Procedure : 2014/2912(DEA)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0319/2014

Ingediende teksten :

B8-0319/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2014 - 10.19
CRE 17/12/2014 - 10.19
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 131kWORD 204k
2.12.2014
PE539.042v01-00
 
B8-0319/2014

overeenkomstig artikel 150, lid 4, van het Reglement


betreffende de Gedelegeerde Verordening (EU) van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor de Oostzee (2014/2912(DEA))


Marek Józef Gróbarczyk namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement betreffende de Gedelegeerde Verordening (EU) van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor de Oostzee (2014/2912(DEA))  
B8-0319/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad, en met name Deel III(1),

–       gezien Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98, en met name Bijlage IV(2),

–       gezien Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 779/97(3),

–       gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien artikel 105, lid 4, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat verlaging van de minimuminstandhoudingsreferentie–grootte voor kabeljauw in de Oostzee, zoals voorgesteld door de Commissie, de reproductieve capaciteit van het visbestand zou kunnen aantasten;

B.     overwegende dat het besluit van de Raad betreffende totaal toegestane vangsten (TAC) voor kabeljauwbestanden in 2015 een beperking van de quota inhoudt (met 7% in de westelijke Oostzee en met 22% in de oostelijke Oostzee) om de soort te beschermen;

C.     overwegende dat verlaging van de minimuminstandhoudingsreferentie–grootte voor kabeljauw in de Oostzee van 38 tot 35 cm de totstandkoming van een markt voor jonge vis zou stimuleren;

D.     overwegende dat verlaging van de minimuminstandhoudingsreferentie–grootte voor kabeljauw een sterke stimulans om selectiever vistuig te gebruiken teniet zou doen;

1.      maakt bezwaar tegen Gedelegeerde Verordening (EU) nr. ..../.... van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor de Oostzee;

2.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;

3.      verzoekt de Commissie een nieuwe gedelegeerde handeling in te dienen waarin rekening wordt gehouden met de volgende aanbevelingen:

Aanbeveling  1

Gedelegeerde Verordening

Artikel 3

 

Gedelegeerde handeling waartegen bezwaar wordt gemaakt

Aanbeveling voor de nieuwe gedelegeerde handeling

Minimuminstandhoudings–referentiegrootte

De minimuminstandhoudingsreferentie–grootte voor kabeljauw in de Oostzee bedraagt 35 cm.

Schrappen

Or. en

 

 

4.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 

(1)

PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)

PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1.

(3)

PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid