Procedure : 2014/2964(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0309/2014

Ingediende teksten :

B8-0309/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2014 - 10.22
CRE 17/12/2014 - 10.22
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0103

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 132kWORD 61k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0277/2014
10.12.2014
PE539.032v01-00
 
B8-0309/2014

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de erkenning van Palestina als staat (2014/2964(RSP))


Tamás Meszerics, Margrete Auken, Bodil Ceballos, Bart Staes, Alyn Smith, Igor Šoltes, Ernest Urtasun, Molly Scott Cato, Davor Škrlec, Karima Delli, Jill Evans, Jordi Sebastià, Josep-Maria Terricabras, Ernest Maragall, Keith Taylor, Pascal Durand, Bronis Ropė, Judith Sargentini, Eva Joly, Yannick Jadot, Klaus Buchner, Philippe Lamberts, Heidi Hautala namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de erkenning van Palestina als staat (2014/2964(RSP))  
B8‑0309/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over het conflict tussen Israël en Palestina, waaronder die van 29 september 2011 over de situatie in Palestina(1), en die van 22 november 2012 over de situatie in Gaza(2),

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 17 november 2014 over het Midden-Oosten,

–       gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, over de situatie in Israël en Palestina, waaronder die van 15, 17 en 18 november 2014,

–       gezien de officieuze nota aan de hand van de input van de lidstaten over een mogelijke follow-up met betrekking tot Oost-Jeruzalem, die was opgesteld door de Europese Dienst voor extern optreden en die in november 2014 naar de media was gelekt,

–       gezien het besluit van de Zweedse regering van 30 oktober 2014 om de Palestijnse staat te erkennen, en gezien de eerdere erkenning van Palestina door Cyprus, de Tsjechische Republiek, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië en Slowakije,

–       gezien de niet-bindende resoluties die onlangs zijn goedgekeurd door het Lagerhuis van het Verenigd Koninkrijk, de Ierse senaat, het Spaanse parlement en de Franse Nationale Vergadering over de erkenning van de Palestijnse staat,

–       gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over het conflict tussen Israël en Palestina, met name Resoluties 242, 446 en 1515,

–       gezien Resolutie 67/19 van de Algemene Vergadering van de VN van 29 november 2012,

–       gezien de VN-mensenrechtenverdragen, waarbij Israël en Palestina partij zijn,

–       gezien het Arabisch Vredesinitiatief dat in maart 2002 werd aangenomen door de Raad van de Liga van Arabische Staten,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat 135 van de 193 VN-lidstaten diplomatieke erkenning hebben uitgebreid naar de Palestijnse staat;

B.     overwegende dat de EU het Palestijnse recht op zelfbeschikking, onder andere door middel van een eigen staat, herhaaldelijk heeft erkend, en overwegende dat dit recht niet "onderworpen is aan enig veto", zoals is vastgelegd in de conclusies van de Raad van maart 1999;

C.     overwegende dat Palestina op 29 november 2012 door de VN werd erkend als niet-lidstaat met de status van waarnemer;

D.     overwegende dat de onderhandelingen voor een bevredigende oplossing van het conflict tussen Israël en Palestina in april 2014 voor onbepaalde tijd werden opgeschort, en dat er weinig kans is op hervatting binnen de kaders van het door de VS geleide vredesproces van Oslo;

E.     overwegende dat de Israëlische regering de annexatie van land en de uitbreiding van nederzettingen in bezet Palestijns gebied heeft versneld, waaronder met de grootste landroof in 30 jaar, zoals eind augustus 2014 werd aangekondigd;

F.     overwegende dat de voortdurende bezetting en de vernedering en schendingen die daarmee gepaard gaan, een bron zijn van diepe wrok en lijden bij de onderworpen Palestijnse bevolking;

G.     overwegende dat er vanwege de recente gebeurtenissen in Oost-Jeruzalem bij de al-Aqsamoskee een groot gevaar bestaat op verder sektarisch geweld en regionale destabilisatie, en dat deze gebeurtenissen laten zien dat de status quo van de beschermde heilige plaatsen absoluut moet worden gehandhaafd;

H.     overwegende dat meer dan 100 generaals buiten dienst, reservegeneraals en hoge beveiligingsambtenaren een petitie hebben ingediend bij de Israëlische premier Netanyahu waarin zij pleiten voor een op regionale leest geschoeide diplomatieke tweestatenoplossing van het conflict tussen Israël en Palestina;

I.      overwegende dat meer dan 1000 Israëlische prominenten, onder wie voormalige ministers, parlementsleden en artiesten, Europese parlementsleden onlangs hebben opgeroepen de Palestijnse staat formeel te erkennen;

J.      overwegende dat de aanval door het Israëlische leger op de Gazastrook op 8 juli 2014 heeft geleid tot een ongekend aantal verwoestingen en dodelijke slachtoffers in de enclave; overwegende dat het staakt-het-vuren dat op 26 augustus 2014 overeengekomen was, niet ten uitvoer is gelegd, vooral niet wat betreft het opheffen van de blokkade;

K.     overwegende dat er in april 2014 een Palestijnse eenheidsregering is geïnstalleerd, met goedkeuring van Hamas en Fatah, die de beginselen van het Kwartet, namelijk geweldloosheid, aanvaarding van de bestaande overeenkomsten en de erkenning van Israël accepteert en die wordt gesteund door de VS en de EU;

L.     overwegende dat president Mahmud Abbas van de Palestijnse Autoriteit heeft meegedeeld dat hij voornemens is via de VN een tijdschema in te stellen om binnen drie jaar een einde te maken aan de Israëlische bezetting van Palestijns grondgebied; overwegende dat de Arabische Liga haar steun voor dit actieplan heeft uitgesproken, en heeft opgeroepen een internationale conferentie te organiseren met het oog op een definitieve oplossing op basis van het Arabisch Vredesinitiatief;

M.    overwegende dat in een in mei 2014 in opdracht van de Commissie uitgevoerde evaluatie van de samenwerking van de EU met de bezette Palestijnse gebieden en van de steun aan het Palestijnse volk werd geconcludeerd dat het huidige samenwerkingsparadigma zijn grenzen heeft bereikt, bij gebrek aan een parallel politiek traject van de EU ten aanzien van de obstakels die voortvloeien uit de Israëlische bezetting en het Israëlische nederzettingenbeleid en de politieke verdeeldheid van de Westelijke Jordaanoever en Gaza;

N.     overwegende dat de EU door haar vroegere ervaringen met succesvolle geschillenbeslechting door EU-lidstaten, met name het Noord-Ierse vredesproces, een voortrekkersrol op zich zou kunnen nemen bij de oplossing van het conflict tussen Israël en Palestina, door gebruik te maken van de institutionele en politieke oplossingen die bij vorige conflicten tot stand zijn gebracht;

1.      dringt er bij alle lidstaten op aan de Palestijnse staat onvoorwaardelijk te erkennen in overeenstemming met de grenzen van 1967;

2.      is ervan overtuigd dat, als de Palestijnse staat in heel Europa wordt erkend, de vooruitzichten op vrede zullen toenemen en de inspanningen zullen worden toegejuicht, onder andere door het maatschappelijk middenveld in Israël, om een tweestatenoplossing van het conflict tussen Israël en Palestina via onderhandelingen zeker te stellen;

3.      is ingenomen met het feit dat de Zweedse regering de Palestijnse staat onlangs heeft erkend; is verheugd over de vervolgens door overweldigende meerderheden aangenomen resoluties bij de Franse, Spaanse, Ierse en Britse wetgevende organen, die hun regeringen oproepen dit voorbeeld te volgen;

4.      is zeer verontrust over de recente escalatie van het geweld in Jeruzalem, en veroordeelt eenduidig alle tegen burgers gerichte gewelddadigheden door (een van) beide partijen; erkent het recht van zowel Israël als Palestina om in veiligheid te leven binnen hun erkende grenzen; pleit voor een de-escalatie van de situatie waardoor de hele regio overweldigd dreigt te worden; hamert erop dat daders ter verantwoording moeten worden geroepen voor alle misdaden die begaan zijn tegen burgers;

5.      benadrukt dat de veiligheid van Israël eerder uitgehold wordt dan behouden blijft door de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden, en dat de stagnatie van een tweestatenoplossing verder geweld en bloedvergieten alleen maar in de hand werkt;

6.      veroordeelt de voortdurende expansie van Israëlische nederzettingen zeer, aangezien dit indruist tegen het internationale recht, de wrok bij de Palestijnse bevolking aanwakkert en de levensvatbaarheid van en de vooruitzichten op een tweestatenoplossing danig beperkt; verzoekt de Israëlische autoriteiten om hun nederzettingenbeleid, onder meer hun plannen voor een gedwongen verplaatsing van de bedoeïenenbevolking, onmiddellijk stop te zetten en om te buigen;

