Procedure : 2014/2844(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0132/2014

Ingediende teksten :

B8-0132/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/09/2014 - 10.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0028

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 127kWORD 59k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0111/2014
16.9.2014
PE537.034v01-00
 
B8-0132/2014

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Libië (2014/2844(RSP))


Charles Tannock, Anna Elżbieta Fotyga, Geoffrey Van Orden, Ruža Tomašić namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Libië (2014/2844(RSP))  
B8‑0132/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Libië,

–       gezien de parlementaire verkiezingen die in juni 2014 in Libië zijn gehouden,

–       gezien resolutie 2174 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waarin wordt opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in Libië, inclusieve politieke dialoog en de overdracht van wapens,

–       gezien de conclusies van de bijzondere bijeenkomst van de Europese Raad van 30 augustus 2014,

–       gezien de vergadering van de speciale gezanten voor Libië van de Liga van Arabische Staten, de Europese Unie, Frankrijk, Duitsland, Italië, Malta, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten met de Verenigde Naties op 24 juli 2014 om de recente ontwikkelingen in Libië te bespreken,

–       gezien de conclusies van de 3de ministeriële vergadering Europese Unie / Liga van Arabische Staten te Athene op 11 juni 2014,

–       gezien de opmerkingen van de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN en het hoofd van de VN-Ondersteuningsmissie in Libië (UNSMIL), Bernardino Leon, meest recentelijk op 11 september 2014,

–       gezien het verslag van de Verenigde Naties van 4 september 2014 waarin ernstige schendingen van de mensenrechten worden beschreven in Tripoli en Benghazi,

–       gezien de samenwerkingsprioriteiten voor het zuidelijke nabuurschap voor de komende jaren, zoals vastgesteld in het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) met betrekking tot Libië;

–       gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 20 januari 2011 betreffende de onderhandelingen over een kaderovereenkomst tussen de EU en Libië,

–       gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over migratiestromen over de Middellandse Zee(1),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat in 2011 een einde werd gemaakt aan het 42-jarige autocratische bewind van kolonel Moammar Kadhafi na een opstand en burgeroorlog die anderhalf jaar duurde; overwegende dat de belangrijkste oppositiegroep, de Nationale Overgangsraad, in oktober van dat jaar verklaarde dat het land officieel "bevrijd" was en beloofde Libië om te vormen tot een pluralistische, democratische staat; overwegende dat de Nationale Overgangsraad in augustus 2012 de macht heeft overgedragen aan het nieuw verkozen parlement, het Algemeen Nationaal Congres;

B.     overwegende dat de aspiraties van het Libische volk, die zijn voortgekomen uit de revolutie van 2011, vervangen zijn door een machtsvacuüm, geweld en politieke instabiliteit; overwegende dat dit ertoe heeft geleid dat verschillende milities hun eigen territorium besturen, terwijl opeenvolgende regeringen in Tripoli met moeite trachten hun autoriteit te doen gelden; overwegende dat het politieke leiderschap van Libië er niet in geslaagd is veel van de milities die Moammar Kadhafi tijdens de opstand van 2011 hebben afgezet te bedwingen;

C.     overwegende dat de parlementsverkiezingen in juni 2014 tot dusver niet hebben geleid tot een stabilisering van de situatie in Libië, een ontzenuwing van de onderliggende spanningen tussen politieke en gewapende groeperingen, of een vredevollere, inclusievere en meer democratische oriëntatie voor het land;

D.     overwegende dat er zes opeenvolgende weken, te beginnen vanaf midden juli 2014, sprake is geweest van geweld in de Libische hoofdstad Tripoli, met gevechten tussen rivaliserende strijdtroepen; overwegende dat er in andere dorpen en steden in heel Libië sprake is van rivaliteit en geweld tussen andere milities;

E.     overwegende dat hoge regeringsambtenaren en het verkozen parlement in augustus uit veiligheidsoverwegingen gedwongen werden om te verhuizen van Tripoli naar de oostelijke stad Tobruk; overwegende dat er op 1 september 2014 bericht werd dat de meeste van de Libische ministeries in Tripoli waren ingenomen door milities;

