Procedure : 2014/2964(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0349/2014

Ingediende teksten :

B8-0349/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2014 - 10.22
CRE 17/12/2014 - 10.22
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0103

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 127kWORD 57k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0277/2014
10.12.2014
PE545.597v01-00
 
B8-0349/2014

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de erkenning van Palestina als staat (2014/2964(RSP))


Fernando Maura Barandiarán, Pavel Telička, Javier Nart, Beatriz Becerra Basterrechea, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Ivan Jakovčić, Ivo Vajgl, Alexander Graf Lambsdorff, Louis Michel, Jozo Radoš namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de erkenning van Palestina als staat (2014/2964(RSP))  
B8‑0349/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–       gezien de Akkoorden van Oslo ("Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements") van 13 september 1993,

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN van 1966,

–       gezien Resolutie 67/19 van de Algemene Vergadering van de VN van 2012,

–       gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) van 18 november 2014,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2014 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–       gezien de opmerkingen van de vv/hv tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2014,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat op 20 november 2014, 135 van de 193 lidstaten van de VN en 8 van de 28 lidstaten van de Europese Unie de staat Palestina hebben erkend en dat 5 EU-lidstaten kort geleden de toekomstige erkenning van de staat Palestina hebben goedgekeurd;

B.     overwegende dat de EU herhaaldelijk haar steun heeft bevestigd voor de tweestatenoplossing waarbij de staat Israël, met de garantie op veilige en erkende grenzen, en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, en heeft verklaard dat geen andere wijzigingen van de grenzen van vóór 1967 zullen worden erkend dan deze die door de partijen zijn overeengekomen, ook niet met betrekking tot Jeruzalem als hoofdstad van beide staten;

C.     overwegende dat de erkenning van een Palestijnse staat het resultaat moet zijn van een bilaterale overeenkomst – en wederzijdse erkenning – tussen de Israëlische en de Palestijnse staat met het oog op een eigen staat, binnen veilige grenzen, voor beide partijen;

D.     overwegende dat de rechtstreekse vredesonderhandelingen tussen de partijen momenteel vast zitten; overwegende dat de EU de partijen heeft opgeroepen om maatregelen te treffen die kunnen bijdragen aan een sfeer van vertrouwen, die nodig is om zinvol te kunnen onderhandelen, om zich te onthouden van maatregelen die de geloofwaardigheid van het proces kunnen ondermijnen en om opruiing te voorkomen;

E.     overwegende dat het ontbreken van een geloofwaardig politiek kader wordt uitgebuit en tot een verdere verharding van ideologische en religieuze posities leidt;

F.     overwegende dat de Westelijke Jordaanoever sinds de Akkoorden van Oslo van 1995 in drie bestuurlijke zones of gebieden is verdeeld; overwegende dat zone C het grootste deel van de Westelijke Jordaanoever beslaat; overwegende dat sociale en economische ontwikkelingen in zone C van essentieel belang zijn voor de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat;

G.     overwegende dat de Palestijnse aanwezigheid op de Westelijke Jordaanoever, in het bijzonder in zone C, en in Oost-Jeruzalem op oneerlijke wijze is ondermijnd door het huidige ingewikkelde conflict;

H.     overwegende dat de Israëlische nederzettingen in strijd zijn met het internationaal recht en een belangrijk obstakel vormen voor de vredesinspanningen;

I.      overwegende dat Israël in het document "Basic Law: Jerusalem, Capital of Israel" uit 1980 Jeruzalem tot de volledige en ondeelbare hoofdstad van Israël heeft uitgeroepen, wat indruist tegen resolutie 478 (1980) van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 nog eens wordt herhaald dat via onderhandelingen een manier moet worden gevonden om het punt van de status van Jeruzalem als de toekomstige hoofdstad van beide staten op te lossen; overwegende dat de huidige ontwikkelingen in Oost-Jeruzalem in de praktijk het vooruitzicht dat Jeruzalem de toekomstige hoofdstad van beide staten wordt, onwaarschijnlijk en onrealistisch maken; overwegende dat Oost-Jeruzalem steeds meer van de Westelijke Jordaanoever wordt losgekoppeld, en dat de historische kern van Jeruzalem steeds meer van de rest van Oost-Jeruzalem wordt losgekoppeld;

J.      overwegende dat de bescherming van de Palestijnse bevolking en haar rechten op de Westelijke Jordaanoever, met name in zone C, en in Oost-Jeruzalem van cruciaal belang is voor het handhaven van de haalbaarheid van de tweestatenoplossing; overwegende dat de voortdurende uitbreiding van de nederzettingen, het geweld door kolonisten, de bouwbeperkingen en het daaruit voortvloeiende acute huizentekort, de vernietiging van huizen, de huisuitzettingen en verdrijvingen, de inbeslagneming van land, de moeilijke toegang tot natuurlijke hulpbronnen en het gebrek aan fundamentele sociale voorzieningen en bijstand een zeer negatieve invloed hebben op de levensomstandigheden van de Palestijnen;

K.     overwegende dat het ontbreken van één enkele, democratische Palestijnse regering, evenals de weigering van Hamas om Israël als staat alsook zijn permanente bestaansrecht te erkennen, om het geweld af te zweren en om de geldigheid van de eerder gesloten overeenkomsten tussen de Israëliërs en de Palestijnen te aanvaarden, niet bijdragen aan het vinden van een vreedzame oplossing voor het conflict;

L.     overwegende dat de door Israël gebouwde scheidingsmuur, die niet parallel loopt met de Groene Lijn, een aanzienlijk deel van het Palestijns grondgebied afsnijdt, zowel op de Westelijke Jordaanoever als in Oost-Jeruzalem; overwegende dat het Internationaal Gerechtshof in een advies van 2004 over de juridische gevolgen van de bouw van een muur in bezet Palestijns gebied heeft aangegeven dat de constructie van de muur door Israël en alle daarbij behorende maatregelen indruisen tegen het internationaal recht;

M.    overwegende dat Arabische bedoeïenen tot een sedentair, inheems volk behoren dat van oudsher een agrarisch bestaan leidt op de gronden van hun voorvaderen en streven naar formele en permanente erkenning van hun unieke situatie en status; overwegende dat de gemeenschappen van Arabische bedoeïenen, die door Israëlische beleidsmaatregelen, waaronder gedwongen verhuizing, in hun bestaan worden bedreigd, een uitermate kwetsbare bevolkingsgroep vormen, zowel in de bezette Palestijnse gebieden als in de Negev;

N.     overwegende dat de EU en de lidstaten bij vele gelegenheden, onder meer in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, hebben herhaald dat zij de veiligheid van Israël zeer ernstig nemen, het geweld tegen burgers, onder meer via raketaanvallen vanuit de Gazastrook, in krachtige bewoordingen hebben veroordeeld en ertoe hebben opgeroepen de smokkel van wapens naar de Gazastrook doeltreffend aan te pakken;

1.      neemt kennis van de processen die gaande zijn in een aantal lidstaten met het oog op de erkenning van de staat Palestina en geeft aan deze ondersteuning zodanig te willen sturen dat het vredesproces wordt versneld en de tweestatenoplossing sneller in zicht komt, bij voorkeur als onderdeel van een via onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomst, in samenwerking met de VN;

2.      roept alle lidstaten en de vv/hv ertoe op tot een gemeenschappelijk EU-standpunt over deze kwestie te komen;

3.      roept de internationale gemeenschap, en in het bijzonder de EU, op tot het ondernemen van gecoördineerde actie, rekening houdend met de legitieme bezorgdheid, belangen en aspiraties van de staat Israël en van Palestina;

4.      is ernstig bezorgd over de toenemende spanningen en gewelddadigheden ter plaatse; roept de politieke leiders van alle partijen ertoe op gezamenlijk zichtbare acties te ondernemen om de situatie te de-escaleren; veroordeelt alle terroristische aanvallen van de afgelopen tijd en betuigt zijn medeleven met de nabestaanden, en roept de staat Israël op om af te zien van elke vorm van ongericht geweld tegen de burgerbevolking; roept de Palestijnse autoriteit ertoe op alle terreurdaden te veroordelen en zich sterker in te spannen om een einde te maken aan haatuitingen en gewelddaden te voorkomen; roept de Israëlische regering ertoe op een einde te maken aan de uitbreiding van de nederzettingen en de beperkingen van de rechten van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever, in het bijzonder in zone C, en in Oost-Jerusalem wat betreft de toegang tot natuurlijke hulpbronnen en fundamentele sociale voorzieningen en bijstand, hetgeen van cruciaal belang is voor het handhaven van de haalbaarheid van de tweestatenoplossing;

5.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de afgezant van het Midden-Oostenkwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit, de premier van de Palestijnse nationale consensusregering en de Palestijnse Wetgevende Raad.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid