Procedure : 2014/2844(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0133/2014

Ingediende teksten :

B8-0133/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/09/2014 - 10.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 131kWORD 62k
16.9.2014
PE537.035v01-00
 
B8-0133/2014

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Libië (2014/2844(RSP))


Javier Couso Permuy, Neoklis Sylikiotis, Pablo Iglesias, Marina Albiol Guzmán, Paloma López, Miloslav Ransdorf, Sabine Lösing, Fabio De Masi, Kostas Chrysogonos, Sofia Sakorafa, Georgios Katrougkalos namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over over de situatie in Libië (2014/2844(RSP))  
B8‑0133/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien resolutie 2174 van 27 augustus 2014 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Libië (S/RES/2171 (2014)),

–       gezien resolutie 1970 van 26 februari 2011 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrede en veiligheid in Afrika (S/RES/1970 (2011)),

–       gezien resolutie 1973 van 17 maart 2011 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Libië (S/RES/1973 (2011)),

–       gezien resoluties 2009 van 16 september 2011 over Libië (S/RES/2009 (2011)), 2017 van 31 oktober 2011 over Libië (S/RES/2017 (2011)), 2022 van 2 december 2011 over Libië (S/RES/2022 (2011)) en 2040 van 12 maart 2012 over Libië (S/RES/2040 (2012)) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–       gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 juni 2014 en 15 augustus 2014,

–       gezien zijn resolutie van 15 september 2011 over de situatie in Libië(1),

–       gezien de gezamenlijke verklaring van de speciale gezanten voor Libië van de Liga van Arabische Staten, de Europese Unie, Frankrijk, Duitsland, Italië, Malta, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van 26 juli 2014,

–       gezien Memo 14/0228 van de Commissie van 27 maart 2014 over het ENB-pakket voor Libië,

–       gezien het gezamenlijk verslag van de ondersteuningsmissie van de Verenigde Naties in Libië (UNSMIL) en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) van 4 september 2014 over de mensenrechtensituatie in Libië,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de NAVO-interventie in 2011, waaraan ook werd deelgenomen door de Britse Special Air Service (SAS), vele onschuldige burgers het leven heeft gekost en heeft geleid tot een humanitaire crisis en grootschalige vernietiging, en daarmee tot volledige destabilisatie van de staat Libië en tot een burgeroorlog die tot op de dag van vandaag voortduurt; overwegende dat Libië wellicht spoedig tot mislukte staat wordt verklaard,

B.     overwegende dat de gewapende strijd tussen Libische politieke groeperingen in Tripoli, Benghazi en andere delen van het land, die sinds juli 2014 vrijwel onophoudelijk aan de gang is, leidt tot een verdere verslechtering van de levensomstandigheden, ontheemding en een stijgend aantal doden, en dat hierdoor ook kinderen worden getroffen;

C.     overwegende dat de eenheid van de staat Libië op het spel staat en er een reëel gevaar bestaat dat ten minste drie regio's (Fezzan, Cyrenaika en Tripolitania) zich zullen afscheiden als er niet gewerkt wordt aan een compromis en er geen verzoeningsproces in gang wordt gezet;

D.     overwegende dat de Libische generaal buiten dienst Khalifa Haftar in mei 2014 een operatie heeft gelanceerd die hij "Operatie Waardigheid" heeft gedoopt en daarmee de strijd heeft aangebonden tegen de Shura Council of Benghazi Revolutionaries (SCBR), een alliantie van onder meer Ansar al-Sharia, eenheden van de Libya Shield Force en andere gewapende groeperingen;

E.     overwegende dat de internationale luchthaven van Tripoli in augustus 2014 werd veroverd door milities uit Misrata (Fajr Libya) en Benghasi (Ansar al-Sharia), die in het verleden door westerse landen en Golfstaten werden gefinancierd en van wapens werden voorzien om te strijden tegen Moammar Kaddafi;

F.     overwegende dat de wapens die aan de rebellen zijn geleverd zich inmiddels in heel Noord-Afrika bevinden en gebruikt zijn in verschillende conflicten en op die manier hebben bijgedragen aan destabilisatie van landen zoals de Centraal-Afrikaanse Republiek, Mali en Syrië, en inmiddels ook in Algerije worden aangetroffen;

G.     overwegende dat de Verenigde Staten een nieuwe interventie in Libië overwegen; overwegende dat ongeïdentificeerde vliegtuigen nachtelijke aanvallen hebben uitgevoerd op eenheden van Libya Dawn in Tripoli; overwegende dat de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte ervan worden beschuldigd de leiding over deze aanslagen te hebben; overwegende dat Libië Sudan beschuldigt van wapenleveranties per vliegtuig aan de rebellen en om die reden de militair attaché van Sudan heeft uitgewezen; overwegende dat de westelijke buurlanden van Libië (Algerije en Tunesië) hun grenzen versterken; overwegende dat er sprake is van een stroom van wapens naar Libië;

H.     overwegende dat het in 2011 tegen Libië ingestelde internationale wapenembargo nog altijd van kracht is; overwegende dat medewerkers van de VN op 15 september 2014 een rapport zouden publiceren over eventuele schendingen van dit embargo;

I.      overwegende dat milities in Darnah en Sirte reeds uiting hebben gegeven aan hun solidariteit met IS in Syrië;

J.      overwegende dat er in Libië op 7 juli 2012 en 24 juni 2014 verkiezingen zijn gehouden; overwegende dat Libië momenteel twee rivaliserende parlementen heeft: het Huis van Afgevaardigden, dat tot stand kwam na de verkiezingen in 2014, maar dat is uitgeweken naar Tobruk nadat de twee belangrijkste steden in Libië in handen zijn gevallen van milities, en het voormalige Algemene Nationale Congres, dat gesteund wordt door pro-islamitische milities en dat zich bevindt in Tripoli;

K.     overwegende dat de NAVO-leden in 2011, in strijd met het internationale recht, wezenlijke steun hebben verleend aan één partij in het Libische conflict, met als redenering dat de no-fly zone en de wapenleveranties aan de (zogenaamde) rebellen in overeenstemming waren met het R2P-concept (responsability to protect);

L.     overwegende dat de ondersteuningsmissie van de Verenigde Naties in Libië (UNSMIL), die in 2011 werd ingesteld bij resolutie 2009 van de VN-Veiligheidsraad, haar medewerkers uit Libië heeft teruggehaald vanwege de sluiting van de internationale luchthaven van Tripoli en het feit dat de veiligheid van de missie niet langer kon worden gegarandeerd; overwegende dat sinds die tijd duizenden Libiërs, internationale diplomaten, alle EU-medewerkers en activisten naar Tunesië zijn gevlucht;

M.    overwegende dat naar schatting van UNSMIL ten minste 100 000 Libiërs in eigen land ontheemd zijn geraakt door de gevechten, waaronder de voormalige inwoners van Tawergha, die reeds sinds 2011 in opvangkampen verbleven, en dat nog eens 150 000 mensen, waaronder veel migranten, het land hebben verlaten om toevlucht te zoeken in het buitenland;

N.     overwegende dat NAVO-leden en -bondgenoten (met name de Verenigde Staten, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten) en ondernemingen, zoals de Canadese onderneming Aeryon Labs Inc.(2), het wapenembargo hebben geschonden dat bij resolutie 1970 van de VN-Veiligheidsraad tegen Libië werd ingesteld als antwoord op het aanhoudende geweld in dat land;

O.     overwegende dat de EU in mei 2012 de missie EUBAM Libië is gestart om de Libische autoriteiten militaire ondersteuning te bieden op het gebied van grensbewaking en grenscontroles; overwegende dat het het belangrijkste doel van de missie is om ervoor te zorgen dat er geen vluchtelingenstromen en geen migratie op gang komt naar Europa en te waarborgen dat de olievelden en de olieraffinaderijen onder staatscontrole komen te staan; overwegende dat EUBAM Libië 30 miljoen EUR kost en daarmee de duurste missie is die ooit door de EU is gestart; overwegende dat de helft van dit bedrag besteed wordt aan particuliere beveiligingsbedrijven;

P.     overwegende dat Libië op de lijst van landen met de grootste aangetoonde olievoorraden in de wereld op de tiende plaats staat en van alle Afrikaanse landen over de grootste olievoorraad beschikt; overwegende dat de oliesector goed is voor 80% van het bbp; overwegende dat Libië voor de NAVO-interventie een olieproductie had van 1,6 miljoen vaten per dag, dat de productie daarna is gedaald tot minder dan 200 000 vaten per dag, en dat de productie onlangs weer is gestegen tot 725 000 vaten, doordat de export, ondanks de chaos in het land, weer is toegenomen;

Q.     overwegende dat VS Africa Command (AFRICOM) de training van 5 000 tot 8 000 Libische militairen heeft uitgesteld vanwege het escalerende geweld tussen milities;

R.     overwegende dat het naar Tobruk uitgeweken parlement op 14 september 2014 de president van de centrale bank heeft ontslagen vanwege een poging om te voorkomen dat fondsen die waren toegewezen aan de nieuwe wetgevers de bank zouden verlaten;