F.     overwegende dat Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten nu hun steun betuigen aan rivaliserende partijen in het escalerende binnenlandse conflict in Libië;

G.     overwegende dat burgerslachtoffers, waaronder vrouwen, kinderen en buitenlandse onderdanen, in de gevechten verzeild zijn geraakt; overwegende dat degenen die zich schuldig maken aan geweld geen rekening lijken te houden met de gevolgen ervan voor onschuldige burgers;

H.     overwegende dat de recente gevechten hebben geleid tot een algehele verslechtering van de levensomstandigheden in Libië, met schaarste aan voedsel, water en elektriciteit; overwegende dat het vertrek van het buitenlands medisch personeel en de schaarste aan medische hulpmiddelen de benarde toestand van de burgers nog hebben verergerd;

I.      overwegende dat de recente gevechten het alleen maar waarschijnlijker hebben gemaakt dat de terroristische groeperingen zich zullen verspreiden; overwegende dat, als hier niets aan wordt gedaan, de nu al wankele situatie in de gehele regio zou kunnen verergeren;

J.      overwegende dat er sinds december 2013 een aantal buitenlandse onderdanen is vermoord of ontvoerd omdat de veiligheidssituatie is verslechterd; overwegende dat verscheidene regeringen van EU-lidstaten zich in augustus 2014 hebben aangesloten bij de Verenigde Staten toen die het aanhoudende geweld in Libië krachtig veroordeelden;

K.     overwegende dat tientallen burgers naar verluidt zijn ontvoerd in Tripoli en Benghazi louter en alleen omdat ze bij een bepaalde stam, familie of godsdienst horen;

L.     overwegende dat de Italiaanse marine in 2014 tot dusver 60 000 migranten heeft gered uit boten die richting Europa en Noord-Afrika aan het varen waren; overwegende dat deze boten naar verluid hoofdzakelijk uit Libië komen; overwegende dat er volgens het Vluchtelingenagentschap van de Verenigde Naties bijna 2 000 migranten verdronken zijn, waaronder recentelijk nog meer dan 200 mensen die om het leven zijn gekomen toen hun boot is gezonken nabij Tajoura, ten oosten van Tripoli; overwegende dat van nog eens 500 migranten wordt gevreesd dat zij zijn omgekomen nadat hun boot naar verluidt zou zijn geramd door een ander vaartuig in de buurt van Malta;

M.    overwegende dat parlementsleden in Libië op 13 augustus 2014 een resolutie hebben aangenomen waarin de Verenigde Naties worden opgeroepen om tussenbeide te komen en de burgers te beschermen tijdens de aanhoudende gevechten in het land; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad op 27 augustus 2014 een resolutie heeft goedgekeurd waarin wordt opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in Libië en tot sancties tegen degenen die betrokken zijn bij de opflakkering van het geweld tussen de rivaliserende milities aldaar;

N.     overwegende dat de geloofwaardigheid van het politieke proces in Libië dringend moet worden hersteld; overwegende dat de wijdverbreide scepsis onder gewone Libiërs geleid heeft tot afbrokkelende geloofwaardigheid en lage opkomst bij de recente verkiezingen; overwegende dat het democratische proces dat begon toen kolonel Kadhafi werd afgezet steeds meer in gevaar komt tengevolge van de recente gewelddadigheden;

O.     overwegende dat naar schatting ten minste 100 000 Libiërs in eigen land ontheemd zijn geraakt door de gevechten, waaronder de voormalige inwoners van Tawergha, die reeds sinds 2011 in opvangkampen verbleven; overwegende dat nog eens 150 000 mensen, waaronder veel migranten, het land hebben verlaten;

P.     overwegende dat de Europese Unie sinds 2011 meer dan 80,5 miljoen EUR aan humanitaire hulpverlening heeft toegekend om te voorzien in basisbehoeften, gewonden te behandelen, vluchtelingen bij te staan en schendingen van de mensenrechten te voorkomen in Libië;

1.      gelooft dat de Libische bevolking zich op een kruispunt bevindt en dat ze met behulp van internationale steun en nationale verzoening kan geholpen worden op weg naar een inclusief, constructief politiek engagement op basis van gedeelde aspiraties en beginselen, en een einde van het geweld;

2.      vreest dat Libië zonder dergelijke nationale eenheid een langere periode van chaos, politieke en sociale versplintering, geweld en economische stagnatie tegemoet kijkt; vreest dat het recente geweld een voorbode kan zijn van een regelrechte burgeroorlog in Libië;

3.      is bezorgd over het feit dat er weinig of geen internationale bemiddeling op hoog niveau plaatsvindt met als doel de crisis op te lossen, noch van de kant van de westerse machten, noch van regionale organen zoals de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie;

4.      doet een dringende oproep aan alle partijen die betrokken zijn bij het conflict om alle gewapende vijandelijkheden stop te zetten en deel te nemen aan een inclusieve politieke dialoog om een staat op te bouwen die gebaseerd is op eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat;

5.      waarschuwt voor de ernstige gevolgen van een voortzetting van de vijandelijkheden, politieke polarisatie en sektarisme voor Libië, op een moment dat alle individuen, gemeenschappen en groepen zouden moeten samenwerken in het belang van de nationale eenheid, de democratische vernieuwing en de veiligheid van het Libische volk;

6.      veroordeelt de recente gevechten in gebieden zoals Tripoli en Benghazi, met inbegrip van willekeurige bombardementen op woningen en openbare faciliteiten; veroordeelt eveneens het gebruik van vliegtuigen bij dergelijke militaire operaties;

7.      is uitermate bezorgd over meldingen dat gevechtsvliegtuigen van de Verenigde Arabische Emiraten luchtaanvallen zouden uitvoeren tegen doelwitten in Tripoli, en waarschuwt dat dergelijke acties wijzen op een dramatische escalatie van het recente geweld, met het risico dat andere regionale spelers betrokken raken bij de gevechten; is bezorgd dat Qatar islamitische milities zou hebben gesteund, waaronder milities die vertegenwoordigd zijn in het alternatieve, niet-officiële parlement in Tripoli;

8.      roept de Libische interimregering en het huis van afgevaardigden op een inclusieve regering op te bouwen die tot doel heeft het geweld te beëindigen en de rechten en de veiligheid van de Libische bevolking te beschermen; verwerpt het alternatieve parlement dat op een onrechtmatige manier in Tripoli zou zijn gevestigd;

9.      verzoekt de grondwetgevende vergadering zo snel mogelijk haar werk aan een grondwet voor Libië af te ronden, die zo breed mogelijk moet worden gesteund door de bevolking; is voorts van mening dat dergelijke grondwet moet leiden tot een duurzame, democratische toekomst voor Libië, die is opgebouwd rond de beginselen van de rechtsstaat en de mensenrechten, en die zal bijdragen tot langdurige politieke stabiliteit in het land;

10.    is uitermate bezorgd over het lot van de vluchtelingen die de Libische kust ontvluchten op weg naar Europa in onveilige vaartuigen; betreurt ten zeerste de honderden doden die zijn gevallen bij het maken van deze oversteek en vreest dat er nog vele doden kunnen volgen bij dergelijke pogingen in de toekomst;

11.    vraagt de EU door te gaan met het bieden van humanitaire, financiële en politieke bijstand in crisisgebieden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, teneinde de onderliggende oorzaken van migratie en humanitaire problemen aan te pakken;

12.    erkent het belang van stabiliteit in Libië voor de bredere regio en de Europese Unie, onder meer gelet op de rol die het gebied speelt in het kader van migrantenstromen naar de EU;

13.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EDEO, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Afrikaanse Unie, de Arabische Liga en de Libische Raad van Afgevaardigden.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0448.

Juridische mededeling - Privacybeleid