het "glazen plafond", weg te nemen, en werkelijke actie te stimuleren ter realisering van de emancipatie van jonge vrouwen op het punt van werkgelegenheid;
21. vraagt de Commissie en de lidstaten dringend om de resultaten van de operationele JWI- programma's regelmatig te evalueren en alle databases voor het publiek toegankelijk te maken;
22. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.
- [1] Eurofound (2012), "NEETs – Young people not in employment, education or training: Characteristics, costs and policy responses in Europe". Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg.
- [2] National Youth Council of Ireland (2010), Youth unemployment in Ireland - The forgotten generation, http://www.youth.ie/sites/youth.ie/files/Youth_Unemployment_in_Ireland_web.pdf.