Ontwerpresolutie - B8-0069/2014Ontwerpresolutie
B8-0069/2014

    ONTWERPRESOLUTIE over het misdrijf agressie

    15.7.2014 - (2014/2724(RSP))

    naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
    ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement

    Andrzej Grzyb, Cristian Dan Preda, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Eduard Kukan, László Tőkés, Monica Luisa Macovei namens de PPE-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0066/2014

    Procedure : 2014/2724(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B8-0069/2014
    Ingediende teksten :
    B8-0069/2014
    Debatten :
    Aangenomen teksten :

    B8‑0069/2014

    Resolutie van het Europees Parlement over het misdrijf agressie

    (2014/2724(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –       gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

    –       gezien artikel 5 van het Statuut van Rome, waarin het misdrijf agressie wordt genoemd als een van de centrale misdrijven ten aanzien waarvan het Internationaal Strafhof rechtsmacht heeft,

    –       gezien de Kampala-amendementen op het Statuut van Rome, die werden aangenomen tijdens de toetsingsconferentie in Kampala (Uganda) in 2010, waarbij in het bijzonder wordt verwezen naar resolutie RC/Res. 6, met betrekking tot het misdrijf agressie,

    –       gezien Besluit 2011/168/GBVB van de Raad van de EU en de daarin opgenomen verwijzing naar de Kampala-amendementen,

    –       gezien het herziene actieplan dat in overeenstemming met Besluit 2011/168/GBVB van de Raad op 12 juli 2011 is aangenomen,

    –       gezien zijn resolutie van 19 mei 2010 over de toetsingsconferentie over het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof in Kampala (Uganda)[1],

    –       gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden (2011/2109(INI))[2],

    –       gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie, waaronder de implicaties voor het strategische mensenrechtenbeleid van de EU (2013/2152(INI))[3],

    –       gezien de resolutie van de algemene vergadering van het Latijns-Amerikaans parlement van 19 en 20 oktober 2013 over de "bevordering van het Internationaal Strafhof en de ratificatie van de Kampala-amendementen" (AO/2013/07XXIX),

    –       gezien de resolutie van de vergadering van de staten die partij zijn bij het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof van 27 november 2013 inzake de "versterking van het Internationaal Strafhof en de vergadering van staten die partij zijn", die onder meer een oproep bevat aan de staten die willen toetreden om het Statuut in zijn gewijzigde vorm te ratificeren, een oproep aan alle staten die partij zijn om te overwegen de amendementen te ratificeren evenals een erkenning van de recente ratificatie van de amendementen door een aantal staten die partij zijn (ICC-ASP/12/Res. 8),

    –       gezien het handboek inzake de ratificatie en tenuitvoerlegging van de Kampala-amendementen op het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof dat is uitgegeven door de permanente missie van het Vorstendom Liechtenstein bij de Verenigde Naties, het mondiale instituut ter voorkoming van agressie en het instituut inzake zelfbeschikking van Liechtenstein aan de universiteit Princeton,

    –       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

    A.     overwegende dat de EU-lidstaten van het begin af aan trouwe bondgenoten van het Internationaal Strafhof zijn geweest en financiële, politieke, diplomatieke en logistieke steun hebben verstrekt, terwijl zij de universaliteit van het Statuut van Rome hebben bevorderd en de integriteit ervan hebben verdedigd, teneinde de onafhankelijkheid van het Hof te versterken;

    B.     overwegende dat de ratificatie van de Kampala-amendementen op het Statuut van Rome inzake het misdrijf agressie door ten minste 30 staten die partij zijn en een na 1 januari 2017 door een twee derde meerderheid van de staten die partij zijn te nemen besluit het mogelijk zullen maken een permanent systeem van internationale strafrechtelijke verantwoordingsplicht te creëren door het misdrijf agressie strafbaar te maken;

    C.     overwegende dat de staten die geen partij zijn bij het Statuut van Rome dit Statuut inclusief de Kampala-amendementen kunnen ratificeren en zo kunnen bijdragen aan de inwerkingtreding van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof met betrekking tot het misdrijf agressie;

    D.     overwegende dat de Kampala-amendementen volledig verenigbaar zijn met het Handvest van de Verenigde Naties, aangezien zij alleen de ernstigste vormen van illegale geweldpleging strafbaar stellen, namelijk de vormen die een duidelijke schending van het VN-Handvest inhouden uit hoofde van de "aard, ernst en omvang" ervan;

     

    E.     overwegende dat de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof met betrekking tot het misdrijf agressie op internationaal niveau zal bijdragen aan de rechtsstaat alsook aan wereldwijde vrede en veiligheid, aangezien zij het illegaal gebruik van geweld zal ontmoedigen en aldus proactief zal bijdragen aan de voorkoming van dergelijke misdrijven en aan de consolidering van duurzame vrede;

    F.     overwegende dat de ratificatie door staten van beide Kampala-amendementen en de inwerkingtreding van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof met betrekking tot het misdrijf agressie er verder aan zullen bijdragen dat een einde wordt gemaakt aan de straffeloosheid ten aanzien van degenen die dit misdrijf begaan;

    G.     overwegende dat de ratificatie van de Kampala-amendementen en de inwerkingtreding van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof met betrekking tot het misdrijf agressie zullen bijdragen tot de bescherming van de mensenrechten door strafbaarstelling van de daad van agressie;

    H.     overwegende dat de inwerkingtreding van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof met betrekking tot het misdrijf agressie zal bijdragen aan de universaliteit van het Statuut van Rome, aangezien een aantal staten wellicht bereid zal zijn het aangevulde Statuut van Rome, met inbegrip van de Kampala-amendementen, te ratificeren, hetgeen tevens in dienst zal staan van hun nationale beleidsdoelstelling om het illegaal gebruik van geweld jegens hen te ontmoedigen;

    1.      beveelt aan dat de EU een gemeenschappelijk standpunt over het misdrijf agressie en de Kampala-amendementen inneemt;

    2.      dringt erop aan dat de EU zich inzet voor de inwerkingtreding van het Kampala-amendement inzake het misdrijf agressie, en steun verleent aan de inspanningen die momenteel worden gedaan om dit doel te verwezenlijken; roept ertoe op dat de EU de lidstaten aanspoort eerst het amendement te ratificeren en dan actieve steun te verlenen aan het eenmalige besluit van de vergadering van de staten die partij zijn bij het Statuut van Rome - zodra de vereiste 30 ratificaties bereikt zijn - om de rechtsmacht van het Strafhof voor het misdrijf agressie in werking te stellen;

    3.      benadrukt de noodzaak om steun voor het Internationaal Strafhof, ratificatie van het gewijzigde Statuut van Rome en ratificatie van beide Kampala-amendementen actief te bevorderen in al het extern optreden van de EU, onder meer via de speciale rapporteur van de EU voor mensenrechten en de EU-delegaties ter plekke, met inbegrip van technische bijstand voor staten die tot ratificatie en/of tenuitvoerlegging willen overgaan;

    4.      dringt er bij de EU op aan zich in te zetten voor de bestrijding van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en het misdrijf agressie, en benadrukt dat bestrijding van straffeloosheid bij ernstige mensenrechtenschendingen tot prioriteit moet worden gemaakt van het extern optreden van de EU en haar lidstaten;

    5.      verzoekt de EU-lidstaten om hun nationale wetgeving spoedig in overeenstemming te brengen met de definities van de Kampala-amendementen, alsook met overige uit het Statuut van Rome voortvloeiende verplichtingen;

    6.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de EU-lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden.