Procedure : 2014/2921(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0225/2014

Ingediende teksten :

B8-0225/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/11/2014 - 8.7
CRE 13/11/2014 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0052

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 129kWORD 55k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0211/2014
5.11.2014
PE537.129v01-00
 
B8-0225/2014

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over het Turkse optreden dat tot spanningen leidt in de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus (2014/2921(RSP))


Knut Fleckenstein, Richard Howitt, Demetris Papadakis, Costas Mavrides, Miltiadis Kyrkos, Nikos Androulakis namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het Turkse optreden dat tot spanningen leidt in de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus (2014/2921(RSP))  
B8‑0225/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 12 maart 2014 over het voortgangsverslag 2013 over Turkije(1),

–       gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–       gezien de verklaring van de VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon op 23 oktober 2014 waarin hij zijn bezorgdheid uit over de vastgelopen onderhandelingen en de recentelijk hoog opgelopen spanningen tussen de Republiek Cyprus en Turkije,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de EU sterk hecht aan de hereniging van Cyprus in het kader van een federale, uit twee gemeenschappen en twee zones bestaande staat overeenkomstig VN-maatstaven, en conform de waarden en grondbeginselen van de EU;

B.     overwegende dat Turkije op 3 oktober 2014 een Navigational Telex (NAVTEX)-richtlijn heeft uitgevaardigd waarin een groot gebied van het zuidelijke deel van de exclusieve economische zone (EEZ) van Cyprus onwettig werd 'aangewezen' voor een seismologisch onderzoek dat van 20 oktober t/m 30 december 2014 door het Turkse onderzoeksschip Barbaros moet worden verricht;

C.     overwegende dat de Turkse generale staf heeft aangekondigd dat het Turkse marineschip Göksu, als onderdeel van Operatie Mediterranean Shield, belast was met het 'beschermen en ondersteunen' van het onderzoeksschip Barbaros Hayrettin Paşa, dat onderzoekswerkzaamheden verricht waarvoor de Turks-Cypriotische autoriteiten in het bezette gebied van Cyprus een vergunning hebben afgegeven aan de Turkse aardoliemaatschappij (TPAO); overwegende dat de Turkse generale staf heeft verklaard dat de oorlogsbodem Zipkin het boorplatform SAIPEM-10000, dat operationeel is in de EEZ van de Republiek Cyprus, vanaf een afstand van 9 kilometer blijft observeren;

D.     overwegende dat dit gebied recht tegenover de belangrijkste haven van de Republiek Cyprus in Limassol en kleinere visserij- en jachthavens tussen Larnaca en Limassol ligt, niet in de nabijheid van Turkije zelf, en geen deel uitmaakt van de gebieden waarvan Turkije beweert dat zij tot zijn eigen EEZ behoren;

E.     overwegende dat de Turkse acties plaatsvinden in een kritieke fase van het onderhandelingsproces, na de recente benoeming van een nieuwe speciale adviseur van de VN-secretaris-generaal, Espen Barth Eide, en enkele dagen voor de start van een nieuwe fase van substantiële onderhandelingen tussen de Grieks-Cyprioten en de Turks-Cyprioten;

F.     overwegende dat president Anastasiades zijn deelname aan de onderhandelingen onder auspiciën van de VN op 7 oktober 2014, na het opstomen van de Turkse oorlogsbodems in de EEZ van de Republiek Cyprus, heeft opgeschort uit protest tegen de Turkse manoeuvres die een ondermijning vormen van het recht van zijn land om zijn olie- en gasreserves te exploiteren;

G.     overwegende dat er al concessies in de EEZ van de Republiek Cyprus zijn verleend aan internationale en Europese oliemaatschappijen voor de exploratie en exploitatie van mogelijke ondergrondse gas- en olievoorraden;

H.     overwegende dat de EU het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS) heeft geratificeerd en overwegende dat het nu een integraal deel uitmaakt van het acquis communautaire;

1.      betreurt de escalatie van de dreigingen en het unilaterale optreden van Turkije tegen de Republiek Cyprus met betrekking tot de EEZ; benadrukt dat Ankara's opstelling neerkomt op een directe bedreiging van de soevereiniteit van de Republiek Cyprus;

2.      benadrukt dat dit optreden een schending vormt van de soevereine rechten van de Republiek Cyprus en van het internationaal recht, inclusief UNCLOS;

3.      bevestigt nogmaals dat de lidstaten het soevereine recht hebben om bilaterale overeenkomsten aan te gaan en om hun natuurlijke hulpbronnen overeenkomstig Unclos te exploiteren;

4.      herhaalt zijn verzoek aan Turkije om zijn betrekkingen met alle EU-lidstaten te normaliseren, en herinnert aan de Verklaring van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten van 21 september 2005, waarin onder meer staat dat de erkenning van alle lidstaten van de EU een noodzakelijke component van het toetredingsproces is;

5.      verzoekt alle partijen verantwoord en constructief te handelen teneinde de crisis op te lossen, en dringt er in dit verband bij Turkije op aan zijn oorlogsbodems terug te trekken uit de Cypriotische wateren om de spanning te verminderen en de weg vrij te maken voor een hervatting van de onderhandelingen;

6.      is van mening dat de exploratie van natuurlijke hulpbronnen door de Republiek Cyprus in haar EEZ niet strijdig is met de onderhandelingen over de hereniging van het eiland, en deze ook niet ondermijnt; wijst er in dit verband op dat de uiteindelijke exploitatie van olie en gas ten goede moet komen aan alle Cyprioten;

7.      dringt er bij alle partijen op aan blijk te geven van de oprechte politieke wil om een allesomvattende duurzame regeling te zoeken voor de langdurige deling van het eiland die alle Cyprioten ten goede zal komen; acht het in dit verband betreurenswaardig dat het door Grieks-Cypriotische zijde voorgestelde pakket van vertrouwenwekkende maatregelen door Turks-Cypriotische zijde is verworpen; is van oordeel dat de voorgestelde vertrouwenwekkende maatregelen hadden kunnen bijdragen aan de integratie van de Turks-Cypriotische gemeenschap, en dat er aanvullende inspanningen moeten worden geleverd om deze integratie te bespoedigen;

8.      herinnert Turkije eraan dat het land, als kandidaat-lidstaat, dient te handelen in overeenstemming met de EU-waarden, en dat het vijandigheden met andere lidstaten moet vermijden;

9.      benadrukt dat het Parlement de kwestie zal blijven volgen; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de activiteiten van Turkije in de EEZ van de Republiek Cyprus, en om daar waar nodig verslag van uit te brengen aan het Parlement;

10.    geeft uiting aan zijn niet-aflatende steun voor de herenigingsgesprekken die onder auspiciën van de VN worden gevoerd voor een alomvattende oplossing van de kwestie-Cyprus, net als de leiders van de Grieks-Cypriotische en de Turks-Cypriotische gemeenschap in hun gemeenschappelijke verklaring van 11 februari 2014;

11.    roept beide gemeenschappen in Cyprus en Griekenland en Turkije op zich verdere inspanningen te getroosten om tot een snelle hervatting van deze onderhandelingen te komen, en af te zien van elke actie of maatregel die als een provocatie kan worden opgevat; roept de Commissie op zo snel mogelijk te onderzoeken op welke wijze tot een hervatting van de gesprekken kan worden gekomen;

12.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad en de Commissie, de president en het parlement van de Republiek Cyprus, de leider van de Turks-Cypriotische gemeenschap en de president, de regering en het parlement van Turkije.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0235.

Juridische mededeling - Privacybeleid