S.     overwegende dat een boot met tegen de 250 migranten op weg naar Europa voor de Libische kust is gezonken en dat slechts 36 personen konden worden gered en de rest is omgekomen; overwegende dat bij een soortgelijk ongeluk in augustus 100 afrikanen zijn omgekomen;

1.      herhaalt zijn afkeuring van de militaire interventie in Libië onder leiding van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Canada onder auspiciën van de NAVO, die heeft geleid tot de huidige situatie;

2.      is fel gekant tegen elk verder extern militair ingrijpen in Libië; benadrukt niettemin dat het belangrijk is dat alle partijen deelnemen aan een vreedzame en politieke dialoog; dringt er bij alle partijen op aan het eens te worden over een onmiddellijk staakt-het-vuren en alle gevechten te staken zodat, onder Libische leiding, een inclusieve politieke dialoog in gang gezet kan worden om op die manier te werken aan verzoening en herstel van de stabiliteit in het land;

3.      maakt zich ernstige zorgen over de huidige economische en politieke tweedeling in het land, die de precaire situatie waar de bevolking zich in bevindt nog verder verslechtert; herhaalt zijn voornemen om zich in te zetten voor de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Libië; herhaalt zijn steun voor het onvervreemdbare recht van volkeren op toegang tot en controle over de hulpbronnen van hun land;

4.      betreurt het toenemende geweld in Libië; veroordeelt het gebruik van geweld, dat onder de burgers heeft geleid tot vele doden, gewonden en ontheemden; dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn voor deze schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht ter verantwoording worden geroepen voor hun daden;

5.      dringt er bij de landen in de regio, de Liga van Arabische Staten en de Afrikaanse Unie op aan de onmiddellijke stopzetting van alle vijandelijkheden te steunen en zich constructief op te stellen ten aanzien van het vinden van een oplossing; steunt in dit verband initiatieven zoals het initiatief van Algerije en de overige buurlanden van Libië om een nationale dialoog te starten tussen de strijdende partijen;

6.      dringt aan op stopzetting van wapenexport naar en wapenleveranties aan Libië en de rest van de regio, stopzetting van wapenexport naar de Golfstaten en stopzetting van de financiering van milities door de Golfstaten, en - indirect - door westerse landen, hetgeen inhoudt dat deze landen geen olie meer moeten kopen die afkomstig is van olievelden die in handen zijn van milities; dringt aan op onderzoek naar de schendingen van het bij resolutie 1970 van de VN-Veiligheidsraad ingestelde wapenembargo;

7.      herinnert eraan dat de Europese Unie, een groot aantal lidstaten en de Verenigde Staten een bijzondere verantwoordelijkheid dragen voor de huidige situatie in Libië, omdat zij het regime van Kaddafi tientallen jaren hebben gesteund, evenals daarna de militaire interventie door de NAVO in Libië;

8.      geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de humanitaire crisis in Libië, die ertoe heeft geleid dat duizenden vluchtelingen het land hebben ontvlucht; dringt er bij de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op aan om alle nodige financiële en personele middelen ter beschikking te stellen om de vluchtelingen te helpen; benadrukt dat ontheemden passende humanitaire hulp geboden moet worden;

9.      dringt er bij de EU op aan haar beleid inzake vluchtelingen uit Noord-Afrika per direct te wijzigen; herhaalt zijn standpunt ten aanzien van Frontex en is van mening dat het beginsel van non-refoulement van artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten met zich meebrengt dat Frontex-operaties er niet toe mogen leiden dat mensen naar Libië of naar een ander land waar hun leven gevaar loopt, worden teruggestuurd;

10.    verzoekt de EU de EUBAM Libië-missie te beëindigen, omdat deze bijdraagt aan verdere militarisering van de Libische grenzen en leidt tot de dood van vluchtelingen; stelt zich op het standpunt dat de EU Libië alleen maar humanitaire en civiele hulp moet verlenen;

11.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de voorzitters van de parlementen van de lidstaten, EUBAM Libië, UNSMIL en de regering en het Huis van Afgevaardigden van Libië.

 

(1)

PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 114.

(2)

Het Canadese bedrijf Aeryon Labs Inc. heeft Aeron Scout drones geleverd aan Libië. Deze drones werden gebruikt door de Libische rebellen bij hun opmars naar Tripoli. De bestuurders van de drones werden getraind door het particuliere beveiligingsbedrijf Zariba Security Corporation. Zie http://www.aeryon.com/news/pressreleases/271-libyanrebels.html

Juridische mededeling - Privacybeleid