7.      veroordeelt de aanvallen op Israëlische burgers door Hamas en andere militante groeperingen, waaraan een einde moet worden gemaakt;

8.      benadrukt dat de eerbiediging van de internationale mensenrechten en het humanitair recht door alle partijen en onder alle omstandigheden onverminderd een cruciale vereiste is voor het bereiken van een rechtvaardige en duurzame vrede; onderstreept de bijzondere verantwoordelijkheid uit hoofde van het internationaal recht van Israël als bezettingsmacht, om het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechten na te leven;

9.      verzoekt de EU haar verantwoordelijkheden als invloedrijke speler na te komen, en een moedig en alomvattend vredesinitiatief te nemen voor de regio, met name op basis van het Arabische Vredesinitiatief; verzoekt de EU tevens haar huidige beleid van contacten met de voornaamste actoren in de regio volledig te herzien en zichzelf daarmee de middelen te verschaffen om een ambitieuze vredesagenda uit te voeren;

10.    verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten maatregelen te nemen om de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing te waarborgen en een positieve dynamiek tot stand te brengen om tot echte vredesonderhandelingen te komen; verzoekt de EU in dit verband te reageren op de voortdurende expansie van Israëlische nederzettingen door:

a.      de openbare diplomatieke banden van de EU aan te halen;

b.      de samenwerkingssteun aan Israël opnieuw te beoordelen in overeenstemming met het "minder voor minder" beleid;

c.      bij de toepassing van de akkoorden tussen de EU en Israël de bezette Palestijnse gebieden strikt buiten beschouwing te laten;

d.      EU-burgers en bedrijven beter te adviseren over nederzettingen en activiteiten in de nederzettingen, en op te treden tegen EU-bedrijven die betrokken zijn bij schendingen in de nederzettingen;

e.      concrete maatregelen te nemen jegens kolonisten, waaronder het vaststellen van een geen-contactbeleid en een visumverbod;

f.       producten uit de nederzettingen niet toe te laten op de Europese interne markt;

g.      de betrekkingen tussen de EU en Israël te heroverwegen tegen de achtergrond van artikel 2 van de associatieovereenkomst;

11.    verzoekt de EU steun te blijven verlenen aan de Palestijnse staat via staatsopbouwprogramma's en door de aanvraag van Palestina voor lidmaatschap in internationale organisaties te steunen, waaronder het Internationaal Strafhof, en de steun aan het maatschappelijk middenveld op te voeren;

12.    besluit het initiatief "Parlementsleden voor vrede" te lanceren om Europese, Israëlische en Palestijnse parlementsleden samen te brengen en zo vorderingen met de vredesagenda te boeken en de diplomatieke inspanningen van de EU aan te vullen;

13.    roept alle partijen op de voorwaarden uit het staakt-het-vurenakkoord van augustus 2014 doeltreffend ten uitvoer te leggen; dringt er met name bij de Israëlische autoriteiten op aan de illegale blokkade van de Gazastrook onmiddellijk, onvoorwaardelijk en volledig op te heffen;

14.    is ingenomen met de bemoedigende stappen die voorafgaand aan het Israëlische militaire offensief in augustus 2014 zijn gezet in de richting van inter-Palestijnse verzoening en de samenstelling van een technocratische regering; verzoekt alle Palestijnse krachten hun verzoeningsinspanningen te hervatten; hekelt de pogingen om dit potentieel historische proces te ondermijnen, en verzoekt de Israëlische autoriteiten alle personen die sinds 12 juni 2014 gearresteerd zijn, weer vrij te laten of hen in beschuldiging van een erkend misdrijf te stellen;

15.    besluit een verslag op te stellen over de handel in wapens en andere beveiligingsapparatuur tussen de lidstaten en Israël/Palestina, en over de verenigbaarheid van deze handel met het gemeenschappelijk standpunt van de EU; roept op tot een alomvattend VN-wapenembargo voor alle partijen in de regio om verdere schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten te voorkomen;

16.    besluit een ad-hocdelegatie naar Gaza/Palestina en Israël te sturen om de situatie ter plaatse en de vooruitzichten op een duurzame oplossing van het conflict te beoordelen;

17.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de gezant van het Kwartet voor het Midden-Oosten, de Israëlische regering, de Knesset, de president van de Palestijnse Autoriteit, de Palestijnse Wetgevende Raad en de organen van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering.

 

(1)

PB C 56E van 26.2.2013, blz. 104.

 

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0454

Juridische mededeling - Privacybeleid